TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: God

“Zu den Sachen selbst”

De wereld is niet zomaar wat ze is, voorbij al wat vanzelfsprekend is zit een waarheid waar we met een eigenaardig besef op stuiten. Of dat nu dé waarheid is, valt aan te twijfelen. Je bent nooit zeker. In een wereld waarin Nietzsche God voor dood heeft verklaard, zijn alle ankerpunten brutaal weggeslagen. Toen de Boeddha in een grot stierf, bleef volgens de legende zijn schaduw daar eeuwenlang hangen. De kaders worden vervangen door surrogaten, het schilderij vervormt zich (degradeert?) continu. Almaar door vallen.

Daarom resteert ons, postmodernen, enkel nog de illusie dat we nog goed bezig zijn en dat is niet eens zo verwonderlijk: we zijn door en door gedisciplineerde wezens die, net als de Belgische staat, blijven functioneren, ook al is de richtingaangevende sturing weggevallen. Het wereld is een speelveld, een theatraal evenement waarin we de reeks gebeurtenissen aan elkaar proberen te weven tot één groot verhaal:

“ONSCHULD IS HET KIND EN VERGETEN, EEN OPNIEUW BEGINNEN, EEN SPEL, EEN UIT ZICHZELF ROLLEND RAD, EEN EERSTE BEWEGING, EEN HEILIG JA ZEGGEN”.

Een van de voornaamste redenen waarom ik filosofie in avondonderwijs ben gaan studeren is een verlangen naar een voller en rijker begrip van het bestaan; het sprokkelen van nieuwe perspectieven om mijn leven richting te geven; mijn weg te vinden tussen de grote woorden; te weten wat voor impact woorden hebben. In de fenomenologie van Husserl, waarvan een samenvatting toevallig naast me ligt, vind ik een perspectief dat ik graag verder wil uitdiepen: dat er helemaal geen sprake is van een strikte scheiding tussen het subject en de wereld daarbuiten, maar dat we altijd betrokken zijn op deze wereld. In die zin is iedere verschijning van die buitenwereld aan ons een onmiddellijk en direct spreken van de werkelijkheid. Het wegslagen van artificiële barrières, zoals we vandaag de zogenaamde comfort zone bijvoorbeeld kennen, leidt tot existeren en niet tot een louter marktconform bestaan.

P.

Kierkegaard: “waarheen vlieden?”

De heide moet bij uitstek geschikt zijn krachtige geesten tot ontplooiing te brengen; alles ligt daar naakt en open en bloot voor God en er is daar geen plaats voor veel verstrooiing, geen plaats voor de vele hoeken en gaten waarin het bewustzijn zich kan verbergen en waar het voor de ernst vaak zo moeilijk is de verstrooide gedachten terug te vinden. Hier moet het bewustzijn zich helder en precies om zichzelf omsluiten. Op de heide moet de waarheid gezegd worden: “Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht!”.

Kierkegaard, Søren, Dagboeken, Amsterdam: De Arbeiderspers, s.d., 79.

Dialectiek en Anselmus

Augustinus van Hippo (354-430) stelde vast dat God bestond uit de eeuwige waarheden. Wij, sterfelijke en onvolmaakte wezens, vinden in onze geest noodzakelijke en onveranderlijke waarheden waar wij zelf niet aan de oorsprong van liggen. Wij accepteren ze zoals zij zijn: iets dat ons overstijgt. Op deze manier openbaren de eeuwige waarheden de noodzakelijkheid en onveranderlijkheid van God. Veel verder en strikter wou Augustinus zijn noölogische Godsbewijs niet maken omdat Zijn bestaan zo evident was.

Een aantal eeuw later was het bestaan van God minder evident geworden De oorzaak hiervan ligt in het belang van de dialectiek in de vroege middeleeuwen. De scholing van intellectuelen lag in het systeem van de artes liberales vervat, dankzij Augustinus geaccepteerd als het profane deel van het christelijke curriculum. De beperkte omloop van antieke filosofische teksten verklaart wellicht de nadruk op dialectiek, dat beperkt was het meest elementaire deel van de logica van Aristoteles. Dit zuivere rationele denken moest vroeg of laat in aanraking komen met de theologische inhouden.

