TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Eenzaamheid

“Overrompelend; absoluut; totaal”

Ze was er trouwens weer. Die Venusachtige gestalte in mijn dromen, als een Beatrice die me telkens vergezelt. Een wonderbaarlijke fantoom die me bekend voorkomt, maar wiens gezicht altijd verhuld is. En tegelijk ken ik ze als geen ander, en dat vind ik het vreemde: dat het weten en het niet-weten tegelijk voorkwam. Ze is mijn gedroomde zielsverwant, maar ik weet niet welke kleur van ogen zij heeft, of zij een pruillip heeft, een spitse neus of kleine kraaienpootjes rond haar ogen wanneer zij lacht. Ik kan in haar karakter een enorme diepte zien wanneer zij er is, maar kan mezelf niet dwingen om me zo te plaatsen dat ik haar gezicht kan zien. Ik voel haar totaliteit, maar zie het niet. Of zag het wel, maar niet op de manier waarop ik het gewend was.

Ze wordt omgeven door een hemelse geur die ik soms overdag meen te herkennen, wat me doet beseffen dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de droomwereld en de echte wereld. De schemerzone maakt soms een brug tussen de ene nacht en de andere, en vindt in het ontwaken en de heldere schittering van de dag een geschikt draagvlak. Vaak komt deze geur subtiel aanzetten, zonder waarschuwing. Overrompelend; absoluut; totaal.

De liefde, zo besef ik nu, is een lange, vreemde kronkeling in de menselijke geest. Onbevattelijk, zelfs gevaarlijk, en daarom zo verleidelijk. Iedere man heeft wel een goddelijke Venusgestalte voor ogen. En voor hij haar ontmoet, kent hij slechts kortstondige of onvoltooide relaties. Kort en ontvoltooid genoeg om te beseffen hoe het voelt om begeerd te worden en te begeren, maar niet lang en compleet genoeg om te kunnen vatten waar die wederzijdse begeerte toe kan leiden. Die noodzakelijke volheid ontbreekt. Tot welke verheffing deze volmaakte relatie kan leiden, blijft een groot ongeschonden mysterie. En als hij haar dan ontmoet weet hij het plots. Hij belandt in een staat van kosmische dronkenheid en vertoeft in een sfeer waar enkel het elementaire en het essentiële overblijft.

Ik heb altijd geloofd dat liefde een vorm van verslaving is. Een zoete verslaving aan iemand die aan jou verslaafd is. Die verslaving groeit uit een innerlijk gevoel van onbehagen, van onvoltooidheid. Dat je nooit alleen een “zuivere vrouw” of een “zuivere man” kan zijn. Daarvoor moet je elkaar ontdekken om naar de andere zijde door te breken. Je herontdekt samen een verloren Paradijs, een Essentie die de mensheid lang geleden heeft verloren. Er bloeit een schoonheid vanuit die wederkerigheid die het leven een volmaakte Zin geeft. Een schoonheid zelfs, die het waard maakt om ervoor te sterven. Het is gek te beseffen in welke mate een arbitrair begrip als “schoonheid” een mens in vervoering brengt. En waanzinnig zelfs, wanneer die “schoonheid” door onbegrip en onwetendheid leidt naar vernietigingsdrang en oerchaos.

P.

Advertenties

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’, zegt de verweerde Zwerver plots, terwijl hij het vuur aanport en zijn tijdelijke metgezel, een jonge vagebond uit een nabijgelegen dorp, aankijkt. Hij lijkt niet te luid te willen spreken, dat lag overigens niet in zijn aard. Het zou zonde zijn, dacht de Zwerver, de wonderlijke stilte die nu over het bos is gevallen plots te verbreken. Hij beschouwt tijd en ruimte als heilig. Elk tijdstip, elk ruimtedeel is geladen met een symbolische betekenis. Niet dat dit zijn leven onnodig bezwaart, het zorgt eerder voor een uiterst diep respect voor de omgeving waarin hij vertoeft en de manier waarop hij zijn tijd wenst in te vullen. Dit respect vormt de totale tegenpool van het leven dat hij eens gekend had: jachtig en betekenisloos. Rond hen treedt de nacht in alle stilte aan en doorruist een koele maar zachte wind de bomen, die stilaan hun stralende kruin verloren. Het bruisende zomerleven maakt plaats voor de verstilling.

‘Waarom een heerlijkheid?’, vraagt de metgezel met een nieuwsgierige blik, die duidelijk gebrand was op een discussie, ‘is het niet heerlijk, te vertoeven onder je geliefden? Is het niet heerlijk je geluk te delen met anderen en je leed te verzachten in het nabij zijn van anderen?’. De Zwerver kijkt op en glimlacht zonder een schim van minzaamheid en arrogantie te laten zien. Hij spreekt zijn woorden haast uit alsof hij een gedicht citeert, in een bijzondere kadans die zijn toehoorder lijkt te hypnotiseren.

