TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Geloof

Dialectiek en Anselmus

Augustinus van Hippo (354-430) stelde vast dat God bestond uit de eeuwige waarheden. Wij, sterfelijke en onvolmaakte wezens, vinden in onze geest noodzakelijke en onveranderlijke waarheden waar wij zelf niet aan de oorsprong van liggen. Wij accepteren ze zoals zij zijn: iets dat ons overstijgt. Op deze manier openbaren de eeuwige waarheden de noodzakelijkheid en onveranderlijkheid van God. Veel verder en strikter wou Augustinus zijn noölogische Godsbewijs niet maken omdat Zijn bestaan zo evident was.

Een aantal eeuw later was het bestaan van God minder evident geworden De oorzaak hiervan ligt in het belang van de dialectiek in de vroege middeleeuwen. De scholing van intellectuelen lag in het systeem van de artes liberales vervat, dankzij Augustinus geaccepteerd als het profane deel van het christelijke curriculum. De beperkte omloop van antieke filosofische teksten verklaart wellicht de nadruk op dialectiek, dat beperkt was het meest elementaire deel van de logica van Aristoteles. Dit zuivere rationele denken moest vroeg of laat in aanraking komen met de theologische inhouden.

In de 11de eeuw werden de artes liberales intensiever beoefend, wat de verhouding tussen rede en geloof op een nieuwe manier problematiseerde: werd het onvoorwaardelijke gezag van de Openbaring niet bedreigd door de profane studie van grammatica en logica? Toch drong deze belangstelling voor dialectiek al snel door in de theologie. Berengarius van Tours (1010-1088) stelde de transsubstantiatie in de eucharistie bijvoorbeeld in vraag.

Toelichting. De substanties brood en wijn kunnen niet zomaar veranderen naar lichaam en bloed volgens de rede, dus gaat het hier om een louter symbolische verandering. Omdat de mens volgens Gods beeltenis en gelijkenis geschapen is moet onze rede beschouwd worden als het goddelijke in ons. Wie de conclusies van de rede dus weigert te accepteren is ongehoorzaam aan God.

Een reactie op deze dialectische trend kwam van H. Petrus Damiani (1007-1072) die het bestaansrecht van een autonoom rationeel denken verwierp. Hij verklaart dat voor God niets onmogelijk is, zelfs niet wat door de logica wordt uitgesloten. God is dus verheven boven de principes van het denken (contradictie beginsel en de wet van de uitgesloten derde) en onze logica is niet toereikend genoeg om de almacht van God te doorgronden. Deze sancta simplicitas maakt deel uit van een schommelbeweging in het spanningsveld geloof-rede bij christelijke denkers.

Een belangrijk godsbewijs kwam van Anselmus van Canterbury (1033-1109), die de standpunten van dialectici en antidialectici probeerde te verzoenen. In zijn Proslogium wou hij een synthese maken van geloof en denken: een positie die zowel rationalistisch als fideïstisch is. De geloofswaarheden hebben een redelijk, wetenschappelijk inzicht nodig, maar anderzijds is het geloof wel de norm voor het denken. Uit zijn werken blijkt een erg sterk vertrouwen in de kracht van de rede.

Anselmus werd beroemd voor zijn ontologische godsbewijs dat aan de ervaring voorafgaat. Vanuit de implicaties van het begrip God komen we op het bewijs dat God bestaat. Uitgaande van de stelling dat God “datgene groter is dan welk niets denkbaar is” stelt hij vast dat God met alle zekerheid bestaat in ons verstand. Immers: wij denken aan God. Zelfs de atheïst die God ontkent heeft een concept God in zijn verstand. Daarna maakt hij een sprong naar het bestaan van God buiten het verstand door te stellen dat zijn stelling onwaar is als God als grootst denkbaar wezen enkel in het verstand zou bestaan. Het niet-bestaan van God is dus een onmogelijke en onhoudbare stelling.

