TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Ernest Van der Hallen

Verwondering en onbehagen

“Dat was adembenemend. Nooit tevoren had ik vermoed wat het betekent, te existeren”. (Sartre, La nausée (1938))

Ik studeer filosofie uit een verlangen om alles in en rond mij te begrijpen. Waar, dat is een pretentieus uitgangspunt: men gelooft al lang niet meer dat de mens alles te weten kan komen. Niet alleen is ons kenvermogen begrensd, maar er bestaat ook een onzekerheidsfactor die veeleer in de natuurlijke processen zelf ligt opgesloten (cf. Mandelbrot, Heisenberg, Gödel e.a.). Hoe dan ook worden we geconfronteerd met de verwondering die ons als metafysisch wezen in al onze nieuwsgierigheid bepaalt. Ik kan dan niet alles weten, maar het vermogen tot mateloze verwondering biedt vertroosting.

Maar hoe kunnen we ook anders zo nieuwsgierig zijn? We worden zonder enige inspraak in de wereld geworpen en worden door onze omgeving verwacht dit vanzelfsprekend te vinden. Is het dan opmerkelijk dat we ons vragen stellen naar de gronden van ons bestaan? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Dat is volkomen normaal, dat ligt in onze aard. Een mens die naar de sterrenhemel staart en zich geen existentiële vragen stelt is geen mens, lijkt me. Toch bekruipt mij een onbehagen wanneer ik mij iedere dag in het maatschappelijke begeef. Zij lijkt zelfgenoegzaam in haar vanzelfsprekendheid verzonken te zijn. Op die manier wordt het moeilijker om tot zichzelf te komen in een maatschappij waar vooruitgang het parool is en stilstand taboe.

Dat onbehagen heb ik al uitgebreid aan bod laten komen in mijn manifest. Ik zou me onbeschaamd als een cultuurpessimist durven omschrijven. Toen de Lierse “pelgrim” Ernest Van der Hallen in de jaren ’30 afscheid nam van zijn omgeving en de wijde wereld introk, beschreef hij Europa zeer treffend als

“het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies.”

Toch zie ik iets constructiefs ontstaan uit dat cultuurpessimisme. Het verval prediken zonder hoop in het vooruitzicht te stellen is een houding die me niet goed past, hoezeer ik ook neig naar de avondlandcultuur van het interbellum. Geef mij maar dan het morgenrood van Nietzsche, die net als Kierkegaard een sprong durfde te wagen boven de inerte redelijkheid die zo verweven is met de moderne maatschappij.

De existentiefilosoof Karl Jaspers duidde met het begrip grenssituatie momenten aan waarin de existentie zich onmiddellijk verwerkelijkt. Op deze momenten, die je niet kan ontlopen, zal het geheel van de existentie zich verwerkelijken en worden wij geheel onszelf. Het project van het existentialisme,  de zoektocht naar authenciteit en het zelf-zijn, vindt hier zijn praktische uitlaatklep. Op deze manier wordt de kosmos gedwongen zich te openbaren en weet het avondland zich te herenigen met het morgenrood.

Odysseus blijft hier een geniale illustratie van:

Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing. (uit Manifest)

P.

Toespraak op Ernest Van der Hallen – volkshulde. Lier, 9.3.2013

Een grafrede heeft iets triomfantelijks. Het staat in schril contrast met de ingetogen schroom van een begrafenistoespraak. Toen aan mij de vraag werd gesteld om een toespraak te geven voor deze gelegenheid kon ik echter niet anders dan denken aan het einde van De Broers Karamazov van Dostojevski. Rondom het graf van het kind Iljoesja staan zijn schoolkameraadjes te luisteren naar de toespraak van Aljosja Karamazov. Hij zegt hen niet bang te zijn van het leven, omdat het zo mooi kan zijn als je doet wat goed en rechtvaardig is. Deze passage past heel sterk bij Nest, want heel zijn leven heeft hij gezocht naar de juiste levenshouding. Het leven van een mens kan ik niet in enkele woorden samenvatten, maar vanuit bepaalde vertrekpunten kunnen hele levensbomen ontspruiten. Dat maakt van de grafrede een interessant medium.

