TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Hegel

Hannah Arendt over omwentelingen

“(…) typisch voor de beruchte omkeringen van filosofische systemen of waardehïerarchieën is dat ze het conceptuele kader zelf intact laten. Dit geldt in het bijzonder voor Marx, die ervan overtuigd was dat het volstond Hegel op zijn kop te zetten om de waarheid te vinden – d.w.z. de waarheid van het hegeliaanse systeem, die ligt in de ontdekking van de geschiedenis als dialectisch proces.”

Twee frequente gissingen vloeien m.i. voort uit dit citaat.

Gemakshalve delen we de geschiedenis op in tijdperken. Daaruit komt de eerste gissing. Waar duidelijk contrast een klare visie kan vormen, zijn theorie en praktijk, zoals vanouds, sterk verschillend. Tijdperken laten lange schaduwen na, sporen die moeilijk uitwisbaar zijn omdat ze onderhuids lopen en nog altijd de funderingen vormen van ons huidige denken. West-Europa zit bijvoorbeeld in een seculier tijdperk, maar het is naïef te denken dat we de religieuze mantel volledig van ons hebben afgeslagen. Ons begrip van de klassieke Griekse filosofie werd gevormd in de antieke Oudheid. Tijdperken vloeien in elkaar over en maken sprongen over andere tijdperken heen. Epicurisme dook bijvoorbeeld opnieuw op in de Renaissance, na duizend jaar verdrongen te zijn door andere denksystemen.

Een tweede gissing wordt mogelijk gemaakt door de eerste. Maar al te vaak kom ik mensen tegen die op basis van een paar “triggerwoorden” een oordeel klaar hebben staan waarvan ze zelden willen afwijken. Vaak is het dan een kwestie om met handen en voeten uit te leggen dat er toch een aantal belangrijke nuances zijn, waardoor je hoopt dat het oordeel wijzigt. Helaas betrap ik mezelf op die lelijke manieren. Dat is menselijke koppigheid. Als iedereen zijn eigen stoep vrij maakt, wordt de wereld een mooiere plek, luidt het gezegde. Dat geldt ook voor wanordelijke gedachten.

P.

Advertenties

Parijs, 21 januari 1942


Op bezoek bij Charmile in de rue Bellechasse.

De klok loopt sneller bij zulke gesprekken – net als vroeger in de oerwouden. Voor dat effect zijn diverse factoren nodig – schoonheid, volledig geestelijk contact en nabijheid van gevaar. Ik probeer dan het verloop te vertragen door reflectie. Die remt het smalle rad van de tijd.

Ik vind een mens – dat is net zoiets als: ‘Ik ontdek de Ganges, Arabië, de Himalaya, de Amazone’. Ik dwaal in zijn geheimen en uitgestrektheden en haal schatten uit hem te voorschijn, en daarbij verander ik en leer ik. In die zin, vooral in die zin, worden wij mede door onze naasten, door onze broeders, vrienden, vrouwen gevormd. In ons blijft het vermoeden van andere klimaten hangen – zo sterk dat ik bij sommige ontmoetingen voel: ‘Deze man moet die-en-die hebben gekend’. Zoals de goudsmid zijn teken graveert in zijn juwelen, zo brengt het contact met een mens een merkteken in ons aan.

JÜNGER, Ernst, Parijse dagboeken 1941-1943, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1986.

“Een heilig ja zeggen”

“Onschuld is het kind en vergeten, een opnieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging, een heilig ja zeggen”.

Nietzsche, “Van de drie gedaantewisselingen”, Aldus sprak Zarathoestra

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche koesterde een diep wantrouwen in de Westerse rationaliteit en heeft daarmee de fundamenten van de Westerse cultuur genadeloos ontmaskert. De theoretisch-Socratische mens die tot aan Hegel toe het volste vertrouwen legt in de redelijkheid van de samenleving, wordt door Nietzsche ter verantwoording geroepen. Dat God dood is, betekent vooral dat de metafysica en de moraal waarop de gehele Westerse cultuur is gebouwd zonder fundament bestaat. Alle vertrouwen valt weg. De waarheid is dus een ingebeelde constructie, een slavenmoraal die maar greep kan krijgen op de werkelijkheid door deze via de rede te ordenen. Deze geordende werkelijkheid is daarom volgens de filosoof een verarming die het leven ontkende in plaats van het te affirmeren. De werkelijke wereld is eerst en vooral machtswil. Het Kind van Nietzsche accepteert de wereld zoals hij is en is daarom in ieder opzicht de Übermensch:

Onschuld: er is geen goed of kwaad meer, geen gegeven vaste grond, geen uiteindelijk doel. Alle leugen is overwonnen.

Vergeten: de ware en schijnbare wereld is verdwenen. Omdat de wereld als schijn gebleken is, zijn we losgekomen van de wil tot onwaarachtige waarheid. Nu is er perspectivisme, interpretatie in een wereld die ondanks al zijn tegenstellingen wordt aanvaard.

Opnieuw beginnen: het Kind schept bewust waarde en waarheid, hij eigent zich het “recht der heren” toe. Hij wierp de zware mantel van de moraal van zich af om moreel te leven.

Een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging: de lineaire tijdsopvatting wordt opnieuw circulair. Alles keert terug in gewijzigde vorm. De eeuwige wederkeer.

Het heilig ja zeggen: het absurde besef van de zinloosheid van het leven wordt overwonnen, omdat de wereld eindelijk als schijn werd ontmaskerd en zo bevestigd werd. Er is geen reden om hierover defaïtistisch te zijn, hierom moet men lachen.

