TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Ernst Jünger

Wilflingen, 24. Dezember 1968

juenger_ernst_honorarfrei-ba2

Am Weihnachtsabend nach alter Gewohnheit ein Licht auf den Friedhof gebracht. Ich vergrub es zur Hälfte im Schnee, den es durchleuchtete. Oben zog Gewölk am bleichen Mond vorbei, der zur Stunde von einem amerikanischen Team umrundet wird.

Wenn ich ein Licht auf ein Grab stelle, bewirkt es nichts, aber es besagt viel. Es leuchtet für das Universum, bestätigt seinen Sinn.

Wenn sie den Mond umfliegen, bewirkt das viel, doch es bedeutet weniger.

(Ernst Jünger, Siebzig verweht)

Ernst Jünger: de versterving van de gedachte

Noot: wat Ernst Jünger hieronder beschrijft komt me heel herkenbaar voor. Het is een uitdaging om de meest originele schepsels van je brein naar buiten te brengen in hun oorspronkelijke staat. Vaak gaat er ontzettend veel verloren zodat er helemaal niets overblijft. Het gaat niet om een zuiveringsproces, maar wel een uiterst vijandige omgeving waar deze gedachten zich doorheen worstelen om tot uiting te worden gebracht. Het slachtofferaantal ligt angstwekkend hoog. Net zoals een levendige droom vervaagt naarmate de seconden vorderen, is een gedachte even snel verdwenen als zij is opgekomen. Het is Snapchat avant la lettre. Zou er geen mogelijkheid bestaan om je brein te koppelen aan een soort digitale copywriter, die als een seismograaf bij de minste trilling je denkpatronen neerschrijft? Dat zou de stream of conciousness “as mad as a hatter” maken.

P.

“Somtijds voelde hij diepe verbittering door zich heen branden wanneer anderen hem achteloos voorbijliepen. Dan ervoer hij zijn ziel als een donker land ver van de mensen, rijk aan goud en andere zeldzame zaken, en omgeven door een gordel van zielloos oerwoud. Ondernam hij evenwel een poging zich door het kreupelhout te wurmen, dan ontglipten zijn schatten hem onderweg en bracht hij slechts gelach of een kleurloos niets aan het licht.”

Jünger, Ernst, Luitenant Sturm, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009, 67-68.

Flux & reflux

SONY DSC

L’idée de passer l’hiver sur des côtes ensoleillées d’entre les Tropiques est délicieuse, mais fausse. Nous exigeons de l’arbre de la vie qu’il fleurisse toute l’année. Mais sous les Tropiques aussi, les arbres perdent leurs feuilles. La nuit hivernale ne nous est moins nécessaire que la nuit quotidienne. Il faut respecter, même quand il s’agit du coeur, le flux et le reflux. Vouloir ne connaître que le flux, c’est exposer aux ruptures de digues. Nous ne pouvons être toujours dispensés des douleurs, sans ombres; il nous fait aussi héberger la melancholie.

JÜNGER, Ernst, Graffiti/Frontalières, Paris: Christian Bourgeois éditeur, 1977, 179.

De grote weelde van ons bestaan komt door het continue afwisselen van tegenstellingen. Wie kent de waarde van het geluk als hij geen ongeluk kent? Ik zie Jünger in dit citaat teruggrijpen naar de antieke filosofie van Heraclitus, maar dit kan ook geïnterpreteerd worden als een kritiek op de hedendaagse geest. Door ons eenzijdig te richten op het aangename verliezen we zicht op het hele plaatje. Daar ligt het gevaar van de comfort zone: eens je daar in zit is losbreken niet evident.

De hedendaagse mens zit vol bewondering, zij bevredigt ons verlangen naar iets om naar op te kijken vanuit onze comfort zone. De verwondering is interessanter, maar wekt onbehagen op omdat we de betekenisloosheid van de comfort zone opmerken. In deze melancholische neiging zit echter de grote schoonheid van het leven besloten.

P.

Apsjeronsk, 1 januari 1943

Mantische nieuwjaarsdromen – ik verbleef in een groot hotel en sprak met de portier, die op zijn jas in zilver geborduurde sleutels droeg, over de koffers van de reizigers. Hij was van opvatting dat ze daar zelfs in de grootste nood slechts ongaarne afstand van deden – ze betekenden meer dan het omhulsel van hun have, daar zat ook hun verdere reis in, evenals hun aanzien en kredietwaardigheid. Ze zouden zijn als het schip dat men op een zeereis als laatste in de steek liet, of zelfs als de eigen huid. Vagelijk begreep ik dat het hotel de wereld was, en de koffer het leven.

(…)

Vroeg opgestaan voor de terugreis naar Apsjeronsk. De zon glansde schitterend op de bergen, waar de bossen ademden in de violette kleuren van het eerste begin van de lente. Ik was ook goedgehumeurd, als een zwaardvechter die opnieuw de arena betreedt. De kleine alledaagse bezigheden op deze eerste dag van het jaar verricht je met meer liefde – wassen, scheren, ontbijten en de aantekeningen in het dagboek: symbolische handelingen die je celebreert.

Drie goede voornemens. Ten eerste: ‘Matig leven’, want bijna alle problemen in mijn leven zijn veroorzaakt door de overtredingen jegens de matigheid.

Ten tweede: ‘Steeds oog voor de ongelukkigen.’ De mens heeft de aangeboren neiging het ware ongeluk niet te zien, en meer zelfs: hij wendt de blik af. Het medelijden komt achteraan hinken.