I.

Het crisisbesef was bij de Nest een pertinent aanvoelen, ook persoonlijk. Er was een spanningsveld ontstaan tussen oude zekerheden en nieuwe waarden, waarbij de eersten steeds sneller vaste grond verloren. Het is niet verwonderlijk dat Nest daarom spreekt van een rusteloze tijd in verval, waar essenties verloren gaan. Wat hem opmerkelijk maakt is dat hij niet enkel een diagnose van de beschaving stelde, maar ook een behandeling opstartte. Hij maakt van idee en praktijk een tandem, waartussen een dialoog ontstaat die van Nest een opmerkelijke cultuurcriticus maakt. Ironisch maakt dat hem een kind van zijn tijd. De desintegratie van de oude maatschappij bracht immers ook een productief proces op gang. Nest had een antimoderne houding aangenomen, maar toch haalde hij de noodzakelijke brandstof en inspiratie uit dat ambigue modernisme. Zoals hij zelf besefte in zijn ‘Brieven aan een jonge vriend’, was zijn cultuurkritiek niet ontstaan uit een plotse bevlieging, maar uit de nood en cultuurcrisis van zijn tijd.

 II.

“Geloof me: we zijn zat van deze beschaving!” luidde het oordeel van Nest. Het was ook niet toevallig de titel van mijn thesis, omdat zij zo treffend haar tijd markeerde. Maar een pessimist was hij geenszins. Niet alleen het verval werd gepredikt, maar ook het vooruitzicht op nieuwe horizonten. Luister even mee naar wat hij te zeggen heeft:

“Wie een aandachtig oog en oor heeft voor onze tijd, voor zijn grauwe massabewustzijn, zijn hang naar bezit en stoffelijke welstand, zijn angsten, zijn eenzaamheidsgevoelen, zijn gekeerdheid naar de aarde en zijn schrijnend heimwee naar God, begrijpt dat slechts één ding ons kan redden: levensheroïek”.

Van Nest kan je veel zeggen, maar niet dat hij bij de pakken bleef zitten.

III.

1935. De AKVS, de studentenbeweging waar Nest zich jarenlang in heeft geëngageerd, is gedecimeerd door interne spanningen en sterke politieke polarisering. Hij belandt in een crisis en voelt plots de nood voor een dwaas avontuur. ‘Frans’, zegt hij tegen zijn vriend, de schilder Frans Mertens. ‘Ik ga er voor een tijd tussen uit. Gaat ge mee?’ vraagt Nest. ‘Waar naartoe?’, informeert Frans voorzichtig. ‘Naar Noord-Afrika’, zegt hij, plots beslist. Dit is het begin van de grote reizen die Nest maakt tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

“Adieu, Europa”, schrijft hij tijdens zijn eerste reis, “het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

IV.

Vraag mij dus om de Nest met 1 woord te beschrijven en ik zeg Pelgrim. Hij is niet enkel een van de stichters van een gelijknamige kunstenaarsgenootschap, maar hij belichaamde het heilige zoeken van een pelgrim. Welnu dan! Lees zijn romans, reis mee naar Noord-Afrika en wandel straks even naar het Ruusbroechuisje in het Begijnhof en je komt Nest in onvervalste vorm tegen. Het Begijnhof is op zijn mooist op druilerige regendagen wanneer je wordt bevangen door de tijdloosheid van Lier. Het is daarom niet verwonderlijk dat Nest juist deze plek uitkoos om stille uren te beleven. Luister en beleef mee:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

P.

“Hoezo? Niet vrij?”

“Vertel natuurlijk niemand dat ze niet vrij zijn, want dan gaan ze heel druk bezig zijn met moorden en verminken om te bewijzen dat ze het wel zijn. O ja, ze gaan tegen je praten en praten en praten over individuele vrijheid. Maar wanneer ze een vrij individu zien, krijgen ze de schrik te pakken”.

