TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Filosofie

“Zu den Sachen selbst”

De wereld is niet zomaar wat ze is, voorbij al wat vanzelfsprekend is zit een waarheid waar we met een eigenaardig besef op stuiten. Of dat nu dé waarheid is, valt aan te twijfelen. Je bent nooit zeker. In een wereld waarin Nietzsche God voor dood heeft verklaard, zijn alle ankerpunten brutaal weggeslagen. Toen de Boeddha in een grot stierf, bleef volgens de legende zijn schaduw daar eeuwenlang hangen. De kaders worden vervangen door surrogaten, het schilderij vervormt zich (degradeert?) continu. Almaar door vallen.

Daarom resteert ons, postmodernen, enkel nog de illusie dat we nog goed bezig zijn en dat is niet eens zo verwonderlijk: we zijn door en door gedisciplineerde wezens die, net als de Belgische staat, blijven functioneren, ook al is de richtingaangevende sturing weggevallen. Het wereld is een speelveld, een theatraal evenement waarin we de reeks gebeurtenissen aan elkaar proberen te weven tot één groot verhaal:

“ONSCHULD IS HET KIND EN VERGETEN, EEN OPNIEUW BEGINNEN, EEN SPEL, EEN UIT ZICHZELF ROLLEND RAD, EEN EERSTE BEWEGING, EEN HEILIG JA ZEGGEN”.

Een van de voornaamste redenen waarom ik filosofie in avondonderwijs ben gaan studeren is een verlangen naar een voller en rijker begrip van het bestaan; het sprokkelen van nieuwe perspectieven om mijn leven richting te geven; mijn weg te vinden tussen de grote woorden; te weten wat voor impact woorden hebben. In de fenomenologie van Husserl, waarvan een samenvatting toevallig naast me ligt, vind ik een perspectief dat ik graag verder wil uitdiepen: dat er helemaal geen sprake is van een strikte scheiding tussen het subject en de wereld daarbuiten, maar dat we altijd betrokken zijn op deze wereld. In die zin is iedere verschijning van die buitenwereld aan ons een onmiddellijk en direct spreken van de werkelijkheid. Het wegslagen van artificiële barrières, zoals we vandaag de zogenaamde comfort zone bijvoorbeeld kennen, leidt tot existeren en niet tot een louter marktconform bestaan.

P.

Advertenties

Hannah Arendt over omwentelingen

“(…) typisch voor de beruchte omkeringen van filosofische systemen of waardehïerarchieën is dat ze het conceptuele kader zelf intact laten. Dit geldt in het bijzonder voor Marx, die ervan overtuigd was dat het volstond Hegel op zijn kop te zetten om de waarheid te vinden – d.w.z. de waarheid van het hegeliaanse systeem, die ligt in de ontdekking van de geschiedenis als dialectisch proces.”

Twee frequente gissingen vloeien m.i. voort uit dit citaat.

Gemakshalve delen we de geschiedenis op in tijdperken. Daaruit komt de eerste gissing. Waar duidelijk contrast een klare visie kan vormen, zijn theorie en praktijk, zoals vanouds, sterk verschillend. Tijdperken laten lange schaduwen na, sporen die moeilijk uitwisbaar zijn omdat ze onderhuids lopen en nog altijd de funderingen vormen van ons huidige denken. West-Europa zit bijvoorbeeld in een seculier tijdperk, maar het is naïef te denken dat we de religieuze mantel volledig van ons hebben afgeslagen. Ons begrip van de klassieke Griekse filosofie werd gevormd in de antieke Oudheid. Tijdperken vloeien in elkaar over en maken sprongen over andere tijdperken heen. Epicurisme dook bijvoorbeeld opnieuw op in de Renaissance, na duizend jaar verdrongen te zijn door andere denksystemen.