Toelichting. De kritiek op Anselmus’ ontologische Godsbewijs bleef uiteraard niet uit. Hij maakt immers een ongewettigde overgang van de logische (verstand) naar de ontologische orde (buiten het verstand). De grens tussen deze twee ordes wordt bepaald door de menselijke ervaring. In feite gaat Anselmus uit van wat hij wil bewijzen. Daarnaast is de stelling ook voor een andere reden problematisch: door God te willen definiëren bepaal je hem als een wezen. Er is altijd iets groter dan een beperkt iets. Kant, tenslotte, problematiseerde het feit dat Anselmus de existentie beschouwde als iets noodzakelijks voor de essentie. Existentie is echter geen predicaat dat tot de inhoud van een begrip behoort.

P.

“Een heilig ja zeggen”

“Onschuld is het kind en vergeten, een opnieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging, een heilig ja zeggen”.

Nietzsche, “Van de drie gedaantewisselingen”, Aldus sprak Zarathoestra

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche koesterde een diep wantrouwen in de Westerse rationaliteit en heeft daarmee de fundamenten van de Westerse cultuur genadeloos ontmaskert. De theoretisch-Socratische mens die tot aan Hegel toe het volste vertrouwen legt in de redelijkheid van de samenleving, wordt door Nietzsche ter verantwoording geroepen. Dat God dood is, betekent vooral dat de metafysica en de moraal waarop de gehele Westerse cultuur is gebouwd zonder fundament bestaat. Alle vertrouwen valt weg. De waarheid is dus een ingebeelde constructie, een slavenmoraal die maar greep kan krijgen op de werkelijkheid door deze via de rede te ordenen. Deze geordende werkelijkheid is daarom volgens de filosoof een verarming die het leven ontkende in plaats van het te affirmeren. De werkelijke wereld is eerst en vooral machtswil. Het Kind van Nietzsche accepteert de wereld zoals hij is en is daarom in ieder opzicht de Übermensch:

Onschuld: er is geen goed of kwaad meer, geen gegeven vaste grond, geen uiteindelijk doel. Alle leugen is overwonnen.

Vergeten: de ware en schijnbare wereld is verdwenen. Omdat de wereld als schijn gebleken is, zijn we losgekomen van de wil tot onwaarachtige waarheid. Nu is er perspectivisme, interpretatie in een wereld die ondanks al zijn tegenstellingen wordt aanvaard.

Opnieuw beginnen: het Kind schept bewust waarde en waarheid, hij eigent zich het “recht der heren” toe. Hij wierp de zware mantel van de moraal van zich af om moreel te leven.

Een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging: de lineaire tijdsopvatting wordt opnieuw circulair. Alles keert terug in gewijzigde vorm. De eeuwige wederkeer.

Het heilig ja zeggen: het absurde besef van de zinloosheid van het leven wordt overwonnen, omdat de wereld eindelijk als schijn werd ontmaskerd en zo bevestigd werd. Er is geen reden om hierover defaïtistisch te zijn, hierom moet men lachen.

P.

De mens? “Een midden tussen niets en alles”

“Als ik besef hoe blind en ellendig de mens is, wanneer ik heel het zwijgende heelal aanschouw en zie hoe de mens zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf overgelaten is, zonder te weten wie hem daar heeft neergezet, wat hij er komt doen, wat er van hem zal worden als hij sterft, zonder in staat te zijn ook maar iets te weten, dan bevangt me een gevoel van ontzetting, zoals iemand die men in zijn slaap naar een afschrikwekkend en onbewoond eiland heeft vervoerd en die wakker wordt zonder ergens van af te weten en zonder een mogelijkheid om daar weg te komen. En dan verbaast mij, dat men niet vertwijfeld raakt door zo’n ellendige toestand”.

Blaise Pascal, Pensées, °198.

Filosofie heeft de neiging een mens te vereenzamen in zijn eigen gedachten. Als je er echt eens over nadenkt, wat doen we dan eigenlijk op deze verdomde bol? Wij, toevallige organismen die op kosmische termijn niets meer zijn dan een fluisterend geluid tussen twee machtige stiltes? “Zelf er de zin van maken” is een weinig interessant antwoord. Voor iemand als Blaise Pascal moet deze vraag wel heel erg pertinent zijn geweest, omdat in zijn tijd het oude wereldbeeld, waarin alles duidelijk was en alles zijn plaats had, kraakte. Copernicus was al een schok, maar het was Galileo Galilei die in de eerste helft van de zeventiende eeuw de eerste barst in de muur sloeg. Het kon niet langer worden volgehouden dat de aarde het centrum was van een harmonische kosmos zoals Dante in de dertiende eeuw had verbeeld in zijn Divina Commedia. Dat besef moet in die tijd wereldschokkend zijn overgekomen, meer nog dan de Colombiaanse uitwisseling die een eeuw daarvoor een hele resem vastgeroeste denkbeelden aan diggelen heeft geslagen.

