TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Dood

Schopenhauer: de metafysische behoefte van de mens

“Trouwens, de eigenlijke filosofische aanleg bestaat allereerst hierin, dat we in staat zijn ons over het gewone en alledaagse te verwonderen, waardoor we worden genoodzaakt het algemene van de verschijning tot ons probleem te maken, terwijl de beoefenaars van de empirische wetenschappen zich enkel verwonderen over heel speciale en zeldzame verschijnselen”.

Bijna volmondig ja! Net omdat we alles niet vanzelfsprekend vinden, verstomt de verwondering ons. We kunnen daarin ver gaan, zoals de filosoof die door het Thrakische meisje wordt uitgelachen omdat hij in een put viel omdat hij te begeesterd was door de sterren boven hem. De verwondering maakt ons echter allen dwazen. Wat de empirische wetenschappen betreft, geef ik Schopenhauer in deze ongelijk. Het is ook een vorm van verwondering die de wetenschapper doet duiken achter andere algemene gebeurtenissen zoals de wisseling van seizoenen of het parmantige kleurenspel van een herfstavond. Niet de wetenschap als een afstandelijke, objectieve bezigheid, maar als een betrokken, verwonderende onderzoekspraktijk.

“Hoe lager een mens in intellectueel opzicht staat, des te minder raadselachtig het bestaan zelf voor hem is; alles schijnt hem vanzelfsprekend te zijn – hoe het is en dat het er is. Dit komt doordat zijn intellect nog volledig trouw is gebleven aan zijn oorspronkelijke bestemming, namelijk als medium voor de motieven dienstbaar te zijn aan de wil; als integrerend deel is het dan ook nauw verbonden met de wereld en de natuur. Het komt niet in hem op zich als het ware los te maken van de totaliteit der dingen, er tegenover te gaan staan en als tijdelijk zelfstandig wezen de wereld objectief te aanschouwen.”

Dit doet me denken aan een aantal denkbeelden van de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (cf. De opstand der horden), die in zijn denken een beeld schetste van de beschaafde barbaar, die alles vanzelfsprekend vindt en vast zit in het “eeuwige heden”. In dat beeld vergde het een soort aristocratie om de complexiteit van de eenvoudige, alledaagse dingen en praktijken in te zien. Die was, met de opstand van de massamens, in een hoek gedreven: doordat alles met een handomdraai beschikbaar is, valt ons bestaan ten prooi aan de vanzelfsprekendheid. Hoewel een eigentijdse tijdsdiagnose gelijk staat aan het betreden van glad ijs, voel ik wel aan hoe we vandaag de verwondering naar het algemene verstommen door een ommeslag naar de “bewondering” van het concrete en het momentane. De waan van de dag zegeviert: we pinnen ons vast op iets dat enkel op dit moment belangrijk lijkt, terwijl we het perspectief sub specie aeternitatis helemaal verliezen. Geen wonder dat de stille contemplatie is verdreven: we leven in de radeloze maalstroom van het nu en zijn verblind voor de omineuze omvang van het Zijn.

“Want is het is ongetwijfeld het besef van de dood en de daarmee verbonden ervaring van het lijden en de noden van het leven, dat de sterkste impuls geeft tot filosofische bezinning en metafysische interpretatie van de wereld. Wanneer ons leven eindeloos en smarteloos zou zijn, zou het misschien wel bij niemand opkomen te vragen waarom de wereld bestaat en is zoals ze is: alles zou dan vanzelfsprekend zijn.”

Waarmee Heidegger op het idee kwam dat de mens een Sein zum Tode was weet ik niet, maar in dit citaat moet hij vast sterk beaamd hebben. Net door het besef van onze eigen historiciteit en eindigheid, zijn we erop uit ons bestaan daar voorbij te katapulteren. Hermann Hesse leek in Narziss und Goldmund  een soortgelijk idee te opperen over de kunst: de vereeuwiging van het vergankelijke. De dood is de ultieme barrière, de ultieme grensoverschrijding. Pas dan zijn we helemaal afgerond als mens, want op dat punt zijn we niet meer onderworpen aan het brute heen-en-weer geschuifel van de geschiedenis.

P.

 

Advertenties

Het zuivere uur van Emil Cioran

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

“Le temps pur, le temps décanté, libéré d’événements, d’êtres et de choses, ne se signale qu’à certains moments de la nuit, quand vous le sentez avancer, avec l’unique souci de vous entraîner vers une catastrophe exemplaire.”