Een tweede gissing wordt mogelijk gemaakt door de eerste. Maar al te vaak kom ik mensen tegen die op basis van een paar “triggerwoorden” een oordeel klaar hebben staan waarvan ze zelden willen afwijken. Vaak is het dan een kwestie om met handen en voeten uit te leggen dat er toch een aantal belangrijke nuances zijn, waardoor je hoopt dat het oordeel wijzigt. Helaas betrap ik mezelf op die lelijke manieren. Dat is menselijke koppigheid. Als iedereen zijn eigen stoep vrij maakt, wordt de wereld een mooiere plek, luidt het gezegde. Dat geldt ook voor wanordelijke gedachten.

P.

Nietzsche: Grieks pessimisme en avondrood

62d4b-nietzsche

Bestaat er zoiets als een pessimisme vanuit kracht? Een intellectuele voorkeur voor het harde, huiveringwekkende, kwade, problematische van het bestaan, en dat vanuit een gevoel van welzijn, van, overstelpende gezondheid, vanuit de volheid van het bestaan? Bestaat er misschien zoiets als een lijden aan de overvloed zelf? Een verleidelijke dapperheid van de scherpste blik, die naar het vreselijke verlangt, als naar een vijand, een waardige vijand, met wie zij haar kracht kan meten? Die haar kan leren wat ‘het vrezen’ inhoudt? Wat betekent juist bij Grieken van de beste, sterkste, dapperste tijd, de tragische mythe? Wat betekent de tragedie, die uit dit Dionysische geboren is? – En anderzijds: datgene waaraan de tragedie gestorven is, het Socratisme van de moraal, de dialectiek, de bescheidenheid en blijmoedigheid van de theoretische mens – zou niet juist dit Socratisme een teken kunnen zijn van de neergang, de vermoeidheid, het ziek-worden van de losgeslagen instincten? En de ‘Griekse blijmoedigheid’ van de latere Griekse cultuur slechts een avondrood?

NIETZSCHE, Friedrich, De geboorte van de tragedie, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2006, 8.

Boëthius: “Gij zijt tevens begin, bestierder, gids, pad maar ook einde”

Da, pater, augustam menti conscendere sedem,
da fontem lustrare boni, da luce reperta,
in te conspicuos animi defigere visus.
Dissice terrenae nebulas et pondera molis
atque tuo splendore mica; tu namque serenum,
tu requies tranquilla piis, te cernere finis,
principium vector, dux, semita, terminus idem.

Vader, vergun onze geest de verheven plaats te bereiken
Geef ons de bron te aanschouwen van ’t goede; als ’t licht is gevonden
Geef dat gescherpt dan het oog van de geest zich op u mag richten
Jaag uiteen al de nevels der aarde, hef op alle zwaarte
Glans met d’u eigene stralen, want gij zijt immers het klare
Gij zijt kalmerende rust voor de vromen, uw aanblik ons streven
Gij zijt tevens begin, bestierder, gids, pad maar ook einde

Uit De vertroosting van de filosofie van Anicius Manlius Torquatus Severinus Boëthius

De sprong van Schopenhauer

Arthur Schopenhauer en de verschalking van de wilsdrang

 “We are such stuff

as dreams are made of, 

and our little life

is rounded with a sleep”

Shakespeare, Tempest, Act 4, Sc. 1.

Arthur Schopenhauer (1788-1860) had evenwel geen filosoof kunnen zijn. Hij was voorbestemd zijn vader Heinrich Floris Schopenhauer op te volgen als koopman van een rijk patriciërsgeslacht. Toch kon de jonge Arthur de geleerde boeken van zijn vader maar niet laten rusten, tegen de zin van zijn ouders. Zijn vader stelt hem op vijftienjarige leeftijd voor een ultimatum: of hij blijft in Hamburg om op het gymnasium te studeren of hij vergezelt zijn ouders op een avontuurlijke reis door Europa, waarna hij bij terugkeer in de leer moet gaan bij zakenman en senator Jenisch. Hij kiest voor de reis, zoals iedere vijftienjarige zou doen, maar bij terugkomst dringt de ironie van het leven zich op: terwijl Arthur de wereld van de handel betreedt, wordt duidelijk dat zijn vader spoedig de zijne verlaat. Arthur blijft na diens dood vertwijfeld achter. Het zal uiteindelijk zijn moeder zijn, die al snel na het overlijden van haar man in Weimar een schrijversbestaan ging leiden, die Arthur overhaalt om voluit voor de filosofie te gaan. Door de erfenis van zijn vader moest hij de filosofie nooit als een normale carrière beschouwen.