Jack Nicholson in Easy Rider (1969)

Niets doet mensen meer op hun stokpaard krijgen dan zeggen dat ze niet vrij zijn. Natuurlijk, in eerste opzicht klinkt het waanzinnig om dat te zeggen. Enkel een dwaas doet dat, niet? Waarom dan die kanttekening? Dankzij zelfkritiek (i.e. het in vraag stellen van alles wat gangbaar is) worden vanzelfsprekendheden gedwongen zichzelf te openbaren. Zo worden mechanismen ontmaskerd die anders achter een sluier verborgen zijn. Sommige beschavingsdenkers hebben geopperd dat de moderne mens in zijn vooruitgangsdenken zichzelf meer en meer onmachtig heeft gemaakt. Vrijheid kent twee gezichten. Je hebt de systeemvrijheid die voor iedere mens wordt gewaarborgd, doch altijd onderhevig aan de grillen van de Tijd. Daarnaast heb je de existentiële vrijheid dat zich op een heel ander niveau bevindt, maar stilaan uitdooft.

Dit vraagt om verduidelijking. Wat de systeemvrijheid kenmerkt is de afhankelijkheid van het maatschappijsysteem waarin een persoon geworpen (i.e. Martin Heideggers’ Geworfenheit) wordt. Zo heb je op deze wereld staatloze maatschappijen waarin extremistische stammen hun willekeurig geweld laten botvieren, maar ook gebetonneerde democratieën waar je pas politicus lijkt te worden na een verregaande lobotomie. Het spreekt voor zich dat een individu meer “mag” in de ene situatie dan in de andere. Dit wordt bepaald in de grondwet.

Dit is echter een erg arbitraire vorm van vrijheid, want onderhevig aan de maalstroom van de Tijd. Tenzij je migreert, heb je een gegeven set aan mogelijkheden, die in je levensloop kunnen veranderen. Vooral dat gegevene is belangrijk, want dit is het meest essentiële verschil met de existentiële vrijheid. Vrijheid moet verworven worden: om vrij te worden, moet je het in eerste plaats zijn (!). Dat is dus een opdracht, voor wie het niet verstaan heeft. De cultivatie van de ziel is de hoofdplicht van iedereen, stelde Plato. Je mag hem saai vinden, maar hij heeft wel een punt. En punten, beste lezer, zijn nooit saai.

Omdat de systeemvrijheid zo afhankelijk is van een maatschappijsysteem, is het van groot belang je eigen positie te handhaven in de maatschappij. Ons vreedzaam bestaan is illusoir omdat de werkelijkheid wordt gebannen uit ons dagelijkse leven. De TV en de computer vormen samen met de media het enge raampje op de wereld, waardoor we de werkelijkheid vanuit een sfeer ervaren (cf. Peter Sloterdijk). Hoewel de realiteit soms onze sfeer binnendringt, zoals op 9/11, sluit deze zich vrij snel opnieuw. Daarom heeft ons bestaan veel weg van de film The Truman Show: we proberen allemaal de idylle na te streven en omdat we onze sociale status verhogen door luxeartikelen voelen we ons vrij. Laat mij het nog eens herhalen op een andere manier: door onze consumptiedrang verhogen we de illusie dat we vrij zijn. Daarom stel ik dat de vrijheid in onze huidige maatschappij peanuts is. Een passieve vrijheid op een bedje van apathie, myopie en inertie.

Existentiële vrijheid gaat om levensbeheersing. Het is een concept dat moeilijk uit te leggen valt, maar wellicht illustreert de confrontatie van Odysseus en de Sirenen dit het beste. Toen Odysseus en zijn bemanning huiswaarts voerden kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in hun oren te doen, waardoor ze de aanlokkelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen konden weerstaan. Menig schipper liep op de vervaarlijke klippen zijn ondergang tegemoet omdat hij niet kon weerstaan aan de Sirenen. Odysseus doet geen bijenwas in de oren maar draagt aan zijn mannen op hem vast te binden, zodat hij de dramatische Sirenenzang kon aanhoren. Daar toont hij een knap staaltje van levensbeheersing: het Immense aanhoren zonder zichzelf erdoor te laten meesleuren. Grenservaringen zijn misschien de meest existentieel vrije momenten die je als mens kan meemaken: op dat sublieme moment wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren.