Maar zoals Pascal in bovenstaande citaat vaststelt liggen weinig mensen wakker van de “ellendige toestand” waarin de wereld werd overgelaten. De ‘Geworpenheid’, die de mens dwingt te existeren, moet hem onderweg murw hebben geslagen. Ik vermoed dat het komt omdat de mens zich graag in cocons nestelt; hapklare sferen waarin een kant-en-klaar referentiekader klaarligt om alles vanzelfsprekend te vinden. Door het “trickle-down”-effect komen die filosofische schokken pas later en daardoor minder hard aan. Vanuit die beperking blijft er wel een mate van verwondering en vrijheid mogelijk, maar veel verder reikt de verbeelding niet, omdat ze geen vruchtbare voedingsbodem biedt. Net zoals schipbreukelingen zonder perspectief blijven ze achter op het eiland waarop ze worden geworpen en zullen daar dan ook in alle onwetendheid sterven. Pascal strekte de zeilen en stelde een filosofisch probleem vast dat nazindert tot in postmoderne tijden:

“Want wat is de mens tenslotte in de natuur? Een niets vergeleken met het oneindige, een Al in vergelijking met het niets, een midden tussen niets en alles, oneindig verre ervan de uitersten te bevatten; het begin en het einde der dingen blijven onverbiddelijk verborgen in een onoplosbaar mysterie”

Pensées, °199

En toch: wie is het meest gelukkig? Diegene die rusteloos wroet naar de wortels van het bestaan om zich van zijn sluiers te ontdoen of diegene die vrede neemt met zijn geprefabriceerde illusies?

P.

Chesterton: The Maniac

Shall I tell you where the men are, who believe most in themselves? For I can tell you. I know of men who believe in themselves more colossally than Napoleon of Caesar. I now where flames the fixed star of certainty and success. I can guide you to the thrones of the Supermen. The men who really believe in themselves are all in lunatic asylums.

CHESTERTON, Gilbert Keith, Orthodoxy, Hendrickson Publishers, Peabody, 2006, 9

“Wellust werd de worm gegeven!”

Noot: Over twee weken begin ik terug aan De Broers Karamazov. Het zal het vierde jaar zijn dat ik terug aan het boek begin (en zal eindigen). Het is mijn favoriete boek. Een favoriet boek is zoals je dierbaarste geliefde, denk ik soms. Er zijn talloze potjes en dekseltjes, maar toch overtuig je jezelf ervan dat er maar één dekseltje bestaat dat op slechts één potje past. Hetzelfde geldt voor boeken. Het gaat om een aantrekkingskracht die je niet kan verklaren. Hieronder een tekst die misschien wel, misschien niet, een deel van het geheim van mijn aantrekking tot dit magische boek kan ontsluieren.

 ————————————————————–

“En ik ben zo’n worm, broer, dat is speciaal over mij gezegd. En wij, Karamazovs, zijn allemaal net zo, ook in jou, engel, leeft die worm en veroorzaakt stormen in je bloed. Stormen, omdat de wellust een storm is, erger dan een storm!”

De westerse geest staat lijnrecht tegenover de Russische ziel, meent Dostojevski. De gebroeders Karamazov van zijn gelijknamige roman zijn daar een goede illustratie van. Het verhaal vindt plaats in het Russische provinciestadje Skotoprigonjevsk, een universum waar de Rede slechts theoretische nonsens lijkt. Het hoofdverhaal draait rond de moord op de ontaarde en stompzinnige vader Fjodor Pavlovitsj Karamazov, hoewel er onzekerheid heerst over zijn moordenaar. Zijn zoon Dmitri is de hoofdverdachte, die met zijn vader een onenigheid heeft rond een erfenis en een jonge vrouw genaamd Groesjenka. Naast Dmitri (Mitja) wordt ook het bastaardkind annex dienstknecht Smerdjakov in verband gebracht met de moord. Deze werd besmet met het amoralisme van Ivan uit Fjodors tweede huwelijk. Ivan is een raadselachtige, verwarde atheïst die auteur is van ‘de grootinquisiteur van Sevilla’. Daarin sleept hij Jezus voor de inquisitie omdat hij de mensheid met iets onmogelijks heeft opgezadeld, namelijk vrijheid.

