TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Eindeloosheid

Ernest Van der Hallen, Dostojevski en Wanderlust

‘Dit zal mij bijblijven, nu de roep naar Vlaanderen in mij zo luid is, dat ik besloten ben niet meer terug te keren naar deze landen. Maar heimelijk weet ik dat, wanneer de vlakten mij weer sterk en dringend zullen wenken, ik opstaan zal, en gaan naar waar het zand gespreid ligt over de eindeloze vlakte en de kamelen schommelen langs de rand der lage heuvels; waar de luchtspiegelingen bedrieglijk wenken en de donkere nomaad zijn tenten spant onder een verschrompelde dadelpalm; waar de schamele Fellah de negen-en-negentig deugden van Allah aftelt aan de kralen van zijn bidsnoer of, evenals zijn voorouders zesduizend jaar terug, het rad trapt dat het water met kleine gulpen beurt uit de zandige put, want de Fellah denkt minstens zevenmaal zeven eeuwen na, eer hij iets verandert aan zijn gewoonten’.

VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije, Davidsfonds, Leuven, 1941, 168.

 

Het citaat doet me heel sterk denken aan de contemplatieve boer die Dostojevski bij monde van Smerdjakov, de bastaardzoon van Fjodor Karamazov, beschreef in De Broers Karamazov. Zomaar op een lukrake dag getroffen worden door een ongelofelijke drang om te reizen. Of te zwerven. Niet noodzakelijk met een doel, soms gewoon om onderweg te zijn, zoals Jack Kerouac, indrukken vergarend. Of net wel met een Groot Doel, een existentiële reis die het ganse leven bepaalt. Als pelgrim geef je je identiteit op bij de aanvang, je verliest jezelf in het geheel. En vanuit die rotsige bodem waar geen Ik bestaat, zoek je onderweg een nieuw pad naar boven toe. Naar je nieuwe Ik. Om jezelf te vinden, moet je jezelf soms verliezen.

‘Van de schilder Kramskoj bestaat een opmerkelijk schilderij met de naam Contemplatie: daarop is een winters bos afgebeeld en in dat bos, op een weg, staat moederziel alleen, in diepe eenzaamheid een boertje met een gescheurde kaftan en met bastschoenen aan, hij staat daar diep in gedachten verzonken, maar hij denkt niet, hij ‘contempleert’. Als je hem een duw zou geven, zou er een rilling door hem heen gaan en hij zou je aankijken alsof hij net wakker was geworden, maar er niets van begrijpen. Wel zou hij meteen bij zijn positieven zijn, en op de vraag waarom hij daar stond te denken, zou hij zich niets meer herinneren, maar toch zou hij de indrukken opgedaan tijdens zijn contemplatie nooit meer kwijtraken. Die indrukken zijn hem dierbaar, ongemerkt en zelfs onbewust zal hij ze opzamelen, waarvoor en waarom, dat weet hij natuurlijk zelf niet: misschien zal hij na jarenlang indrukken te hebben verzameld opeens alles in de steek laten en naar Jeruzalem gaan, op een pelgrimage ter redding van zijn ziel, of misschien zal hij opeens zijn geboortedorp in de hens steken, of misschien doet hij het zowel het een als het ander. Er zijn in het volk tamelijk veel van zulke contemplatieve figuren’.

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 156.

P.

De eindeloze ruimte

De vlakte neemt ons op; de vlakte, de zon, de onafzienbare ruimte van licht en vuur. Door de oneindige effenheid slingert de schommelgang van twee eenzame reizigers die geen ander doel hebben dan zich onder te dompelen in het sprookje van ruimte en licht. Het zand glanst mat, het zand knespert onder den zwaren voet der kameelen en ver weg glinstert een glasscherf of een stukje kristal scherp in de zon; daarboven staat hard en strak het witte licht gespannen; het omvangt de aarde als een kristallen koepel, het is tyranniek en geweldig, zonder schaduwen of spel van kleur. Men zoekt tevergeefs een lijn, een kontoer, een punt; iets waar de oogen rust aan hebben, iets waarnaar men kan kijken, een punt waarnaar men zich kan oriënteeren. Aan den einder vervaagt de kim in een aarzeling van sidderend diafaan licht waarin de raaklijn van hemel en aarde oplost. Eindeloos strekt zich de okergele vlakte zonder duinen, met enkel hier en daar de lichte deining die een koele nachtwind teekende als een vochtig zeestrand bij ebbe.

 

~Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën, 95-96 (1938)

En donker zingt mijn bloed …

De kern van alle dingen

is stil en eindeloos

Alleen de dingen zingen

Ons lied is kort en broos

 

En donker zingt mijn bloed

van heimwee zwaar doorwogen

Ik zeil langs regenbogen

Gods stilte tegemoet

– Felix Timmermans.