Tijd is geen lineair, kwantitatief gegeven zoals Cioran hier aan wil tonen. Wij ontmoeten haar op verschillende kwaliteitsniveau’s en de meest zuivere variant bij het aanzicht van de nakende dood. Dit doet me denken aan een citaat van Nietzsche dat Europa pas zal ontstaan bij de rand van de afgrond. In meer dagelijkse gebruiken wordt de ernst van de situatie pas duidelijk wanneer je bijna tegen de muur aanbotst. Bij het in slaap vallen tijdens het autorijden worden we brutaal wakker zodra we de ruwe witte strepen van de pechstrook voelen. Zo leven we vaak op automatische piloot, zonder te beseffen dat we ieder ogenblik in de afgrond kunnen vallen.

P.

Cioran, Emil, De l’inconvénient d’être né, in: Oeuvres, Paris: Gallimard, 1995, p. 1295.

Spengler: symbolische tegenstellingen

Oben und Unten, Himmel und Erde werden zu wesenhaften Mächten, die sich bekämpfen. Aber diese Gegensätze des ursprünglichsten Sinnesempfindens mischen sich mit denen des grübelnden und wertenden Verstehens: Gut und Böse, Gott und Satan. Der Tod is für den Schöpfer des Johannesevangeliums wie für den strengen Moslim nicht das Ende des Lebens, sondern ein Etwas, eine Kraft neben ihm, und beiden streiten um den Besitz des menschen.

Net als in het spanningsveld tussen microkosmos en macrokosmos bestaan er volgens Spengler in iedere cultuur tegenstellingen die een symbolische betekenis dragen. Een oertegenstelling fundeert geloof en weten, waarneming en begrip. Herakleitos is nooit ver weg geweest.

Bron: SPENGLER, Oswald, Der Untergang des Abendlandes Vol II, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung, 1927, 283.

Gedachten bij de zelfmoord van Dominique Venner

Ik geef toe dat ik weinig had gehoord over de man, maar naar aanleiding van zijn dramatische zelfmoord  vandaag in de Notre Dame van Parijs  kon ik een blogpost niet laten. Een aantal zaken leken me heel frappant, om te beginnen bij Venners’ laatste blogpost voor zijn afscheid van de wereld:

Il faudrait nous souvenir aussi, comme l’a génialement formulé Heidegger (Être et Temps) que l’essence de l’homme est dans son existence et non dans un « autre monde ». C’est ici et maintenant que se joue notre destin jusqu’à la dernière seconde. Et cette seconde ultime a autant d’importance que le reste d’une vie. C’est pourquoi il faut être soi-même jusqu’au dernier instant. C’est en décidant soi-même, en voulant vraiment son destin que l’on est vainqueur du néant. Et il n’y a pas d’échappatoire à cette exigence puisque nous n’avons que cette vie dans laquelle il nous appartient d’être entièrement nousmêmes ou de n’être rien.

Dat geeft stof tot nadenken.

Het zou makkelijk zijn te stellen dat hij vlucht van een maatschappij waarin hij niet functioneert. Als je echter zijn afscheidsbrief leest, besef je dat hij niet wegloopt van een maatschappij maar een offer brengt: “J’offre ce qui me reste de vie dans une intention de protestation et de fondation”. Wat me treft is de eerlijkheid die Venner tegenover zichzelf en de buitenwereld etaleert. Die consistentie is merkwaardig.

De Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler gebruikte in Mensch und Technik het beeld van de Romeinse soldaat die nog op wacht bleef staan toen de pyroclastische vulkaanwolk doorheen Pompeii raasde. Historisch kan je dat voorbeeld nog beginnen ontkrachten, maar dat is niet het punt. Het gaat hier over een existentialistisch zinnebeeld dat het open vizier benadrukte; de ontwaakte, zelfbewuste mens die voorbij de schijn kijkt; het authentiek zelf-zijn; Existenzerhellung und Weltorientierung (K. Jaspers). Het zinnebeeld is te bewonderen omdat het om een consistente levenshouding gaat. Dààr gaat het om.

P.