Tot slot wil ik het peinzen over individuele redding uitbannen in deze maalstroom van mogelijke catastrofes. Belangrijker is dat je je waardig gedraagt. We beveiligen onszelf toch slechts op bepaalde punten van het oppervlak van een geheel dat voor ons verborgen blijft, en juist de uitvlucht die wij bedenken, kan onze dood zijn.

(…)

Uit: ‘Kaukasische aantekeningen’ in: JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941-1943, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986, 239-240.

Ernst Jünger: “Nuit en forêt”

J’avais roulé jusque dans la forêt pour y dormir, et j’y dépliai mes couvertures au bord d’un ruisseau. Au coeur de la nuit, un bruit me réveilla. Je vis que la lune s’était levée. Deux énormes oies de neiges s’étaient posées et barbotaient le long de la rive. L’une était blanche, avec un col bleu comme celui du paon, l’autre avait pour manteau une paire d’ailes d’un bleu profond. Elles s’approchaient sans bruit; la couleur tranchait vivement sur le blanc neigeux de leur plumage. Quand je me redressai, elles disparurent, et avec elle un cortège d’animaux à la tête duquel elles marchaient. J’avais déjà remarqué dans les fourrés des bois de cerfs, des mouvements. Il ne resta plus que la lumière bleue et blanche de la lune.

JÜNGER, Ernst, Graffiti/Frontalières, Paris: Christian Bourgeois éditeur, 1977, 130.

Parijs, 10 augustus 1942

’s Nachts dromen over de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog. Ik was in de ondergrondse schuilplaats, maar ditmaal zaten daar ook kinderen, aan wie ik prentenboeken liet zien. Toen stapte ik naar buiten en ging in een bomtrechter liggen. De aarde was tot poeder gezeefd door projectielen. Ik wreef de droge kruimels tussen mijn handen en herkende ze dusdoende als de materie waaruit wij komen en waarheen wij weer terugkeren. Ik onderscheidde ze nauwelijks van mijn lichaam en van mijn hand. Ik lag daar als een mummie te midden van mummiestof.

JÜNGER, Ernst, Parijs Dagboek 1941-1943, Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1986, 137.

Parijs, 21 januari 1942


Op bezoek bij Charmile in de rue Bellechasse.

De klok loopt sneller bij zulke gesprekken – net als vroeger in de oerwouden. Voor dat effect zijn diverse factoren nodig – schoonheid, volledig geestelijk contact en nabijheid van gevaar. Ik probeer dan het verloop te vertragen door reflectie. Die remt het smalle rad van de tijd.

Ik vind een mens – dat is net zoiets als: ‘Ik ontdek de Ganges, Arabië, de Himalaya, de Amazone’. Ik dwaal in zijn geheimen en uitgestrektheden en haal schatten uit hem te voorschijn, en daarbij verander ik en leer ik. In die zin, vooral in die zin, worden wij mede door onze naasten, door onze broeders, vrienden, vrouwen gevormd. In ons blijft het vermoeden van andere klimaten hangen – zo sterk dat ik bij sommige ontmoetingen voel: ‘Deze man moet die-en-die hebben gekend’. Zoals de goudsmid zijn teken graveert in zijn juwelen, zo brengt het contact met een mens een merkteken in ons aan.

JÜNGER, Ernst, Parijse dagboeken 1941-1943, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1986.

Parijs, 28 maart 1942

Luchtalarm. We zaten met het licht aan bij elkaar en dronken champagne uit 1911, waarbij de vliegtuigden zoemden en de echo van de kanonnen de stad deed schokken. Klein als mieren. Daarbij gesprekken over de dood. Over dit thema maakte madame Gould een paar goede opmerkingen – bijvoorbeeld dat de ervaring van de dood een van de zeer weinige was die niemand van ons kon afnemen, en dat wij zelfs daardoor verrijkt worden, juist door toedoen van degenen die ons de grootste schade willen berokkenen. Het lot kon ons alle grote ontmoetingen ontnemen – die met de dood nooit.

JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941 – 1943, De Arbeiderspers (Privé-domein n°123), Amsterdam, 1986, 99-100.

Hexenschaukel

‘Een paar keer mompelde ik de woorden van Ariostes: “Wanneer de dood ook komt, een groot hart voelt geen afgrijzen zolang hij maar roemrijk is”. Dat wekte een aangenaam soort dronkenschap op, ongeveer zoals je je in een Hexenschaukel voelt. Toen de granaten mijn oren even rust gunden, hoorde ik naast me fragmenten van het mooie lied van de Zwarte Walvis in Askalon klinken en dacht dat mijn vriend Kius de kolder in de kop had gekregen. Maar iedereen kende zo zijn eigen spleen’.

Ernst Jünger in In Stahlgewittern

Ernst Jünger, ‘de “Schleife”‘

“… en in de methodiek leidde Nigromantanus me in, een voortreffelijke leraar, dien ik me helaas slechts vaag herinner. Dat ik hem bijna geheel vergat, komt omdat hij er van hield het spoor achter zich uit te wissen als een dier, dat in het binnenste van het struikgewas huist. Toch is de vergelijking niet goed gekozen, liever zou ik van hem zeggen dat hij als een lichtstraal was, die het verborgene zichtbaar maakt, terwijl hij zelf in het onzichtbare verwijlt”.

JÜNGER, Ernst, Het avontuurlijke hart. Figuren en capriccio’s, Uitgeverij De Lage Landen, Brussel, 1943, 27