De weg naar de filosofie was lang en onzeker voor Schopenhauer, maar in de filosofie heeft hij snel vaste voet gekregen. Reeds in 1815 identificeert hij het Kantiaanse ‘Ding an sich’ als ‘Wil’. Uit zijn dissertatie Over de viervoudige wortel van de stelling van de toereikende grond uit 1813 zal op korte tijd de totaliteit van zijn filosofie ontstaan die wordt samengevat in De wereld als Wil en Voorstelling. Deze werd tijdens zijn leven verder aangevuld en genuanceerd.

Het gebrek aan erkenning maakte Schopenhauer een verbitterd man, hoewel zijn eigenwijsheid daar ook een belangrijke rol in speelde. Het zou pas tijdens de laatste levensjaren zijn dat Schopenhauer roem zou vergaren, na de publicatie van Parerga en Paralipomena (1853), een verzameling van waarnemingen, essays en aforismen. Hij verklaarde dat een zware last, die sinds zijn vierentwintigste op zijn schouders rustte, eindelijk van hem was weggenomen. Ironisch was hij bijzonder kritisch geweest over het nastreven van roem en predikte hij heel zijn leven lang een ideaal van afzijdigheid en wereldverzaking. Toch kon hij zijn pessimistische wereldbeeld combineren met eigenbereide pragmatische suggesties voor het behalen van aards geluk.

  Lees de rest van dit artikel »

Parijs, 21 januari 1942


Op bezoek bij Charmile in de rue Bellechasse.

De klok loopt sneller bij zulke gesprekken – net als vroeger in de oerwouden. Voor dat effect zijn diverse factoren nodig – schoonheid, volledig geestelijk contact en nabijheid van gevaar. Ik probeer dan het verloop te vertragen door reflectie. Die remt het smalle rad van de tijd.

Ik vind een mens – dat is net zoiets als: ‘Ik ontdek de Ganges, Arabië, de Himalaya, de Amazone’. Ik dwaal in zijn geheimen en uitgestrektheden en haal schatten uit hem te voorschijn, en daarbij verander ik en leer ik. In die zin, vooral in die zin, worden wij mede door onze naasten, door onze broeders, vrienden, vrouwen gevormd. In ons blijft het vermoeden van andere klimaten hangen – zo sterk dat ik bij sommige ontmoetingen voel: ‘Deze man moet die-en-die hebben gekend’. Zoals de goudsmid zijn teken graveert in zijn juwelen, zo brengt het contact met een mens een merkteken in ons aan.

JÜNGER, Ernst, Parijse dagboeken 1941-1943, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1986.

Gelatenheid

Beeld je in dat je heel je leven lang in een boot doorbrengt op een lange rivier. Wanneer is deze rivier echt een rivier? Daar waar zij aan de bron hoog in de bergen ontspringt of ginds aan de verre einders van de horizon waar zij breed uitwaaiert in een broeierig labyrint van woeste mangrovewouden? Of nog verder, zoals de machtige Kongorivier een laatste zwanenzang inzet met een okergele troebelheid die Atlantische Oceaan kleurt zover een mens kan zien? Misschien kies je voor minder drama en beslis je dat de rivier die brede, rustige stroom is waarrond steden ontstaan en een rijke landbouwgrond geniet van haar genereuze slibafzet. Nee. Ook dan niet. Want zij laat zich niet bepalen door ons weten; hoog en laag is ze beslist evenveel rivier dan op die gouden middenweg. Toch heb je het idee dat je wel degelijk over de rivier kan spreken. Het moet, het kan niet anders. Dat is een waarheid die we wel moeten accepteren wanneer we haar van begin tot einde afvaren.