Toch gaat existentiële vrijheid om veel meer dan het opzoeken van grenservaringen. Volgens mij is het zelfs perfect mogelijk om vanuit een degelijke (!) inbedding existentieel vrij te zijn. Daardoor hoef je niet noodzakelijk een volgzaam schaap te zijn. Bekijk nu bijvoorbeeld eens Ernest Van der Hallen, een Lierse letterkundige die vanuit zijn katholieke inbedding een heel eigenzinnige aard had en zich niet wilde conformeren aan de krachten van zijn tijd. Wat de ‘Nest’ kenmerkte is iets wat vele andere pelgrimgestalten – voor, tijdens en na zijn tijd – met hem deelden: een tegenstroom in een uit haar lood geslagen Tijd. Je zou iemand als hem een “chronokraat” kunnen noemen: iemand die de maalstroom van de Tijd wist te beheersen; iemand die de Tijger kan bereiden. Net als de mens is Tijd iets wat overkomen kan worden.

Toch vraag ik het me af: zou er een voorwaarde zijn om te bestaan? Maar dan werkelijk bestaan, waarvoor een tweede geboorte moet plaatsvinden? Zelf voel ik me het meeste leven bij grenservaringen, waarbij het “gewone” burgerlijke leven eerder lijkt op een niet-leven. Het zijn die ervaringen die me doen twijfelen over de menselijke vrijheid, waaruit dan bovenstaande hersenriedels ontstaan die een poging zijn om mijn positie te markeren in het wereldveld. En jij? Beheers jij de Tijd? Beheers jij jezelf? Ben jij jezelf?

P. 

Adieu!

“Adieu, Europa, het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën, Davidsfonds, Leuven, 1938, 10-11.

De knaap met drie harten

De deur stond open. Vanuit de wagen zagen we dat de avond rood en goud blonk in het grachtwater langs de weg. Binnen was er schemer, en ik had een kaars in een gekleurde papieren lampion aangestoken – een oude gewoonte uit de tijd toen ik nog alleen was. Dat gaf een zeer genoeglijke stemming: de gezichten hadden in dit licht een wondere glans, en mijn wagen leek wel eens zoo ruim en zoo diep, met geheimzinnige hoeken in de schemering. De dichter lag te bed, de vrouw zat naast hem, de handen gevouwen om haar knieën.

“Er was eens een knaap waarvan verteld werd dat hij drie harten had in plaats van één. Van toen hij nog kind was voelde hij in zijn borst voortdurend een scherpe pijn en een zwaarte; hij voelde zich ook anders dan zijn jonge vrienden die zonder kommer of achterdenken door het leven gingen. Maar al wie vriendschap of hartelijkheid noodig had kwam tot hem: het was bekend dat hij buitengewoon goed was en medelijdend voor de dompelaars van het leven. Maar het werd pas een vreemde geschiedenis wanneer zekeren dag, toen hij ziek was, de geneesheer ontdekte dat die drie harten van goud waren.

De knaap groeide op tot een jonge man en een groot kunstenaar die van God de genade kreeg op het klavier de diepste en geheimste verborgenheden van het menschenhart uit te kunnen spreken. Hij speelde voor zalen vol rijke, edele vrouwen en kunstenaars, voor beroemde meesters, voor edelen en voor koningen.