Verwondering en onbehagen

“Dat was adembenemend. Nooit tevoren had ik vermoed wat het betekent, te existeren”. (Sartre, La nausée (1938))

Ik studeer filosofie uit een verlangen om alles in en rond mij te begrijpen. Waar, dat is een pretentieus uitgangspunt: men gelooft al lang niet meer dat de mens alles te weten kan komen. Niet alleen is ons kenvermogen begrensd, maar er bestaat ook een onzekerheidsfactor die veeleer in de natuurlijke processen zelf ligt opgesloten (cf. Mandelbrot, Heisenberg, Gödel e.a.). Hoe dan ook worden we geconfronteerd met de verwondering die ons als metafysisch wezen in al onze nieuwsgierigheid bepaalt. Ik kan dan niet alles weten, maar het vermogen tot mateloze verwondering biedt vertroosting.

Maar hoe kunnen we ook anders zo nieuwsgierig zijn? We worden zonder enige inspraak in de wereld geworpen en worden door onze omgeving verwacht dit vanzelfsprekend te vinden. Is het dan opmerkelijk dat we ons vragen stellen naar de gronden van ons bestaan? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Dat is volkomen normaal, dat ligt in onze aard. Een mens die naar de sterrenhemel staart en zich geen existentiële vragen stelt is geen mens, lijkt me. Toch bekruipt mij een onbehagen wanneer ik mij iedere dag in het maatschappelijke begeef. Zij lijkt zelfgenoegzaam in haar vanzelfsprekendheid verzonken te zijn. Op die manier wordt het moeilijker om tot zichzelf te komen in een maatschappij waar vooruitgang het parool is en stilstand taboe.

Dat onbehagen heb ik al uitgebreid aan bod laten komen in mijn manifest. Ik zou me onbeschaamd als een cultuurpessimist durven omschrijven. Toen de Lierse “pelgrim” Ernest Van der Hallen in de jaren ’30 afscheid nam van zijn omgeving en de wijde wereld introk, beschreef hij Europa zeer treffend als

“het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies.”

Toch zie ik iets constructiefs ontstaan uit dat cultuurpessimisme. Het verval prediken zonder hoop in het vooruitzicht te stellen is een houding die me niet goed past, hoezeer ik ook neig naar de avondlandcultuur van het interbellum. Geef mij maar dan het morgenrood van Nietzsche, die net als Kierkegaard een sprong durfde te wagen boven de inerte redelijkheid die zo verweven is met de moderne maatschappij.

De existentiefilosoof Karl Jaspers duidde met het begrip grenssituatie momenten aan waarin de existentie zich onmiddellijk verwerkelijkt. Op deze momenten, die je niet kan ontlopen, zal het geheel van de existentie zich verwerkelijken en worden wij geheel onszelf. Het project van het existentialisme,  de zoektocht naar authenciteit en het zelf-zijn, vindt hier zijn praktische uitlaatklep. Op deze manier wordt de kosmos gedwongen zich te openbaren en weet het avondland zich te herenigen met het morgenrood.

Odysseus blijft hier een geniale illustratie van:

Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing. (uit Manifest)

P.

Parijs, 28 maart 1942

Luchtalarm. We zaten met het licht aan bij elkaar en dronken champagne uit 1911, waarbij de vliegtuigden zoemden en de echo van de kanonnen de stad deed schokken. Klein als mieren. Daarbij gesprekken over de dood. Over dit thema maakte madame Gould een paar goede opmerkingen – bijvoorbeeld dat de ervaring van de dood een van de zeer weinige was die niemand van ons kon afnemen, en dat wij zelfs daardoor verrijkt worden, juist door toedoen van degenen die ons de grootste schade willen berokkenen. Het lot kon ons alle grote ontmoetingen ontnemen – die met de dood nooit.

JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941 – 1943, De Arbeiderspers (Privé-domein n°123), Amsterdam, 1986, 99-100.

Bestaan

Is het leven niet het meest angstaanjagende wat er bestaat? We worden zomaar gegooid in een bestaan zonder erom te vragen, krijgen vanaf de eerste levenskreet noodgewongen een moreel keurslijf aangemeten en als je er even stil bij wil blijven staan krijg je op een afkeurende toon te horen dat je geen aandacht schenkt aan de dingen “die belangrijk zijn in het leven”. Het leven is een groot theater en als we even achter de coulissen durven duiken staan we er verwilderd bij en vragen we af waar al dit drama vandaan komt. Doe het maar eens, bevraag de dingen die je iedere dag doet. Is dat allemaal wel normaal? Waarom moeten we alles vanzelfsprekend beschouwen? Als je er de kans toe krijgt, tenminste. We worden zo doorheen het leven opgejaagd dat reflectie erover een luxe dreigt te worden. Komaan! Naar de volgende horde! De afgrond in!