In de 11de eeuw werden de artes liberales intensiever beoefend, wat de verhouding tussen rede en geloof op een nieuwe manier problematiseerde: werd het onvoorwaardelijke gezag van de Openbaring niet bedreigd door de profane studie van grammatica en logica? Toch drong deze belangstelling voor dialectiek al snel door in de theologie. Berengarius van Tours (1010-1088) stelde de transsubstantiatie in de eucharistie bijvoorbeeld in vraag.

Toelichting. De substanties brood en wijn kunnen niet zomaar veranderen naar lichaam en bloed volgens de rede, dus gaat het hier om een louter symbolische verandering. Omdat de mens volgens Gods beeltenis en gelijkenis geschapen is moet onze rede beschouwd worden als het goddelijke in ons. Wie de conclusies van de rede dus weigert te accepteren is ongehoorzaam aan God.

Een reactie op deze dialectische trend kwam van H. Petrus Damiani (1007-1072) die het bestaansrecht van een autonoom rationeel denken verwierp. Hij verklaart dat voor God niets onmogelijk is, zelfs niet wat door de logica wordt uitgesloten. God is dus verheven boven de principes van het denken (contradictie beginsel en de wet van de uitgesloten derde) en onze logica is niet toereikend genoeg om de almacht van God te doorgronden. Deze sancta simplicitas maakt deel uit van een schommelbeweging in het spanningsveld geloof-rede bij christelijke denkers.

Een belangrijk godsbewijs kwam van Anselmus van Canterbury (1033-1109), die de standpunten van dialectici en antidialectici probeerde te verzoenen. In zijn Proslogium wou hij een synthese maken van geloof en denken: een positie die zowel rationalistisch als fideïstisch is. De geloofswaarheden hebben een redelijk, wetenschappelijk inzicht nodig, maar anderzijds is het geloof wel de norm voor het denken. Uit zijn werken blijkt een erg sterk vertrouwen in de kracht van de rede.

Anselmus werd beroemd voor zijn ontologische godsbewijs dat aan de ervaring voorafgaat. Vanuit de implicaties van het begrip God komen we op het bewijs dat God bestaat. Uitgaande van de stelling dat God “datgene groter is dan welk niets denkbaar is” stelt hij vast dat God met alle zekerheid bestaat in ons verstand. Immers: wij denken aan God. Zelfs de atheïst die God ontkent heeft een concept God in zijn verstand. Daarna maakt hij een sprong naar het bestaan van God buiten het verstand door te stellen dat zijn stelling onwaar is als God als grootst denkbaar wezen enkel in het verstand zou bestaan. Het niet-bestaan van God is dus een onmogelijke en onhoudbare stelling.

Toelichting. De kritiek op Anselmus’ ontologische Godsbewijs bleef uiteraard niet uit. Hij maakt immers een ongewettigde overgang van de logische (verstand) naar de ontologische orde (buiten het verstand). De grens tussen deze twee ordes wordt bepaald door de menselijke ervaring. In feite gaat Anselmus uit van wat hij wil bewijzen. Daarnaast is de stelling ook voor een andere reden problematisch: door God te willen definiëren bepaal je hem als een wezen. Er is altijd iets groter dan een beperkt iets. Kant, tenslotte, problematiseerde het feit dat Anselmus de existentie beschouwde als iets noodzakelijks voor de essentie. Existentie is echter geen predicaat dat tot de inhoud van een begrip behoort.

P.

“Op zoek naar een goddelijker God”

‘De vraag is echter of deze reductionistische en formalistische benadering de religie zelf geen geweld aandoet. Kan de ‘religie’ wel losgemaakt worden van haar binding met een specifieke geloofstraditie en gemeenschap, van haar inbedding in een rituele praxis, van haar concrete morele geboden en verboden? Paradoxaal genoeg keert het verwijt dat De Vries en sommige andere hedendaagse filosofen aan de klassieke ontotheologie* maken als een boemerang naar henzelf terug. Een van Heideggers terechte verwijten aan de metafysica als ontotheologie was dat zij werkte met een godsopvatting die volledig was losgeraakt van de levende (christelijke) religie waarin de metafysica impliciet of expliciet haar inspiratie vond. Tot de God als causa sui (“oorzaak van zichzelf”, een concreet voorbeeld van een invulling van het godsbegrip door de ontotheologie),

“kan de mens niet bidden, noch kan hij hem offers brengen. Voor de causa sui kan de mens noch uit eerbied op de knieën vallen, noch kan hij voor deze god musiceren en dansen”.