Maar hij bleef een goed en ootmoedig mensch. Hij verdiende fortuinen met zijn spel; hij kreeg bloemen als een vorst die begraven wordt; vrouwen lagen aan zijn voeten. Maar het goud gaf hij weg aan armen en aan zieken; de koningin zond hem een gouden uurwerk, hij schonk het aan een bedelaar. Waar hij langs kwam kusten de vrouwen zijn handen en de kinderen liepen hem op straat achterna. Dat duurde jaren; hij werd een oud man; zijn oogen werden dof, zijn haar werd wit; zijn handen beefden en er kwamen diepe rimpels boven zijn oogen. Er kwamen dagen dat hij de muziek niet meer kon lezen en zijn handen niet meer zeker waren van hun weg over de witte toetsen. Er kwam een tijd dat de kunstenaar vergeten werd; er kwam een tijd dat hij arm werd.

 Maar hij bleef altijd even mild en vrijgevig: al wie tot hem kwam hielp hij en de armen langs de straat ondervonden niet eens dat de kunstenaar nu minder rijk was dan vroeger. Maar niemand vermoedde ook hoe het kwam dat zijn hand altijd opnieuw gevuld was, en waar hij het goud haalde dat hij zonder meten of tellen zoo royaal rondstrooide. Er was altijd geld, en altijd opnieuw bracht hij de goudsmelter nieuwe stukken goud. Dat duurde zoo jaren.

Dan werd hij ziek, en de dokter die hem onderzocht bevond dat zijn hart bijna heelemaal weggeteerd was; het beetje hart dat hem nog overbleef – ik vergat te zeggen dat deze dokter niets van zijn geheim afwist – moest hij met zorg sparen: het zou hem anders het leven kunnen kosten.

Ja, zoo geschiedde het dat hij zonder bedenken bijna drie keeren zijn hart had weggegeven.

Maar luistert nu: toen hij op zekeren weg morgen voet voor voet en hijgend langs de straatweg ging vond hij op de brug een oud man liggen die gewoon was elke dag van hem een aalmoes te krijgen. Uit gewoonte tastte hij in de zak, maar vond hij niets; zijn laatste stukje goud had hij weggegeven, en het kleine beetje dat hij in zijn borst droeg moest hij met zorg sparen: zijn leven hing er van af.

Hij glimlachte: waarom zou hij nu de eerste keer iemand een aalmoes weigeren? Moest hij weigeren? Wat gaf hij om dat klompje goud daarbinnen? Hij was oud en versleten, en stierf hij vandaag niet, dan toch morgen of een paar dagen later. Wat kwam het er op an?

Het duurde maar een sekond. En een moment later reikte hij de bedelaar een klein stukje goud waaraan bloed hing.

En opeens was er een fel licht rond hem: de morsige bedelaar straalde als een engel; hij nam hem bij de hand en glimlachte. Toen vielen de dingen rond hem weg en de heerlijkheid van het Paradijs omkringde hem.

Wat later vonden twee voorbijgangers de oude kunstenaar en de bedelaar langs de weg liggen: ze waren al koud, en ze hielden elkaar bij de hand.”

VAN DER HALLEN, Ernest, De wind waait, Davidsfonds, Leuven, 1932, 63-65.

Een nieuw geschapen paradijs

‘Het is blijkbaar geen ontvluchten van de aarde en het enge leven, wanneer de oosterling van de hemel droomt; hij heeft de gelukkige formule gevonden om de hemel op aarde te transponeren, en vergenoegt zich hiertoe niet met fantasie, heimwee en contemplatie: de architecten van zijn gaarden en paleizen kenden het spel van de lusten der zinnen en de weelde van kleuren, lijnen en contouren; de legende van de uit het paradijs gedreven mens is voor de Arabier een onbegrijpelijke mythe; praktischer dan Adam, die vol heimwee naar het Eden over de aarde doolt, heeft hij zich een nieuw paradijs geschapen waar geen enkele beperking van het genot der zinnen zijn levenskunst komt begrenzen’.

Van der Hallen, ERNEST, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

De Wanderlust tussen het profane en het sacrale

“Rönne wanted to go to Antwerp, but how, without corrosion? He could not come to lunch. He had to say he could not come to lunch today; he was going to Antwerp. To Antwerp, the listener would be wondering? Contemplation? Reception? Perambulation? That seemed unthinkable to him. It purported enrichment and construction of the soul“.