We hebben lang geloofd dat waarheid, net als de rivier, een onveranderlijk iets was. We dachten een raamwerk uitgevonden te hebben waardoor we algemene uitspraken konden doen over alles. We zouden alles kunnen weten. We hebben fundamenten in de grond geslagen die nooit meer ondermijnd konden worden. Met onze redelijkheid wisten we de werkelijkheid te vatten. Dat dachten we. We waren begoocheld zonder het zelf te weten. Onze objectieve benadering was een abstracte constructie: het gevolg van onze dialoog met de Lebenswelt, de enige wereld waarop we betrokken zijn. De waarheid verschuift omdat zij wezenlijk historisch is. De onveranderlijke kern wordt vastgeklonken aan het tijdelijke waardoor de afgrondelijkheid van ons bestaan angstwekkend reëel wordt. Net zoals de rivier is de waarheid op dit moment anders dan gisteren of morgen. De manier waarop zij aan ons verschijnt kunnen wij niet beheersen. We moeten haar dus uit handen durven geven. Het is gegeven, net zoals de levensrivier waar wij ons doorheen moeten waden.

P.

Verwondering en onbehagen

“Dat was adembenemend. Nooit tevoren had ik vermoed wat het betekent, te existeren”. (Sartre, La nausée (1938))

Ik studeer filosofie uit een verlangen om alles in en rond mij te begrijpen. Waar, dat is een pretentieus uitgangspunt: men gelooft al lang niet meer dat de mens alles te weten kan komen. Niet alleen is ons kenvermogen begrensd, maar er bestaat ook een onzekerheidsfactor die veeleer in de natuurlijke processen zelf ligt opgesloten (cf. Mandelbrot, Heisenberg, Gödel e.a.). Hoe dan ook worden we geconfronteerd met de verwondering die ons als metafysisch wezen in al onze nieuwsgierigheid bepaalt. Ik kan dan niet alles weten, maar het vermogen tot mateloze verwondering biedt vertroosting.

Maar hoe kunnen we ook anders zo nieuwsgierig zijn? We worden zonder enige inspraak in de wereld geworpen en worden door onze omgeving verwacht dit vanzelfsprekend te vinden. Is het dan opmerkelijk dat we ons vragen stellen naar de gronden van ons bestaan? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Dat is volkomen normaal, dat ligt in onze aard. Een mens die naar de sterrenhemel staart en zich geen existentiële vragen stelt is geen mens, lijkt me. Toch bekruipt mij een onbehagen wanneer ik mij iedere dag in het maatschappelijke begeef. Zij lijkt zelfgenoegzaam in haar vanzelfsprekendheid verzonken te zijn. Op die manier wordt het moeilijker om tot zichzelf te komen in een maatschappij waar vooruitgang het parool is en stilstand taboe.

Dat onbehagen heb ik al uitgebreid aan bod laten komen in mijn manifest. Ik zou me onbeschaamd als een cultuurpessimist durven omschrijven. Toen de Lierse “pelgrim” Ernest Van der Hallen in de jaren ’30 afscheid nam van zijn omgeving en de wijde wereld introk, beschreef hij Europa zeer treffend als

“het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies.”

Toch zie ik iets constructiefs ontstaan uit dat cultuurpessimisme. Het verval prediken zonder hoop in het vooruitzicht te stellen is een houding die me niet goed past, hoezeer ik ook neig naar de avondlandcultuur van het interbellum. Geef mij maar dan het morgenrood van Nietzsche, die net als Kierkegaard een sprong durfde te wagen boven de inerte redelijkheid die zo verweven is met de moderne maatschappij.

De existentiefilosoof Karl Jaspers duidde met het begrip grenssituatie momenten aan waarin de existentie zich onmiddellijk verwerkelijkt. Op deze momenten, die je niet kan ontlopen, zal het geheel van de existentie zich verwerkelijken en worden wij geheel onszelf. Het project van het existentialisme,  de zoektocht naar authenciteit en het zelf-zijn, vindt hier zijn praktische uitlaatklep. Op deze manier wordt de kosmos gedwongen zich te openbaren en weet het avondland zich te herenigen met het morgenrood.

Odysseus blijft hier een geniale illustratie van:

Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing. (uit Manifest)

P.

