TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Eeuwigheid

Een nieuw geschapen paradijs

‘Het is blijkbaar geen ontvluchten van de aarde en het enge leven, wanneer de oosterling van de hemel droomt; hij heeft de gelukkige formule gevonden om de hemel op aarde te transponeren, en vergenoegt zich hiertoe niet met fantasie, heimwee en contemplatie: de architecten van zijn gaarden en paleizen kenden het spel van de lusten der zinnen en de weelde van kleuren, lijnen en contouren; de legende van de uit het paradijs gedreven mens is voor de Arabier een onbegrijpelijke mythe; praktischer dan Adam, die vol heimwee naar het Eden over de aarde doolt, heeft hij zich een nieuw paradijs geschapen waar geen enkele beperking van het genot der zinnen zijn levenskunst komt begrenzen’.

Van der Hallen, ERNEST, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Advertenties

De essentie van kunst

‘[…] Maar vertel eens: afgezien van dit vertwijfelde heen en weer geslingerd worden tussen genot en walging, afgezien van dit schommelen tussen levenslust en doodsbesef – is er afgezien daarvan niet een andere manier waarop je het geprobeerd hebt?’

‘O ja, zeker wel. Ik heb het geprobeerd met de kunst. Ik heb je toch al verteld dat ik onder meer ook kunstenaar geworden ben. Op een dag, misschien was ik drie jaar bij jullie weg, in de wereld, en vrijwel al die tijd had ik een zwervend leven geleid, zag ik ergens in een kloosterkerk een houten Mariabeeld, en dat was zo mooi, het was zo’n aangrijpende ervaring voor me dat ik ernaar geïnformeerd heb wie de meester was die dat gemaakt had en naar hem op zoek ging. Ik heb hem gevonden, het was een beroemd meester; ik ben bij hem in de leer gegaan en ik heb een jaar of wat bij hem gewerkt’

‘Daarover vertel je me later nog maar wat meer. Maar wat bood de kunst jou, wat heeft die jou betekend?’

‘Dat was het overwinnen van de vergankelijkheid. Ik leerde inzien dat er van de klucht, de dodendans die het menselijke leven nu eenmaal is, iets overbleef, dat er iets was wat van duurzame aard was: de kunstwerken. Goed, daar komt ook weleens een einde aan, ze kunnen verbranden, ze kunnen aan slijtage onderhevig zijn of gewoon vernield worden. Maar toch zijn ze van langere duur dan een hele reeks mensenlevens, toch vormen ze voorbij de tijd, voorbij het ogenblik, een verstild rijk van voorstellingen en relikwieën. Ik heb zo het gevoel dat het iets goeds is, iets waar troost van uitgaat, om daaraan je steentje bij te dragen, want je zou bijna kunnen zeggen dat het het vergankelijke vereeuwigt‘.

Gesprek van Narziss en Goldmund in: HESSE, Hermann, Narziss & Goldmund, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2009, 241.

Het stille wentelen

’t Heersende koninkrijk der stilte ontwaakt

en neemt op wat de mens is kwijtgeraakt

Het ongebrokene; de eeuwige oerwet treedt aan

De Maha-Kalpa in het laatste kwartier,

smacht naar absolute leegte en roerloze verstilling

Kali daagt vergankelijke wereldbeelden uit,

die de mens in zijn ijdelheid heeft uitgespuid

D’ een verloren in diepe eeuwige geruisloosheid

D’ ander gekweld door stille boosaardigheid

Want de stilte schreeuwt luid, en schitterend pralend

schijnt de waarheid onder Saturnus’ gouden stralen

Want zij raakt al wentelend aan de kern van alle dingen

P.

Herfstzinnen

Ach, mens, hoe heerlijk is het de machtige gloed van een gouden oktoberzon over het Brabantse land te zien rollen en te beseffen dat je niet de halve wereldbol moet afreizen om iets magisch te beschouwen! De bomen tooien zich in hun gouden gewaad, een triomfale aanblik voor ze van de bühne verdwijnen en een winterse slaap ondergaan en wachten op hun hergeboorte. De zuigende olielamp wordt aangestoken, die knappert en de verlichte kamer vult met de aardse geur van petroleum. De wind speelt langzaam met de satijnen ochtendnevel, die als een transparant gewaad sensueel danst over bedauwde velden. Zwijgende avonden treden aan, terwijl de zon beduidend lager hangt en door haar kortstondige omwentelingen steeds minder warmte uitboezemt. De wind ruist steeds koeler door de sparrebossen en de afgeworpen bladeren van de bomen vormen een natuurlijk tapijt met een zoete geur.

“Het is mooi zo”, denkt de zwerver. “De aarde verstilt. De mens verstilt. Het rusteloze gesuis van insecten neemt af, de tijd verlangzaamt en het land zinkt in een diepe, lange slaap”. De zwerver trekt niet langer verder. Hij zoekt zijn toevlucht in de buurt. Daar waar de dieren bijeengedreven worden, daar waar de warmte opstapelt binnen houten schuren. Waar de mensen stil zijn en fluisteren bij het haardvuur en de vreemdeling een stuk brood en wat wijn aanbieden. “Nu mogen de winterse dagen komen”, denkt hij, terwijl hij het vuur wild ziet dansen. “Ik wil roerloos wezen in de diepe, stille nacht”.

P.