TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Geschiedenis

Mishima: de speling van de wil

When Honda reflected upon his own character, he had no choice but to conclude that he was a man possessed of a will. At the same time, however, he could not avoid misgivings as to the ability of that will to change anything or to accomplish anything even in contemporary society, let alone in the course of future history. Often his courtroom decisions had determined whether a man lived or died. Such a verdict might have seemed of extreme significance at the time, but as the years passed – since all men were fated to die – it turned out that he had merely hasted a man’s fate; and that the deaths had been neatly consigned to one corner of history, where they soon disappeared. And as for the disturbing conditions of the present world, though his will had had nothing to do with bringing these about, he as a judge was ever at their beck and call. How much the choices made by his will proceeded from pure reason and how much, without his realizing it, they were coerced by the prevailing thought of the period was a question he was unable to decide.

Yukio Mishima, Runaway Horses

Een andere versie van het nature vs. nurture-debat. De mens als historisch wezen: een game-changer op basis van zijn wilskracht of een speelbal van historische factoren? We ontsnappen niet aan onze historiciteit en dat botst met onze neiging om dat toch te willen doen, net omdat we geconfronteerd zijn met onze eindigheid.

Geschiedenis is iets vreemds: hoewel zij aan ons verschijnt als een solide blok met afgelijnde periodes, is zij echter een fluïde entiteit die verandert door de manier waarop de mens omgaat met zijn historisch bewustzijn. Dominante tijdsgeesten worden immers gerelativeerd wanneer je ons historisch zelfverstaan in perspectief plaatst. Stroom en tegenstroom, flux en reflux: meer dan een dualiteit is zij, door haar wisselende spel van woord en wederwoord die een complexe reeks aan gebeurtenissen in gang zet, de motor van onze voortgang in de tijd. Dat spelelement vergeten is jezelf verankeren in een Eeuwig Heden: het domein van de beschaafde barbaar.

P.

Advertenties

Hannah Arendt over omwentelingen

“(…) typisch voor de beruchte omkeringen van filosofische systemen of waardehïerarchieën is dat ze het conceptuele kader zelf intact laten. Dit geldt in het bijzonder voor Marx, die ervan overtuigd was dat het volstond Hegel op zijn kop te zetten om de waarheid te vinden – d.w.z. de waarheid van het hegeliaanse systeem, die ligt in de ontdekking van de geschiedenis als dialectisch proces.”

Twee frequente gissingen vloeien m.i. voort uit dit citaat.

Gemakshalve delen we de geschiedenis op in tijdperken. Daaruit komt de eerste gissing. Waar duidelijk contrast een klare visie kan vormen, zijn theorie en praktijk, zoals vanouds, sterk verschillend. Tijdperken laten lange schaduwen na, sporen die moeilijk uitwisbaar zijn omdat ze onderhuids lopen en nog altijd de funderingen vormen van ons huidige denken. West-Europa zit bijvoorbeeld in een seculier tijdperk, maar het is naïef te denken dat we de religieuze mantel volledig van ons hebben afgeslagen. Ons begrip van de klassieke Griekse filosofie werd gevormd in de antieke Oudheid. Tijdperken vloeien in elkaar over en maken sprongen over andere tijdperken heen. Epicurisme dook bijvoorbeeld opnieuw op in de Renaissance, na duizend jaar verdrongen te zijn door andere denksystemen.

Een tweede gissing wordt mogelijk gemaakt door de eerste. Maar al te vaak kom ik mensen tegen die op basis van een paar “triggerwoorden” een oordeel klaar hebben staan waarvan ze zelden willen afwijken. Vaak is het dan een kwestie om met handen en voeten uit te leggen dat er toch een aantal belangrijke nuances zijn, waardoor je hoopt dat het oordeel wijzigt. Helaas betrap ik mezelf op die lelijke manieren. Dat is menselijke koppigheid. Als iedereen zijn eigen stoep vrij maakt, wordt de wereld een mooiere plek, luidt het gezegde. Dat geldt ook voor wanordelijke gedachten.

P.

Pitirim Sorokin spreekt …

The organism of the Western society and culture seems to be undergoing one of the deepest and most significant crises of its life. The crisis is far greater than the ordinary; its depth is unfathomable, its end not yet in sight, and the whole of the Western society is involved in it. It is the crisis of a Sensate culture, now in its overripe stage, the culture that has dominated the Western World during the last five centuries. It is also the crisis of a contractual (capitalistic) society associated with it. In this sense we are experiencing one of the sharpest turns in the historical road…. The diagnosis of the crisis of our age which is given in this chapter was written…. Gigantic catastrophes that have occurred since that year…strikingly confirm and develop the diagnosis…. Not a single compartment of our culture, or of the mind of contemporary man, shows itself to be free from the unmistakable symptoms….