‘Zeker. Ik heb dat geluk gekend, onder vele geliefden te verblijven. En ik heb ook mijn leed verzacht in hun nabij zijn. Het is iets waar ik met een groot genoegen naar terug kijk. Maar toch is de mens een fundamenteel eenzaam wezen, daar ben ik van overtuigd. Menselijke ervaringen zijn de bron van wijsheid, en door hun uniekheid zijn zij uiterst persoonlijk. Esse est percipi. Het bestaan dat het meest logische, concrete en redelijke is, kan enkel het bestaan zijn dat tegemoet komt aan je eigen verbeelding, idee en fantasie van de werkelijkheid. De wereld, en daarmee bedoel ik het zinvolle weefsel van ruimte en tijd, is de creatie van de unieke menselijke geest. Slechts weinigen beseffen dit en schrijven dit toe aan anderen.’

Niet veel verder, op een kaal, braakliggend weiland stuiven honderden zwarte vogels weg, opgeschrikt door iets. Een aanzwellende golf, net iets donkerder dan de donkerblauwe nachthemel, vliegt haast geruisloos over de hoofden van de twee vagebonden. De Zwerver kijkt nog eens naar zijn jonge metgezel, die op zijn wederwoord leek te broeden. Hij had een eigenaardige tic: iedere keer wanneer hij het woord nam, leek hij zijn baard aan te raken en te strelen. De metgezel is een stevige kerel van gemiddeld postuur met een knokig, rechthoekig gezicht, en er opmerkelijk jong uitziet. Dat heeft hij vooral te danken aan de vurige kracht die uit zijn ogen lijkt te stralen.

‘Maar deel je die ervaringen dan niet met allen die bij je zijn? Dit moment van stilte, dit magische moment in deze wonderlijke natuur, delen wij dit niet met elkaar?’

De Zwerver moest lachen. ‘Neen, mijn beste vriend. Wat ik ervaar en wat jij ervaart kunnen evengoed mijlenver uit elkaar liggen. Wat wij delen is slechts de illusie dat wij hetzelfde ervaren’.

‘Is iedere vorm van samen iets delen of samen iets ervaren, dan een illusie? Is het nutteloos?’

‘Zeer zeker niet! Ik schat je hoog in, beste, en op dit eigenste moment doen wij beiden indrukken op die als bouwstenen dienen voor het begrip van onszelf, de wereld en nog veel meer. Het zou trouwens waarlijk gek zijn te denken dat je niemand nodig hebt. De mens is immers een sociaal wezen, dat slechts ten volle kan groeien tot een volwaardig lid van een gemeenschap door de steun van anderen. In dit opzicht is de mens niet eenzaam, daarover spreek ik overigens niet. Ik doel op het domein van de gedachte, vooral daarin is de mens eenzaam. Die bepaalde eenzaamheid moet hij koesteren, want daarin kan hij iets heel bijzonders vinden. Namelijk wijsheid in iets dat boven hem uitstijgt; een “meer-dan-leven” als het ware. Hij begint in zichzelf, verliest zichzelf gaandeweg in zijn innerlijke zoektocht en keert terug naar zichzelf in een nieuwe gedaante’.

‘Wat bedoel je? Wat voel jij dan, als jij alleen bent? Ik zou toch liever bij de mensen verblijven, zeker op koude en donkere winternachten. Want dan voel ik me ver van alles en iedereen. Die afstand is ondraaglijk’.

‘Toen ik nog in de stad woonde wandelde ik eens op een donkere winteravond door de straten naar huis toe. Ik moest door het park wandelen en toen ik me daarginds bewust werd dat ik me helemaal alleen bevond, zonder iemand rond mij, voelde ik iets heel bijzonders. De opkomende mist en de kale bomen, die me op andere momenten heel bevreemdend en zelfs beangstigend overkwamen, en waar ik anders snel voorbij wandelde, voelden heel vriendelijk aan; zorgzaam en beschermend. Toen ik omhoog keek zag ik de sterren helder fonkelen en zich organiseren in sterrenbeelden, zomaar, uit zichzelf en zonder mijn toedoen. Ik werd plots overmand door het abrupte idee dat ik me middenin de kosmos bevond; die machtige architectuur van het Leven. Op dat moment dacht ik dat geen enkele plek me nog bevreemdend en beangstigend zou overkomen en kwam ik te beseffen dat we als mens wel eenzaam kunnen zijn in onze gedachte, maar nooit hopeloos alleen. Want wat is dat, ondraaglijke afstand en ver zijn van alles en iedereen? Kan je meten wanneer een bepaalde ruimtelijke afstand je alleen en verloren maakt? Deze hele aarde is slechts een miniem punt in het hele heelal, zijn we daarom als mens hopeloos alleen? In stad waar ik woonde voelde ik me eenzaam tussen de krioelende massa, maar daar, in het nachtelijke park, waar niemand was en niemand naar me omkeek of nog maar zelfs aan me dacht, daar werd ik me van een nabijheid gewaar van iets dat veel groter was dan het leven zelf. Dát, mijn beste, is de heerlijkheid van de eenzaamheid’.