Zo luidde het harde verwijt van Heidegger aan de metafysica als onotheologie. Vandaar dat hij op zoek gaat naar een goddelijker god.’

JONKERS, Peter, ‘God in Frankrijk: de erfenis van Heidegger.’, in: JONKERS, P. en WELTEN, R. (red.), God in Frankrijk. Zes hedendaagse Franse filosofen over God., Damon, Budel, 2003, 14.

*Ontotheologie: de filosofie studie aan het Zijnswezen van God.

°124 – “Tegen de horizon van het oneindige”

Wij hebben het land verlaten en zijn scheep gegaan! We hebben de brug achter ons, – sterker nog, we hebben het land achter ons afgebroken! Welaan, scheepje! opgepast! Naast je ligt de oceaan, het is waar, hij brult niet altijd, soms ligt hij erbij als zijde en goud en als een dromerij over het goede. Maar er komen uren, dat je zult inzien dat hij oneindig is en er niets vreselijkers bestaat dan oneindigheid. Ach, die arme vogel, die zich vrij gevoeld heeft en tegen de wanden van deze kooi botst! Wee jou, wanneer het land-heimwee je overvalt, alsof daar meer vrijheid geweest was, – en er is geen ‘land’ meer!

Nietzsche, De Vrolijke Wetenschap, °124

“Er valt hier iets te verrichten!”

Hieronder een fraai staaltje van negentiende-eeuwse Slavofilie, de grote tegenhanger van de liberaal-progressieve stroming die in de negentiende eeuw in Rusland bestond. Terwijl de ene stroming in Rusland het derde Jeruzalem zag, keken anderen naar het Westen, en dan vooral naar Frankrijk, om Rusland te bevrijden van haar reactionaire neigingen. Dostojevski ervoer in zijn jonge jaren een Aha-erlebnis in een gevangenis in Siberië, toen hij opgepakt was omdat hij behoorde tot de radicale kring van Petrasjevski, die socialistische en idealistische ideeën had. In een eerder artikel op deze blog heb ik Dostojevski en de Slavofielen in dit ruimer kader geplaatst: “Wellust werd de worm gegeven!”. Het onderstaande stukje is een citaat van Prins Mysjkin, oftewel de idioot in de gelijknamige roman.

Luister eens, Parfjon, je hebt mij zoëven een vraag gesteld: hier is mijn antwoord: de kern van het religieuze gevoel kun je bij geen redenaties, geen vergrijpen of misdaden, bij geen enkele atheïstische theorie onderbrengen; het gaat hier om iets totaal anders, altijd over iets anders; wij hebben hier te maken met iets, waar het atheïsme altijd en eeuwig op zal uitglijden en alle atheïsten zullen het eeuwig over iets anders blijven hebben. Maar de hoofdzaak is dat je deze waarheid het duidelijkst en snelst opvalt in een Russisch hart en dat is dan mijn konklusie! Dit is een van mijn voornaamste overtuigingen die ik uit ons Rusland meeneem. Er ligt hier een arbeidsveld braak, Parfjon! Er valt hier iets te verrichten in onze Russische wereld, geloof mij!

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 274.

De knaap met drie harten

De deur stond open. Vanuit de wagen zagen we dat de avond rood en goud blonk in het grachtwater langs de weg. Binnen was er schemer, en ik had een kaars in een gekleurde papieren lampion aangestoken – een oude gewoonte uit de tijd toen ik nog alleen was. Dat gaf een zeer genoeglijke stemming: de gezichten hadden in dit licht een wondere glans, en mijn wagen leek wel eens zoo ruim en zoo diep, met geheimzinnige hoeken in de schemering. De dichter lag te bed, de vrouw zat naast hem, de handen gevouwen om haar knieën.