Shall we wonder, therefore, that if many do not apprehend clearly what is happening, they have at least a vague feeling that the issue is not merely that of “prosperity,” or “democracy,” or “capitalism,” or the like, but involves the whole contemporary culture, society, and man? …

Shall we wonder, also, at the endless multitude of incessant major and minor crises that have been rolling over us, like ocean waves, during recent decades? Today in one form, tomorrow in another. Now here, now there. Crises political, agricultural, commercial, and industrial! Crises of production and distribution. Crises moral, juridical, religious, scientific, and artistic. Crises of property, of the State, of the family, of industrial enterprise…Each of the crises has battered our nerves and minds, each has shaken the very foundations of our culture and society, and each has left behind a legion of derelicts and victims. And alas! The end is not in view. Each of these crises has been, as it were, a movement in a great terrifying symphony, and each has been remarkable for its magnitude and intensity.

Sorokin, Pitirim A. Social and Cultural Dynamics. 4 vols. 1937 (vols. 1-3), 1941 (vol. 4); rev. 1957 (reprinted: Transaction Publishers, 1985)., pp. 622-623)

Klik en lees meer.

“Het was alsof er eeuwenlang niets was gebeurd”

In 806 trok de Abbasidische kalief Harun al-Rashid ten strijde tegen de Romeinen, precies langs dezelfde weg die de Sassanidische koning Kavad I enkele eeuwen eerder had genomen tegen dezelfde vijand. Beide heersers trokken regelmatig ten strijde tegen Rum, verrichten lange belegeringen en namen vestigingen in. En weer later veroverden de Romeinen datzelfde stukje terug. Een lange stellingenoorlog avant la lettre, lijkt het wel. En dan was er weer vrede, die niet veel later wankelde om terug uit te barsten in een oorlog. En dan weer dat hele vredesproces met talloze diplomaten in praalkledij die ontvangen werden in de luisterrijke ontvangstruimtes van Constantinopel en Damascus. Het hof gold als een geïdealiseerde microkosmos, om de gastheren zoveel mogelijk te imponeren over de universele macht van de heerser door wie zij zo genadig werden ontvangen. Wanneer islamitische gezanten naar Constantinopel kwamen hanteerden de Romeinse keizers diplomatische handleidingen over hoe Sassanidische diplomaten werden ontvangen. Een breuk in de internationale hofcultuur leek dus niet te bestaan, de ene elite nam de gebruiken van de andere over. De eigenzinnige en symbiotische confrontatie tussen de “Twee Ogen” van de wereld ging onverminderd voort, ook al was er ongelofelijk veel veranderd.

Kosrow II, een van de laatste koningen van de Sassanidische dynastie beschreef de relatie tussen zijn huis en Constantinopel in een brief aan de Romeinse keizer Maurikios als volgt:

“God bracht tot stand dat vanaf het begin de hele wereld verlicht zou moeten worden door twee ogen, namelijk dat van het meest krachtige koninkrijk van de Romeinen en dat van de meest omvattende scepter van de Perzische Staat. Door deze machtigste rijken worden de opstandige en oorlogszuchtige stammen gefnuikt en de koers van de mensheid continu gereguleerd en geleid”.

Het Westerse Romeinse rijk en het Oosterse Perzische rijk deelden dus een kosmisch ideaal van universeel koningschap. Hoewel dit vaak leidde tot bloederige conflicten waarbij keizers gedood en zelfs gevild werden (Sjapoer I die keizer Valerianus overwon), ontstond ook een drukke interculturele uitwisseling die invloed had op de hele regio.

Dat het Sassanidische koninkrijk tien jaar na haar meest verbluffende gebiedsuitbreidingen zou gemaald worden door de tanden van de geschiedenis had niemand voor ogen. Bij aanvang van de zevende eeuw veroverde Kosrow II immers grote delen van Syrië, Anatolië, Egypte en Palestina. Sinds Cyrus de Grote heeft geen enkele Perzische koning zo sterk zijn gebied uitgebreid. Het Romeinse rijk leek op de afgrond te balanceren, maar in de vier jaren dat de Romeinse keizer Heraclius, een geboren vechter van Armeense afkomst, zou afwezig zijn in Constantinopel werd de Sassanidische opmars fors gestuit en zwaar teruggeslagen. De keizer vertrappelde zelfs het heilige “Vuur van de Hengst”. Toen Kosrow II na een aantal zware nederlagen gevangen werd door twee zoons van de Parthische generaal Shahrbaraz, lieten ze hem een aantal dagen verhongeren in zijn paleis met niets anders dan een berg goud en diamanten voor zijn neus, voor hij met pijlen werd doorboord. Het Sassanidische rijk, dat enkele jaren daarvoor over een voortreffelijk leger beschikte en gold als een wereldrijk, zakte weg in een staat van verval en anarchie. Toen de achtjarige Yazdagird III aan de macht raakte, stonden de aanhangers van een nieuw monotheïstisch geloof te trappelen om de restanten van het machtige rijk te veroveren.