Het verhaal culmineert in een rechtbankdrama waarin de begrippen moraal en waarheid zorgvuldig worden behandeld en uiteindelijk een vonnis wordt gesteld. Religie speelt een sleutelrol in het boek, die een stabiliserende factor is en een gemeenschap aan elkaar smeedt. Recente filosofische dwalingen en een groeiend individualisme schudden deze gemeenschap echter stevig door elkaar. Dostojevski laat de eclatante twisten in het provinciestadje afwisselen met gebeurtenissen die zich afspelen in het klooster, dat zich net buiten de stad bevindt. In de beschrijving van het contemplatieve en mystieke leven van ‘Aljosja’ Karamazov, de jongste zoon van de patriarch, en starets Zosima ziet Dostojevski een ideaalbeeld van de verloren harmonie. Maar ook in deze harmonische gemeenschap gebeuren vreemde dingen, die de kosmische orde verstoren.

Het religieuze element moest en zou de ‘goede Russische ziel’ karakteriseren. De ongelovigen doet de personages in het boek belanden in een maalstroom van slecht verwerkte ideeën die hun oorsprong vinden in de West-Europese Verlichting. Zij leiden vooral tot de ondermijning van het traditionele geloof zonder daar een alternatief tegenover te stellen. Daardoor lijkt Dostojevski de tragische zin van het leven te begrijpen door de hand van de wijsheid van het hart en niet door de Rede, dat de waarheidszoekende mens enkel op een dwaalspoor zou zetten. In het boek zijn de atheïsten gemartelde individuen die niet wegraken van de gemeenschap maar er ook niet naar terug kunnen. In de negentiende eeuw bestond de opvatting dat monniken parasieten, genotzoekers, wellustelingen en onbeschaamde vagebonden waren. Dostojevski wist dat dit beeld niet klopte. Zijn jeugd had hij doorgebracht in een diepreligieus huishouden en ieder jaar had hij zijn ouders vergezeld op hun pelgrimstocht naar het Drievuldigheidsklooster van de Heilige Sergius buiten Moskou.

Dostojevski toont duidelijk de complexiteit aan tussen destructieve vader-zoonrelaties, de stormachtige discrepantie tussen westerse en Slavische maatschappijbeelden en atheïsme en het geloof. Hij komt echter niet prekerig over. Het boek is een odyssee waarin hij zijn filosofische vraagstukken uitvoerig uitwerkt, maar op een manier dat de personages zelf op zoek zijn naar de waarheid. Het is deze subtiele zoektocht naar vraag en antwoord die het boek zo bijzonder maakt, omdat de verleiding tot atheïsme zo reëel en overtuigend lijkt alsof Dostojevski zelf een atheïst is geworden.

De latente maatschappijkritiek die Dostojevski levert is subtiel maar krachtig. Zo klaagt hij het westerse rationalisme aan omdat ze geen ruimte overlaat aan de spirituele dimensie. Deze is volgens hem net cruciaal. Voor hem is de Rede niet de hoogste vorm van kennis. Daarom staan figuren zoals Ivan Karamazov en zijn broer Aleksej zo sterk in contrast met elkaar, ondanks hun familiebanden. De ene is compleet het noorden kwijt en de andere wordt door velen bewonderd voor zijn oprechtheid. Door de zwaarmoedige manier van schrijven is het geen gemakkelijk boek om te lezen. Maar het laat een stevige indruk na bij de lezer. Het is een van die literaire meesterwerken die maandenlang blijft nazinderen. Bovendien eindigt het boek met een relatief positieve noot, waarbij de actoren in waardigheid groeien. Ondanks de duistere gedachten die in het boek verschijnen, geloofde Dostojevski dat Rusland ooit haar eigen twijfels en haar eigen onwerkelijkheid zou overstijgen en moreel superieur zou staan tegenover het Westen. Wellicht had hij nooit durven denken dat dit in de vorm van een communistische staat zou zijn.

 

P.