“Er was eens een knaap waarvan verteld werd dat hij drie harten had in plaats van één. Van toen hij nog kind was voelde hij in zijn borst voortdurend een scherpe pijn en een zwaarte; hij voelde zich ook anders dan zijn jonge vrienden die zonder kommer of achterdenken door het leven gingen. Maar al wie vriendschap of hartelijkheid noodig had kwam tot hem: het was bekend dat hij buitengewoon goed was en medelijdend voor de dompelaars van het leven. Maar het werd pas een vreemde geschiedenis wanneer zekeren dag, toen hij ziek was, de geneesheer ontdekte dat die drie harten van goud waren.

De knaap groeide op tot een jonge man en een groot kunstenaar die van God de genade kreeg op het klavier de diepste en geheimste verborgenheden van het menschenhart uit te kunnen spreken. Hij speelde voor zalen vol rijke, edele vrouwen en kunstenaars, voor beroemde meesters, voor edelen en voor koningen.

Maar hij bleef een goed en ootmoedig mensch. Hij verdiende fortuinen met zijn spel; hij kreeg bloemen als een vorst die begraven wordt; vrouwen lagen aan zijn voeten. Maar het goud gaf hij weg aan armen en aan zieken; de koningin zond hem een gouden uurwerk, hij schonk het aan een bedelaar. Waar hij langs kwam kusten de vrouwen zijn handen en de kinderen liepen hem op straat achterna. Dat duurde jaren; hij werd een oud man; zijn oogen werden dof, zijn haar werd wit; zijn handen beefden en er kwamen diepe rimpels boven zijn oogen. Er kwamen dagen dat hij de muziek niet meer kon lezen en zijn handen niet meer zeker waren van hun weg over de witte toetsen. Er kwam een tijd dat de kunstenaar vergeten werd; er kwam een tijd dat hij arm werd.

 Maar hij bleef altijd even mild en vrijgevig: al wie tot hem kwam hielp hij en de armen langs de straat ondervonden niet eens dat de kunstenaar nu minder rijk was dan vroeger. Maar niemand vermoedde ook hoe het kwam dat zijn hand altijd opnieuw gevuld was, en waar hij het goud haalde dat hij zonder meten of tellen zoo royaal rondstrooide. Er was altijd geld, en altijd opnieuw bracht hij de goudsmelter nieuwe stukken goud. Dat duurde zoo jaren.

Dan werd hij ziek, en de dokter die hem onderzocht bevond dat zijn hart bijna heelemaal weggeteerd was; het beetje hart dat hem nog overbleef – ik vergat te zeggen dat deze dokter niets van zijn geheim afwist – moest hij met zorg sparen: het zou hem anders het leven kunnen kosten.

Ja, zoo geschiedde het dat hij zonder bedenken bijna drie keeren zijn hart had weggegeven.

Maar luistert nu: toen hij op zekeren weg morgen voet voor voet en hijgend langs de straatweg ging vond hij op de brug een oud man liggen die gewoon was elke dag van hem een aalmoes te krijgen. Uit gewoonte tastte hij in de zak, maar vond hij niets; zijn laatste stukje goud had hij weggegeven, en het kleine beetje dat hij in zijn borst droeg moest hij met zorg sparen: zijn leven hing er van af.

Hij glimlachte: waarom zou hij nu de eerste keer iemand een aalmoes weigeren? Moest hij weigeren? Wat gaf hij om dat klompje goud daarbinnen? Hij was oud en versleten, en stierf hij vandaag niet, dan toch morgen of een paar dagen later. Wat kwam het er op an?

Het duurde maar een sekond. En een moment later reikte hij de bedelaar een klein stukje goud waaraan bloed hing.

En opeens was er een fel licht rond hem: de morsige bedelaar straalde als een engel; hij nam hem bij de hand en glimlachte. Toen vielen de dingen rond hem weg en de heerlijkheid van het Paradijs omkringde hem.

Wat later vonden twee voorbijgangers de oude kunstenaar en de bedelaar langs de weg liggen: ze waren al koud, en ze hielden elkaar bij de hand.”

VAN DER HALLEN, Ernest, De wind waait, Davidsfonds, Leuven, 1932, 63-65.

En donker zingt mijn bloed …

De kern van alle dingen

is stil en eindeloos

Alleen de dingen zingen

Ons lied is kort en broos

 

En donker zingt mijn bloed

van heimwee zwaar doorwogen

Ik zeil langs regenbogen

Gods stilte tegemoet

– Felix Timmermans.