Enrichment and construction of the soul – that was what the old world was doing roundabout, unmoved by the far-reaching collapse of the times that enfeebled Rönne. The old world was still sitting in the officers’ mess, eating – as we shall soon see – of a tropical fruit, and waging wars, but he could not longer take part in it. In an age of rockets casually refueling on stars, of Cook’s paving the jungle for guided tours, of polar distance shrinking to short-haul rates and dowagers competing in Himalayan excursions, Rönne’s travel urge met with an inner resistance.

Gottfried Benn, “The way of an intellectualist” in Primal Vision.

 

© Peter Verheyen

De historicus Stephen Kern duidt aan dat het verschil tussen de profane en sacrale ruimte in de negentiende eeuw vervaagde door de secularisering[1]. Deze opmerking verbindt hij met de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, die God doodverklaarde[2]. De bruggen tussen de wereldlijke, profane wereld en de transcendente, sacrale wereld werden hierdoor verbroken. Cultuurfilosoof Julius Evola beaamde eveneens deze ‘ontologische breuk’, voor hem duidde dit zelfs op een onderscheid tussen een moderne en traditionele beschaving[3]. Ook de Vlaamse letterkundige Ernest Van der Hallen merkte deze vervaging op, door in Brieven aan een jonge vriend de cultuur aan te klagen die God en de godsdienst heeft uitgeschakeld in het leven[4]. Een belangrijk gevolg van deze vervaging was de bedreiging van profane inmenging van de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen.

Vooral de toeristen moesten het ontgelden. Lieven De Cauter duidt aan dat zij de genius loci, de ziel van een plek, aantastten[5].  Toeristen bevuilden de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen met materialisme en trivialiteit. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem[6]. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’[7]. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land[8]. Ook zijn geliefde begijnhof in Lier liep het gevaar in waarde te dalen tot een typische toeristische trekpleister[9]. Evola meende dat de massale toevloed van toeristen naar de bergen zijn ‘heiligdom’ zou bevuilen met een ‘plebejische kwaliteit’. Dit zou het verlies veroorzaken van de spirituele kwaliteit en de waarde van de ervaring van het bergbeklimmen[10]. Zo degenereerde de existentiële en spirituele ervaring van hun sacrale ruimten naar een condition touristique[11].

Toch deelden Evola en Van der Hallen een aantal gemeenschappelijke kenmerken met toeristen. Lieven De Cauter stelt vast dat de hedendaagse toerist twee elementen heeft geërfd van de Romantiek: de reislust als een spiegel van innerlijke onrust en het geloof dat reizen goed is en noodzakelijk om te bekomen van de stress[12]. Hun vlucht naar de sacrale ruimte is daar een illustratief voorbeeld van. Ernest van der Hallen had het vaak over een droom of sprookje, of dit nu in een oase in de Noord-Afrikaanse woestijn was of onder een boom terwijl hij de geschriften van de middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec[13] aan het lezen was[14]. Door zich voor te doen als zwerver, wilde hij ‘den toerist uit den weg te blijven’[15]. Julius Evola deed zijn best de ‘romantische subjectivistische pathos’ van de moderne mens te ontkennen, omdat hij zich wou spiegelen aan ‘de traditionele mens’ die eerder reële sensaties beleefde in de natuur. In zijn eigen woorden: ‘we may assume that in traditional man the power of imagination was not merely confined to either the material images […] and subjective images, as in the case of the […] dreams of modern man’[16]. Toch onderging hij regelmatig verwondering in de bergen, waar hij net als Van der Hallen een onbeschrijfelijke nostalgie voelde en een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze koesterde[17]. ‘Is het ten slotte toch nog de eeuwige burger in ons’, leek Van der Hallen toe te geven, ‘die ons drijft naar een andere vorm van sensatie […]?’[18].

P.


[1] KERN, Stephen, The culture of time and space 1880-1918., Harvard University Press, Cambridge, 1983, 179.

[2] Zie: NIETZSCHE, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap., Arbeiderspers, Amsterdam, 2007.