De onzinnige zinnigheid

Alles wat we zien is vanzelfsprekend. We ordenen iedere gewaarwording in ruimte en tijd dankzij onze zintuiglijkheid en verstrikken deze in een netwerk van gronden dankzij de structuur van ons kenvermogen. Waarvoor dank, Immanuel Kant. Het is dus niet verwonderlijk dat vele filosofen onze werkelijkheid redelijk hebben genoemd en vice versa (cf. Hegel). Alles wat daarbuiten valt bestaat niet. Natuurlijk is dat wel, maar we kunnen daar geen zinnige uitspraak over doen. Als we het denken van de analytische taalfilosofie van Wittgenstein volgen valt deze buiten de wereld. In dat opzicht bestaan er twee werelden: de ordelijke wereld die wij als dusdanig ervaren en de “werkelijke” wereld die zich daarbuiten schuilhoudt.

Nuja, schuilhouden …

Immanuel Kant stelde ons denken ooit voor als een eiland temidden van een gigantische oceaan. Wat we werkelijk kunnen kennen is slechts beperkt. Alles wat buiten het eiland bestaat is het Ding an sich, das Unbekannte. We kunnen daarover redeneren, maar we hebben daar geen kennis over. Die is immers beperkt door onze zintuigelijkheid en ons kenvermogen. Maar dat Ding an sich was veel te eigenaardig om met rust gelaten te worden. Als we het denken van Arthur Schopenhauer volgen is het Ding an sich een onbewuste bron van kennis, die zich door het lichaam laat vertalen als de wil. Ons empirische denken wordt daardoor on- en voorbewust beïnvloed door de wil. Sigmund Freud zou daar later nog heel wat mee aanvangen. Ergo: wat we weten, redeneren en kennen van de wereld heeft niet alleen ons bewuste denken als bron, maar ook het onbewuste.

Daarom stel ik mij de vraag waarom alles wel zo vanzelfsprekend moet zijn, want die ordelijkheid klinkt te ongelofelijk voor woorden. Moeten we dat juist niet eigenaardig vinden? Waarom is alles logisch en ordelijk, eerder dan absurd en chaotisch? De empiristen stelden dat we geen aangeboren ideeën hebben, wat aannemelijk is. Maar hoe zit het dan met de structuur van ons denken? Het is een veel te immense taak voor onze ouders om ons een denkstructuur mee te geven met een zo doorregen rigiditeit, dat de werkelijkheid noodzakelijk als logisch beschouwd moet worden. Ons verstand moet dus in die mate geschapen zijn dat we al een noodzakelijke basis hebben vanaf onze geboorte om van daaruit een redelijke wereld te bouwen. Maar hoe zit dat dan juist in elkaar? Hoe verschalken wij onszelf in deze speurtocht naar de werkelijkheid? En hoe doorgronden we dit zonder onszelf ten gronde te richten?

P.

Schuld en onschuld van de wil

Het dier is evenwel naïever dan de mens, als de plant naïever is dan het dier. In het dier zien we de wil tot leven als het ware naakter dan in de mens, waar hij met zoveel kennis bekleed en bovendien door het vermogen om te veinzen is verhuld, dat het ware wezen bijna slechts toevallig en gedeeltelijk te voorschijn komt. Geheel naakt, maar ook veel zwakker, manifesteert hij zich in de plant, als pure blinde drang tot bestaan zonder enig doel. Want de plant openbaart haar gehele wezen aan de eerste de beste toeschouwer en met een volmaakte onschuld, die het niet deert dat zij de genitaliën, die bij alle dieren de meest verborgen plaats hebben gekregen, op haar top tentoonstelt. Deze onschuld van de plant berust op kennisloosheid: niet in het willen, maar in het willen met kennis ligt de schuld. Iedere plant vertelt eerst over haar vaderland, het klimaat aldaar en de gesteldheid van de bodem waaruit zij is ontsproten … Maar bovendien verwoordt elke plant nog de speciale wil van haar soort en zegt iets in wat in geen enkele taal kan worden uitgedrukt.

SCHOPENHAUER, Arthur, De wereld als wil en voorstelling (deel I)