TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Emil Cioran

Emil Cioran over het dichterschap

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Even tragisch is het geval van de dichter. Deze gevangene van de eigen taal schrijft voor zijn vrienden, voor tien, voor twintig personen hoogstens. Zijn verlangen om gelezen te worden is niet minder dringend dan dat van onze gelegenheidsromancier. Maar hij heeft tenminste het voordeel dat hij zijn verzen kan plaatsen in kleine emigranten-tijdschriftjes die ten koste van bijna onfatsoenlijke offers en zelfverloochening verschijnen. Laten we aannemen dat hij zich opwerpt als redacteur van zo’n tijdschrift. Om het in leven te houden riskeert hij honger, onthoudt hij zich van vrouwen, begraaft zich in een vensterloos kamertje, legt zichzelf onvoorstelbare, ijzingwekkende ontberingen op. Masturbatie en tuberculose, dat is zijn noodlot.

Hoe schaars emigranten ook zijn, ze vormen groepjes, niet om hun belangen te verdedigen, maar om elkaar geld af te troggelen voor de publicatie van hun klaagzangen, hun jammerklachten, hun onbeantwoorde hulpkreten. Hartverscheurender vorm van zinloosheid is niet denkbaar.

Dat ze even goede dichters als slechte prozaschrijvers zijn heeft een eenvoudige reden. Neem de literaire productie van willekeurig welk klein volk dat niet zo kinderachtig is zich een verleden aan te meten: de overvloed aan poëzie springt in het oog. Proza vereist, om zich te ontwikkelen, een zekere discipline, een gedifferentieerde samenleving en een traditie. Proza is iets dat weloverwogen wordt opgebouwd; poëzie daarentegen welt op, ze is spontaan of juist volstrekt gekunsteld. Poëzie is het voorrecht van holbewoners of decadenten, ze ontluikt aan deze of gene zijde van de beschaving, nooit in het centrum. Terwijl proza een bedachtzaam genie en een uitgekristalliseerde taal vereisen, is poëzie volstrekt verenigbaar met een barbaarse geest en een vormloze taal. Een literatuur tot stand brengen wil zeggen proza tot stand brengen.

CIORAN, Emil, Bestaan als verleiding, Groningen: Historische Uitgeverij, 2001, 75-76.

Advertenties

Cioran & Haydn

En écoutant Les Sept Paroles du Christ de Haydn – je me disais tout à l’heure que mon scepticisme est au fond religieux et que ce n’est pas pour rien que les esprits dont je me sens le plus proche sont Pascal et Dostoïevski.

Cioran, Emil, Cahiers 1957-1972, Paris: Gallimard, 1997, 593.

Het zuivere uur van Emil Cioran

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

“Le temps pur, le temps décanté, libéré d’événements, d’êtres et de choses, ne se signale qu’à certains moments de la nuit, quand vous le sentez avancer, avec l’unique souci de vous entraîner vers une catastrophe exemplaire.”

Tijd is geen lineair, kwantitatief gegeven zoals Cioran hier aan wil tonen. Wij ontmoeten haar op verschillende kwaliteitsniveau’s en de meest zuivere variant bij het aanzicht van de nakende dood. Dit doet me denken aan een citaat van Nietzsche dat Europa pas zal ontstaan bij de rand van de afgrond. In meer dagelijkse gebruiken wordt de ernst van de situatie pas duidelijk wanneer je bijna tegen de muur aanbotst. Bij het in slaap vallen tijdens het autorijden worden we brutaal wakker zodra we de ruwe witte strepen van de pechstrook voelen. Zo leven we vaak op automatische piloot, zonder te beseffen dat we ieder ogenblik in de afgrond kunnen vallen.

P.

Cioran, Emil, De l’inconvénient d’être né, in: Oeuvres, Paris: Gallimard, 1995, p. 1295.

“J’écrirai sur ma porte:”

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Toute visite est une agression.

ou

N’entrez pas, soyez charitable.

ou

Tout visage me dérange

ou

Je n’y suis jamais.

ou

Maudit soit qui sonne.

ou

Je ne connais personne.

ou

Fou dangereux.

CIORAN, Emil, Cahiers 1957-1972, Editions Gallimard, 1997, 420.