Lima, 09.08.2010

Nog eens op het vliegtuig naar Lima, maar het verkeer was minder chaotisch dan bij het begin van onze reis. Was het werkelijk zo, of waren we al in een vergaande fase van gewoontevorming beland? Mensen rijden hier nog altijd als zotten en er schijnt bij sommigen een vreemde fascinatie te bestaan voor nummerplaten. Sommige Peruvianen hebben autostickers gemaakt van hun eigen nummerplaten terwijl anderen probleemloos lijken rond te rijden zonder nummerplaat. Vallende sterren in Peru zie je alleen maar aan de hemel, dus daarvoor hoef je het niet te doen.

Na de aankomst gingen we iets eten in de Barrancowijk aan de kust. Ons oog viel op het restaurant Songoro Cosongo. Op de menukaart stond interessante informatie over de wijk. Het is een ‘Bohemische’ en traditionele wijk met oude huizen, parken, kapellen, romantische plaatsen, de zee en de bekende Brug der Zuchten die de dichters lokten. De familie die het restaurant openhoudt vertoeft al sinds 1930 in de wijk en het gebouw is deel van het culturele patrimonium van Lima. De keuken is Afroperuviaans, wat volgens de eigenaar wil zeggen dat de gerechten goed zijn afgekruid.

Dat belooft.

Een heerlijk-pikante ceviche verraste mijn smaakpapillen, uiteraard vergezeld met een goed glas witte wijn. Een huiswijn dit keer, heerlijk sec. De eigenaar trakteerde ons, nuja, eigenlijk eerder de jarige gasten een tafel verder, op een kleine sonate. Dan overtuigden we hem een stukje te spelen op de piano die bij ons stond, hoewel die niet goed gestemd was.

 

De eigenaar en bard van het bewuste restaurant.

Dan gingen we naar het strand waar de woeste golven van de Pacifische Oceaan uitnodigde om even stil te staan bij de vele indrukken van deze reis. Het stille geruis, afgewisseld met plotsklaps rollende golven, zogen mij op en ledigden mijn verstand. Ik nestelde me en liet me doorheen de spreekwoordelijke Tao voeren. Het einde is nabij, maar het moment leek eeuwig te duren.  Heerlijke stilte, slechts het rollende water bleef over. De oceaan riep tot ons, bood ons een blik op haar eindeloosheid.

 

 

De oprijzende oceaan in Lima.

De volgende halte was Miraflores, waar het liefdespark veel tijd in beslag nam. Ik vond het op Park Güell in Barcelona lijken. Het kleine park had een groot standbeeld met twee geliefden in een innige omhelzing. Interessant waren ook de mozaïeken muren en banken met Spaanse zegswijzen rond de liefde. Het werd echter snel laat, waardoor we nog een keer de spits van Lima doorstonden om terug te geraken naar het centrum waar we iets gingen eten.

We aten, na een taxirit naar het centrum, in een lokaal Italiaanse restaurantje waar ik van de gelegenheid gebruik nam om van een ossobucco te genieten met een heerlijke fles Concha y toro (deze keer de merlotversie, maar de carbernet sauvignon was net iets meer karaktervol). Daarna volgde een splitsing: vijf mensen die iets wilden gaan drinken omdat het de laatste avond was en de andere vijf die wilden gaan slapen. We dronken iets in een lokale cocktailbar die er vrij louche uitzag. De bazin van dit ‘kot’ deed daar overigens niet veel goed aan door aan paniekzaaierij te doen. We moesten oppassen voor mogelijke dieven, maar de enige mensen die er waren buiten ons was zijzelf en de barman. De Pisco Sour werd gemaakt met wodka, wat op zijn minst opmerkelijk was aangezien Pisco zowat het hoofdbestanddeel is van een Pisco Sour. Wodka Sour dan maar? Vreemd. Maar al te vreemd. Daarna gingen we rustig naar het hotel toe. Er bleken geen pillen in onze cocktails gedraaid te zijn. Daar gaat onze sjamanistische ervaring. Iets wat je in Peru blijkbaar ook kan doen. Een andere keer dan maar.

Toen gebeurde datgene wat elke reiservaring zoveel rijke maakte: een spontane ontmoeting met de lokale bevolking. Niet dat we dat eerder niet hebben kunnen meemaken. Maar toch niet zo spontaan als deze keer. Dit kwam door het nemen van de foto’s waar enkele lokale voetballende kinderen mee op stonden. We deden mee met hen en vermaakten ons voor een lange tijd door tegen de bal te trappen. Dat het half twee ’s nachts was en dat deze kinderen nog volop aan het voetballen waren vonden we vreemd. En meer zelfs aangezien zij de dag erna naar school moesten gaan maar blijkbaar was er een familiefeest in de lokale buurtwinkel. We mochten meegenieten van de verjaardagstaart en een donkere Cusqueña, die een lichte fruitige toets had maar wel bitter smaakte. De dames van ons illustere gezelschap dansten met de jongens en de enige man in het gezelschap, ondergetekende, trok de foto’s en genoot van de gemoedelijke sfeer. We gingen laat slapen, nagenietend van deze uitbarsting van spontaniteit. Het is dit soort onverwachte situaties die een werkelijke meerwaarde bieden aan reizen. En dan komt de onvermijdelijke vraag: waarom morgen al vertrekken? Waarom blijf ik hier niet een paar dagen, een paar weken of een paar maanden langer?