[3] EVOLA, Julius, Revolt against the modern world., Inner Traditions, Rochester, 1995, xxxii.

[4] VAN DER HALLEN, Ernest, Brieven aan een jonge vriend., L.V. Tijl, Deurne, 1932, 16.

[5] CAUTER, Lieven de, Archeologie van de kick. Over moderne ervaringshonger. Vantilt, Nijmegen, 2009, 139.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Cheiks, pelgrims en rabbijnen., Het Spectrum, Utrecht, s.d., 68.

[7] Ibidem, 69.

[8] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 76.

[9] VAN DER HALLEN, Ernest, ‘Wat over schoonheid in onze samenleving’, Storm, JG 3, n°11, 1 juni 1921.

[10] EVOLA, Julius, Meditations on the peaks., Inner Traditions, Rochester, 1998, 41.

[11] Archeologie van de kick, 15.

[12] Ibidem, 130.

[13] Jan van Ruusbroec (1293-1381) was een Brabantse priester en kapelaan die in het Middelnederlands mystieke teksten schreef.

[14] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 103; AMVC, R 286/B2, Brief van Ernest van der Hallen aan Flor van Reeth op 23 september 1922.

[15] Oost-Zuid-Oost, 5; Tusschen Atlas en Pyreneeën, 115.

[16] Revolt against the modern World, 151.

[17] Meditations on the peaks, 71.

[18] Tusschen Atlas en Pyreneeën, 10.

Ernest Van der Hallen, Dostojevski en Wanderlust

‘Dit zal mij bijblijven, nu de roep naar Vlaanderen in mij zo luid is, dat ik besloten ben niet meer terug te keren naar deze landen. Maar heimelijk weet ik dat, wanneer de vlakten mij weer sterk en dringend zullen wenken, ik opstaan zal, en gaan naar waar het zand gespreid ligt over de eindeloze vlakte en de kamelen schommelen langs de rand der lage heuvels; waar de luchtspiegelingen bedrieglijk wenken en de donkere nomaad zijn tenten spant onder een verschrompelde dadelpalm; waar de schamele Fellah de negen-en-negentig deugden van Allah aftelt aan de kralen van zijn bidsnoer of, evenals zijn voorouders zesduizend jaar terug, het rad trapt dat het water met kleine gulpen beurt uit de zandige put, want de Fellah denkt minstens zevenmaal zeven eeuwen na, eer hij iets verandert aan zijn gewoonten’.

VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije, Davidsfonds, Leuven, 1941, 168.

 

Het citaat doet me heel sterk denken aan de contemplatieve boer die Dostojevski bij monde van Smerdjakov, de bastaardzoon van Fjodor Karamazov, beschreef in De Broers Karamazov. Zomaar op een lukrake dag getroffen worden door een ongelofelijke drang om te reizen. Of te zwerven. Niet noodzakelijk met een doel, soms gewoon om onderweg te zijn, zoals Jack Kerouac, indrukken vergarend. Of net wel met een Groot Doel, een existentiële reis die het ganse leven bepaalt. Als pelgrim geef je je identiteit op bij de aanvang, je verliest jezelf in het geheel. En vanuit die rotsige bodem waar geen Ik bestaat, zoek je onderweg een nieuw pad naar boven toe. Naar je nieuwe Ik. Om jezelf te vinden, moet je jezelf soms verliezen.