Op de ruïnes van het Sassanidische koningshuis verrees het Ummayadische islamitische kalifaat, dat onder leiding van Abd al-Malik een sterk ambtenarenapparaat uit de grond stampte en een islamitisch belastingssysteem instelde. De staatsvorming onder al-Malik consolideerde de Arabische overmacht, die bij aanvang wankel was. Net zoals het vroege christendom werd de vroege islam geplaagd door theologische conflicten die een hele wirwar aan geloofsinterpretaties produceerde. Na een bloederige strijd was de fitna, de “beproeving” tot een einde gebracht. Een orthodoxe interpretatie geldt als een voorwaarde van stabiliteit, zo blijkt. Hoewel de vroomheid van vroegere heidense heersers niet minder sterk was dan die van monotheïstische heersers, lijkt er toch iets fundamenteels veranderd te zijn aan de manier waarop heersers omgaan met religie.

Deze machtsomwenteling die het einde aankondigde van de Oudheid zorgde ook voor een Arabisering van de veroverde gebieden, want de Arabische taal werd als heilig geacht als het woord van God. Men zou gemakkelijk denken dat na al deze bruuske veranderingen geen spaander zou overblijven van het Sassanidische erfgoed. Dit was geen vervanging van heerschappij door een andere Indo-Arische stam, zoals eerder in de geschiedenis gebeurde, maar wel door een heel ander wereldbeeld. De Zoroastrische mobeds moesten halsoverkop vluchten of zagen zich gedwongen om zich te bekeren tot de islam of het christendom. In sommige gevallen werden exorbinante giften verwacht, die de oorlogskas moesten spijzen. Voor de aanhangers van Ohrmazd moest de Arabische inval zeker als het einde der tijden lijken. Maar ook christenen, joden en moslims waren die mening toegedaan.

Oude gewoonten zijn echter hardnekkig, wat vooral voor de Iraanse cultuur geldt in dit opmerkelijk tijdperk van verandering. Neem nu bijvoorbeeld de taal. In vele andere landen werd de enige taal Arabisch, zo succesvol was het staatsapparaat van de kaliefen. Zo niet in Iran. De taal onderging wel degelijk een grote verandering onder invloed van het Arabisch, zo wordt tot op heden de taal bijvoorbeeld in Arabisch schrift geschreven en vele leenwoorden komen uit het Arabisch. De taal overleefde echter omdat de sprekers hun taal heruitvonden naar een veel eenvoudigere vorm van Perzisch (Farsi), net zoals de Engelse taal transformeerde nadat Willem de Veroveraar triomfeerde in 1066.

En de overheersers? Zij deden vrolijk mee met deze renaissance. Enkele eeuwen na de verovering van het Sassanidische rijk hadden Abbasidische kaliefen veel weg van de Perzische shahansjah’s, wanneer zij vertoefden in hun lusthoven en even ijdel waren als hun voorgangers. De Perzische culturele reconquista nam dan ook tijdens en na hun kalifaat een hoge vlucht, toen een sterker verschil zich begon af te tekenen in de architectuur van steden en moskeeën. De kosmokratische idealen die voor de komst van de Islam de Sassanidische hofcultuur bepaalden werden door de Ummayaden en hun Abbasidische opvolgers gretig opgenomen en heruitgevonden. Zodra de Romeinen in de loop van de zevende eeuw herstelden van de schok van de Arabische invallen, leek het alsof er nooit iets was gebeurd, en de fragiele maar extensieve cultuuruitwisseling tussen Oost en West terug op gang kwam. Het lijkt of er niets veranderd was, maar het was wel een wereld van verschil.

P.

Bronnen:

CANEPA, Matthew, The two eyes of the earth. Art and ritual of kingship between Rome and Sasanian Iran, University of California Press, Berkeley, 2009.

AXWORTHY, Michael, Iran. Empire of the mind. A history from Zoroaster to the present day, Penguin Books, London, 2007.

HOLLAND, Tom, Het Vierde Beest. God, de strijd om de wereldmacht en het einde van de oudheid, Athenaeum, Amsterdam, 2012.

“The fabric of cultural history” (Carl E. Schorske)

The historian seeks […] to locate and interpret the artifact temporally in a field where two lines intersect. One line is vertical, or diachronic, by which he establishes the relation of a text or a system of thought to previous expressions in the same branch of cultural activity (painting, politics, etc.). The other is horizontal, or synchronic; by it he assesses the relation of the content of the intellectual object to what is appearing in other branches or aspects of a culture at the same time. The diachronic thread is the warp, the synchronic one is the woof in the fabric of cultural history. The historian is the weaver, but the quality of the cloth depends on the strength and color of the thread. He must learn something of spinning from the specialized disciplines whose scholars have in fact lost interest in using history as one of their primary modes of understanding, but who still know better than the historian what in their métier constitutes stout yarn of true color. The historian’s homespun will be less fine than theirs, but if he emulates their method in its making, he should spin yarn serviceable enough for the kind of bold-patterned fabric he is called upon to produce.

SCHORSKE, Karl, Fin-de-siècle Vienna. Politics and culture., Vintage Books, New York, 1981, xxi-xxii.