Samenraapsels

“Wanneer hij droomt, twijfelt een mens nooit” (Chinees gezegde)

En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Maar een passieve nachtdromer is een complete tegenpool van de actieve dagdromer. Zij zijn diegenen die hun dromen waarmaken, terwijl de anderen verder blijven slapen, aldus T. E. Lawrence.

“Leven is terrein verliezen” (Emil Cioran)

Ciorans’ negatieve metafysica is een sloophamer die zelfs de deconstructivisten doet nagapen. Ik weet niet wat ik met dit citaat aan moet, tenzij ik de Oosterse filosofieën ter hand neem. Hoe paar ik dat idee van de mens, geworpen in zijn eigen microkosmos – en aldus Architect van zijn eigen Wereld, en de negatieve afbraak van al wat hem vasthoudt in zijn gevangenis?

“De enige ware filosofie is die van de kluizenaar die niets met de wereld te maken wil hebben” (Emil Cioran)

Er valt een lans te breken voor de kosmische eenzaamheid van de mens. Ver weg van alles en iedereen voel ik me meer verbonden met de Kosmos dan tussen mijn medemensen. Af en toe vereenzelvig ik me met die kluizenaar, heis ik het anker en vaar het Immense tegemoet. Betekent dan dat ik enkel ware filosofie beoefen bij grenservaringen?

“Elk geslaagd idee is een pseudo-idee” (Emil Cioran)

Het is naïef te stellen dat ieder uitgevoerd idee een harmonie tussen theorie en praktijk is. Daarin ligt zelfs een gevaar dat de waarheidsaanspraak van een uitgevoerd idee geperverteerd en geloochend wordt. Idealiter is de idee gehorig aan de praktijk. Gevaarlijk wordt het wanneer de praktijk gehorig is aan de idee. Afstandname van de pragmatica is blindheid.

“Mijn leven is de twijfel voor de geboorte” (Franz Kafka)

De tweede geboorte maak je misschien zelfs nooit mee. De twijfel is de draagmoeder van alle zekerheden, maar mishandel haar te fel en het mondt uit in een wereldomspannende tragedie. Maar dat weet je niet.

P.

Emil Cioran: het tragische geval van de dichter

‘Even tragisch is het geval van de dichter. Deze gevangene van de eigen taal schrijft voor zijn vrienden, voor tien, voor twintig personen hoogstens. Zijn verlangen om gelezen te worden is niet minder dringend dan dat van onze gelegenheidsromancier. Maar hij heeft tenminste het voordeel dat hij zijn verzen kan plaatsen in kleine emigranten-tijdschriftjes die ten koste van bijna onfatsoenlijke offers en zelfverloochening verschijnen. Laten we aannemen dat hij zich opwerpt als redacteur van zo’n tijdschrift. Om het in leven te houden riskeert hij honger, onthoudt hij zich van vrouwen, begraaft zich in een vensterloos kamertje, legt zichzelf onvoorstelbare, ijzingwekkende ontberingen op. Masturbatie en tuberculose, dat is zijn noodlot.

Hoe schaars emigranten ook zijn, ze vormen groepjes, niet om hun belangen te verdedigen, maar om elkaar geld af te troggelen voor de publicatie van hun klaagzangen, hun jammerklachten, hun onbeantwoorde hulpkreten. Hartverscheurender vorm van zinloosheid is niet denkbaar.

Dat ze even goede dichters als slechte prozaschrijvers zijn heeft een eenvoudige reden. Neem de literaire productie van willekeurig welk klein volk dat niet zo kinderachtig is zich een verleden aan te meten: de overvloed aan poëzie springt in het oog. Proza vereist, om zich te ontwikkelen, een zekere discipline, een gedifferentieerde samenleving en een traditie. Proza is iets dat weloverwogen wordt opgebouwd; poëzie daarentegen welt op, ze is spontaan of juist volstrekt gekunsteld. Poëzie is het voorrecht van holbewoners of decadenten, ze ontluikt aan deze of gene zijde van de beschaving, nooit in het centrum. Terwijl proza een bedachtzaam genie en een uitgekristalliseerde taal vereisen, is poëzie volstrekt verenigbaar met een barbaarse geest en een vormloze taal. Een literatuur tot stand brengen wil zeggen proza tot stand brengen.’

CIORAN, Emil, Bestaan als verleiding, Historische Uitgeverij, Groningen, 2001, 75-76.