P.

°124 – “Tegen de horizon van het oneindige”

Wij hebben het land verlaten en zijn scheep gegaan! We hebben de brug achter ons, – sterker nog, we hebben het land achter ons afgebroken! Welaan, scheepje! opgepast! Naast je ligt de oceaan, het is waar, hij brult niet altijd, soms ligt hij erbij als zijde en goud en als een dromerij over het goede. Maar er komen uren, dat je zult inzien dat hij oneindig is en er niets vreselijkers bestaat dan oneindigheid. Ach, die arme vogel, die zich vrij gevoeld heeft en tegen de wanden van deze kooi botst! Wee jou, wanneer het land-heimwee je overvalt, alsof daar meer vrijheid geweest was, – en er is geen ‘land’ meer!

Nietzsche, De Vrolijke Wetenschap, °124

Samenraapsels

“Wanneer hij droomt, twijfelt een mens nooit” (Chinees gezegde)

En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Maar een passieve nachtdromer is een complete tegenpool van de actieve dagdromer. Zij zijn diegenen die hun dromen waarmaken, terwijl de anderen verder blijven slapen, aldus T. E. Lawrence.

“Leven is terrein verliezen” (Emil Cioran)

Ciorans’ negatieve metafysica is een sloophamer die zelfs de deconstructivisten doet nagapen. Ik weet niet wat ik met dit citaat aan moet, tenzij ik de Oosterse filosofieën ter hand neem. Hoe paar ik dat idee van de mens, geworpen in zijn eigen microkosmos – en aldus Architect van zijn eigen Wereld, en de negatieve afbraak van al wat hem vasthoudt in zijn gevangenis?

“De enige ware filosofie is die van de kluizenaar die niets met de wereld te maken wil hebben” (Emil Cioran)

Er valt een lans te breken voor de kosmische eenzaamheid van de mens. Ver weg van alles en iedereen voel ik me meer verbonden met de Kosmos dan tussen mijn medemensen. Af en toe vereenzelvig ik me met die kluizenaar, heis ik het anker en vaar het Immense tegemoet. Betekent dan dat ik enkel ware filosofie beoefen bij grenservaringen?

“Elk geslaagd idee is een pseudo-idee” (Emil Cioran)

Het is naïef te stellen dat ieder uitgevoerd idee een harmonie tussen theorie en praktijk is. Daarin ligt zelfs een gevaar dat de waarheidsaanspraak van een uitgevoerd idee geperverteerd en geloochend wordt. Idealiter is de idee gehorig aan de praktijk. Gevaarlijk wordt het wanneer de praktijk gehorig is aan de idee. Afstandname van de pragmatica is blindheid.

“Mijn leven is de twijfel voor de geboorte” (Franz Kafka)

De tweede geboorte maak je misschien zelfs nooit mee. De twijfel is de draagmoeder van alle zekerheden, maar mishandel haar te fel en het mondt uit in een wereldomspannende tragedie. Maar dat weet je niet.

P.

Acedia

Ik weet dat ik niet weet. Soms wacht ik op iets, en na lang wachten besluit ik het dan niet te doen. Ik weet niet waarom ik dat niet doe, en daarna komt dan het besef dat ik het beter wel had gedaan. Dat is de lelijkheid van het leven in zijn ranzigste vorm: de acedia, de verlamming die zich meester van je maakt en je onmacht genadeloos in je gezicht durft te etaleren. En het is gek dat het helemaal anders is onder bepaalde voorwaarden. Losgemaakt van mijn eigen ketens, weg van de vertrouwde netwerkbakens en alles wat me zekerheid kan bieden, daar voel ik me een koning te rijk. Daar kan ik alles doen wat ik wil, zonder me zorgen te maken over plotse verlammingen die mijn bestaan met betekenisloosheid besmeuren. Dan existeer ik en weet het essentiële aan te raken. Er leeft in mij een enorme lust tot avontuur die ik in mijn dagelijkse bestaan slechts op sporadische momenten mag ervaren. In die maalstroom van de dagelijkse ratrace heerst de zijnsverlamming. Ach, soms wens ik een doldriest Karamazovbestaan. Maar dan doe ik het niet wanneer ik het kan. Waarom is het dagelijkse zo verlammend?

P.