P.

De laatste momenten van een verstoten zeeman

Schilderij van Hayato Jome (Japan)

Schilderij van Hayato Jome (Noboru and the Chief) (Japan)

“De roep van het Grote Doel, een andere naam voor de tropische zon; en de dappere tranen van de vrouwen, en het donkere verlangen, en de zoete macht die hem naar het toppunt van mannelijkheid dreef – dit alles was nu voorbij, afgedaan.

‘Wilt u thee?’ klonk de hoge, donkere stem van de leider achter hem.

‘Graag …’. Ryuji peinsde door, zonder zelfs zijn hoofd om te draaien. Hij herinnerde zich de eilanden waar hij geweest was. Makatea in de Stille Zuidzee en Nieuw-Caledonië. De Antillen: een poel van loomheid en droefgeestigheid, wemelend van roofvogels en papegaaien en, overal waar je maar keek, palmen. Keizerpalmen. Wijnpalmen. Oprijzend uit de pracht van de zee was de dood op hem neergestreken als een donkere donderwolk. Een visioen van de dood, nu voor eeuwig buiten zijn bereik, een majesteitelijke, roemrijke, heroïsche dood, vervulde zijn brein met vervoering. En als de wereld juist gemaakt zou zijn voor deze stralende dood, waarom zou de wereld er dan ook niet aan ten onder gaan?

Golven, zo lauw als bloed, binnen een atol. De tropische zon die door de lucht schalde als de roep van een koperen bazuin. De veelkleurige zee. Haaien …

Nog iets verder, en Ryuji zou er spijt van hebben gehad.

‘Hier is uw thee.’ Noboru bood hem van achteren een donkerbruin plastic bekertje aan, ter hoogte van zijn wang. Afwezig nam Ryuji het aan. Hij zag dat Noboru’s hand licht beefde, zeker van de kou.

Nog steeds verzonken in zijn droom dronk hij de lauwe thee op. Die had een bittere smaak. Roem, zoals iedereen weet, heeft een bittere smaak.”

MISHIMA, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Meulenhoff, Amsterdam, 2007, 152.

Otto Weininger: “De vrouw is de schuld van de man”

‘De man is eenzaam in de kosmos, in eeuwige, immense eenzaamheid. Hij heeft geen doel behalve hemzelf, er is niets anders waarvoor hij leeft – hij is ver voorbij slaaf-willen-zijn, mogelijkheid-slaaf-te-zijn, slaaf-moeten-zijn: ver beneden hem is de menselijke maatschappij verdwenen, sociale ethiek is weggevallen; hij is alleen, ALLEEN.

Maar alleen nu is hij het een en al; en dat is waarom dat hij een wet binnen zichzelf heeft, dat is waarom hij geheel wet is en niet zomaar grenzeloos verlangen kent. En hij eist van zichzelf dat hij de wet binnen zichzelf volgt … Niets staat boven hem, het eenzame, het al-ene. Maar hij moet toegeven aan de genadeloze categorische imperatief binnenin, die geen ontkenningen met zichzelf tolereert. Hij roept op tot redding …’

Otto Weininger, Geschlecht und Charakter.

Otto Weininger (1880-1903) was een Oostenrijkse Jood die woonachtig was in Wenen. De cultuur van het fin-de-siècle binnen de Duitse leefwereld én daarbuiten heeft een grote invloed gehad op zijn werk. Geschlecht und Charakter is zijn bekendste werk in zijn relatief korte leven en werd door de toenmalige invloedrijke neuroloog Paul Julius Möbius beschouwd als plagiaat van zijn eigen werk. Desalniettemin zou het werk van Weininger een invloedrijke rol spelen op vele denkers van zijn tijd (Franz Kafka, Ludwig Wittgenstein, Arnold Schönberg, …). Het werkje werd door de Nederlandse website NRC boeken beschouwd als een erudiet stukje misogyne literatuur, waar mannen vroeger storm voor liepen. Weininger beschouwde de toenmalige cultuur immers als een ‘coïtuscultuur’, waar het vrouwelijke element tot uiting werd gebracht in de vaagheid, decadentie en slapte van die tijd.