‘Van de schilder Kramskoj bestaat een opmerkelijk schilderij met de naam Contemplatie: daarop is een winters bos afgebeeld en in dat bos, op een weg, staat moederziel alleen, in diepe eenzaamheid een boertje met een gescheurde kaftan en met bastschoenen aan, hij staat daar diep in gedachten verzonken, maar hij denkt niet, hij ‘contempleert’. Als je hem een duw zou geven, zou er een rilling door hem heen gaan en hij zou je aankijken alsof hij net wakker was geworden, maar er niets van begrijpen. Wel zou hij meteen bij zijn positieven zijn, en op de vraag waarom hij daar stond te denken, zou hij zich niets meer herinneren, maar toch zou hij de indrukken opgedaan tijdens zijn contemplatie nooit meer kwijtraken. Die indrukken zijn hem dierbaar, ongemerkt en zelfs onbewust zal hij ze opzamelen, waarvoor en waarom, dat weet hij natuurlijk zelf niet: misschien zal hij na jarenlang indrukken te hebben verzameld opeens alles in de steek laten en naar Jeruzalem gaan, op een pelgrimage ter redding van zijn ziel, of misschien zal hij opeens zijn geboortedorp in de hens steken, of misschien doet hij het zowel het een als het ander. Er zijn in het volk tamelijk veel van zulke contemplatieve figuren’.

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 156.

P.

De eindeloze ruimte

De vlakte neemt ons op; de vlakte, de zon, de onafzienbare ruimte van licht en vuur. Door de oneindige effenheid slingert de schommelgang van twee eenzame reizigers die geen ander doel hebben dan zich onder te dompelen in het sprookje van ruimte en licht. Het zand glanst mat, het zand knespert onder den zwaren voet der kameelen en ver weg glinstert een glasscherf of een stukje kristal scherp in de zon; daarboven staat hard en strak het witte licht gespannen; het omvangt de aarde als een kristallen koepel, het is tyranniek en geweldig, zonder schaduwen of spel van kleur. Men zoekt tevergeefs een lijn, een kontoer, een punt; iets waar de oogen rust aan hebben, iets waarnaar men kan kijken, een punt waarnaar men zich kan oriënteeren. Aan den einder vervaagt de kim in een aarzeling van sidderend diafaan licht waarin de raaklijn van hemel en aarde oplost. Eindeloos strekt zich de okergele vlakte zonder duinen, met enkel hier en daar de lichte deining die een koele nachtwind teekende als een vochtig zeestrand bij ebbe.

 

~Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën, 95-96 (1938)

“Het gevoel hebben het leven te beheersen”

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’[1].

De Lierse studentenleider en letterkundige Ernest van der Hallen (1898 – 1948) was diep teleurgesteld in Vlaanderen toen hij eind 1935 met zijn vriend Frans Mertens[2] vertrok op pelgrimsreis: ‘ik heb hier veel achter te laten en veel te vergeten, als God met ons is keren wij niet terug, vooraleer wij rustig zijn en veel vergeten hebben’[3]. De meerdere reizen die hem naar Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten brachten, leverden reisdagboeken op met een hoog cultuurkritisch gehalte. Zijn vlucht uit Europa bleek een zoektocht naar ruimte en vrijheid te zijn[4]. Te Biskra, een oase in Algerije, lag hij onder de palmbomen met de intentie ‘niet meer op te staan, niet meer te denken, niet meer te voelen, alleen bewegingsloos te blijven tot de avond aantreedt […]’[5]. Daar was het ‘nieuwe, het gave en onbedorvene’ te vinden[6]. De natuur was bij Van der Hallen al langer een centraal element in zijn denken. Het was de antipode van de verderfelijke stad en daarmee ook een bron van zuiverheid. De levensbeheersing die men enkel buiten de stad kon bereiken, meende hij in De aarde roept (1936), was ook het afscheid nemen van de ‘dingen […] die voor de mens in de stad noodzaak geworden zijn’[7]. In de natuur werd de moderne mens gezuiverd van alle overbodige ballast.

P.


[1] VAN DER HALLEN, Ernest, Charles de Foucauld.,  Pro Arte, Diest, 1941, 20.

[2] Frans Mertens (1908-1993) was schilder en tekenaar. Circa 1935 was hij vooral bezig met religieuze thema’s.

[3] BONI, Armand, Ernest van der Hallen (1898-1948). Een silhouet., Davidsfonds, Leuven, 1950, 126.

[4] Charles de Foucauld,  18.

[5] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 66.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 53.

[7] VAN DER HALLEN, Ernest, De aarde roept., Wiek Op, Brugge, 1943, 52.