Volgens de Zweedse bewonderaar August Strindberg loste Weininger het ‘vrouwenvraagstuk’ op, waar hij in een brief aan Weininger over schreef: ‘Herr Doktor, eindelijk – het vrouwenvraagstuk opgelost te zien is voor mij een ware verlossing. Wil mijn eerbied en dank aanvaarden’. Sociale of politieke maatregelen waren nutteloos om tot vrouwenemancipatie te komen, meende Weininger. De vrouw moest zich individueel van de vrouwelijkheid in zichzelf zien te bevrijden. Aangezien dit nooit op eigen kracht zou lukken, is de vrouwenemancipatie alleen maar te danken aan de man. ‘De vrouw is de schuld van de man’, schrijft hij. De man houdt de vrouw gevangen in haar lage positie, omdat de man zijn eigen driften niet kan beteugelen en dus niet kan beantwoorden aan zijn hogere ethische roeping. De daadwerkelijke verwezenlijking van een hoger Ik wordt in het bovenstaande citaat omschreven. De man die zijn eigen wetten naleeft doet denken aan een citaat van de Engelse visionaire schrijver William Blake: “I must create a system or be enslaved by another man’s. I will not reason and compare: my business is to create.”

Adriano Romualdi, een schrijver die een biografie schreef over de Italiaanse traditionalist en filosoof Julius Evola, schreef dat Weininger de uitvinder van het idee van mannelijkheid als metafysische essentie is. De invloed van Weininger op Evola is niet te onderschatten, vooral de metafysische en politieke tegenpolen Man-Vrouw zijn een blijvende aanwezigheid in het oeuvre van de Italiaanse filosoof. Weininger opperde dat mannen en vrouwen zouden zich aangetrokken voelen tot elkaar, omdat ze op zichzelf onvoltooid zijn: zuivere mannen en zuivere vrouwen bestaan dus niet in zijn ogen. De ‘wet van de aantrekking’  dicteert dat zoiets enkel kan bestaan indien man en vrouw tesamen zijn. Deze ‘seksestrijd’ heeft een weerslag op de cultuur, meent Weininger. De motor van een evoluerende beschaving werd volgens hem niet aangedreven door economische of politieke breukpunten, maar door seksualiteit. De steeds wisselende verhoudingen tussen man en vrouw zorgden soms voor een ‘vrouwelijke’, dan weer een ‘mannelijke’ cultuur.

In oktober 1903 schoot Weininger zichzelf op 23-jarige leeftijd dood in het huis waar Beethoven stierf, na een aanslepende depressie.

 

Zijn bekendste werk kan men hier raadplegen.

P.

Overheersende vereenzaming.

“’Om de wereld te hervormen moeten de mensen zelf psychisch een andere weg inslaan. Wanneer je zelf ook niet echt ieders broeder wordt, dan zal de broederschap niet aanbreken. […] Iedereen zal vinden dat hij te weinig heeft, mopperen, afgunstig zijn en de anderen naar het leven staan. U vraagt wanneer dat werkelijkheid zal worden. Dat zal werkelijkheid worden, maar eerst moeten we door een periode van menselijke vereenzaming heen’. ‘Wat voor vereenzaming’, vraag ik hem. ‘De vereenzaming die nu overal heerst, vooral in onze eeuw, maar ze is nog niet helemaal definitief, nog is haar tijd niet gekomen. Want een ieder streeft er nu naar zijn persoon zo mogelijk af te scheiden, een ieder wil in zichzelf de volheid van het leven ervaren, maar intussen leiden al zijn inspanningen in de verste verte niet tot de volheid des levens, maar tot regelrechte zelfmoord, want in plaats van te komen tot volheid van inzicht in het eigen wezen geraken zij slechts volledig vereenzaamd. In onze tijd zijn allen namelijk verdeeld in individuen, ieder zondert zich af in zijn hol, ieder mijdt de ander, houdt zich schuil, verbergt zelfs wat hij heeft en eindigt ermee dat hij door de mensen verstoten wordt en zelf de mensen verstoot. In eenzaamheid vergaart hij rijkdom en denkt: nu ben ik sterk en onafhankelijk, maar de dwaas weet niet dat hoe meer rijkdom hij vergaart, des te dieper hij wegzinkt in zelfvernietigende onmacht. Want hij is gewoon geraakt om alleen zichzelf te vertrouwen en zichzelf als een individu van het geheel af te scheiden, hij heeft zijn ziel aangeleerd niet te geloven in menselijke hulp, de mensen en de mensheid, hij siddert enkel bij de gedachte dat hij zijn geld en zijn verworven rechten kan kwijtraken.’”

(DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 369)