P.

Hegel, Ik en een ander

“Het zelfbewustzijn bereikt slechts zijn bevrediging in een ander bewustzijn (…). Het is op en voor zichzelf, wanneer en doordat het voor een ander op en voor zichzelf is, d.w.z. het bestaat slechts als iets, dat erkend wordt” (G.W.F. Hegel, Phänomenologie des Geistes, 1807)

Hegel bouwt bij dit citaat een noodzakelijke brug tussen onszelf en de wereld daarbuiten. Een mens “stelt” zichzelf immers niet op eigen houtje vast, daarvoor is een dialectisch proces nodig dat hem naar een groeiende zelfontvouwing brengt. Wanneer alleen ikzelf mijn eigen Ik erken, treedt naderhand vervreemding op. Het moet immers ongelofelijk frustrerend zijn dat je in geen enkel opzicht erkend wordt. Deze vervreemding doet afbreuk aan je zelfbewustzijn. Het is pas door onszelf af te toetsen aan de buitenwereld en aan de “andere” dat ik tot een concreet zelfbewustzijn kom. De strijd voor erkenning, stelt de Franse filosoof Paul Ricoeur vast, gaat er immers om dat ik van de ander het bewijs krijg dat ik een zelfstandig bewustzijn ben. “Welbedankt, meneer en mevrouw, dankzij onze onderlinge dialectische conflictsituatie ben ik wie ik ben. En bemoeit u zich daar verder liever niet meer mee, ik kijk reeds uit naar een andere confrontatie”. Op deze manier leiden deze continue confrontaties met anderen tot een sterker zelfbewustzijn waarmee ik mezelf kan positioneren in de wereld. Wat dat betreft hebben we dus elkaars subjectiviteit in handen. Stel je dat eens voor! Misschien kan ik daaruit afleiden dat wij de maskers opzetten die de Andere voor ons houdt?

P.

Max Stirner en het Egoïsme

‘In plaats van belangeloos de grote egoïsten te dienen, wens ik zelf een egoïst te zijn’

Het beroemdste werk van Max Stirner, Der Einzige und sein Eigenthum, werd in 1844 uitgegeven en blijft tot op de dag van vandaag een belangrijke invloed uitoefenen op anarchistische individualisten. De invloed van de Hegeliaanse filosofie is sterk aanwezig aangezien zijn werk gebaseerd is op de Hegeliaanse triade: these – antithese – synthese. Een stelling dient zich aan, die een weerwoord krijgt en door de dialectiek een nieuwe synthese als gevolg krijgt. Door net als Feuerbach de filosofie te binden aan het individu ontwikkelt Stirner enkele belangrijke levensfases: het materialistische kind, de idealistische jongere en de egoïstische volwassene. Uit de antithese materialisme/idealisme worden twee belangrijke vragen behandeld: ‘wat ben ikzelf?’ en ‘hoe komt het egoïsme aan het zelf?’. Net als Immanuel Kant richt Stirner zich dus op het subject. Uit de val van het idealisme, want de mens wordt immers een slaaf van de idee zelf, groeit de nieuwe synthese dat het Egoïsme genoemd wordt. Maar in tegenstelling tot de libertarische denker Ayn Rand wil Stirner dit egoïsme niet legitimeren aan de hand van de rede, het menselijke leven of de rechtvaardigheid. Hij wijst de dualiteit tussen rede en onrede immers af. Stirner legitimeert niet omdat iedereen, zonder uitzondering, een egoïst is omdat iedereen zichzelf dient.

Wat houdt dit nu in? Egoïsme beschouwt Max Stirner als het volgen van de eigen belangen als uniek individu. Het enige morele punt van referentie is het individu zelf. Het ‘Ego’ hecht Stirner vast aan het begrip ‘Eigendom’. Dit is een uitdrukking van een vrijwillige relatie en heeft niets te maken met een ‘band’. Het onderscheid tussen een gewilde relatie of een opgelegde relatie is belangrijk. Een voorbeeld van een gewilde relatie is een vrijwillige afspraak tussen twee individuen. Een opgelegde relatie is de band tussen de burger en de staat, omdat de burger daarin geen keuze heeft. Daarom wijst Stirner wetten af omdat ze geen gewilde afspraak is tussen mensen, maar omdat ze ‘heilig’ zijn en dus ‘opgelegd’. Hij wijst rechten en regels af omdat de enige rechtmakende regel de macht is. De mens bezit alles dat hij binnen zijn macht kan bezitten en vasthouden. Daarom is zelfbedruipendheid een leidend principe dat boven de wet staat. Vrijheid kan volgens Stirner enkel bereikt worden wanneer dat alles wat een individu bezit zijn eigendom is omwille van zijn macht. Hij is dan immers zelf eigenaar en is aan niemand iets verschuldigd.

Consequent met zijn afwijzing van wetten, wijst Stirner ook de staat af omdat het niet zonder wetten kan bestaan. De staat is evenmin als de wetten een heilig instituut en de welvaart die de staat genereert is niet de welvaart van het individu en daarom weigert Stirner opofferingen te doen aan deze staat. De opofferingen die het individu moet doen aan de staat belemmert immers zijn bewegingsvrijheid. De staat onderwerpt en exploiteert het individu. Omwille van dit besef is Stirner van mening dat de staat vernietigd moet worden en acht hij de strijd tussen de egoïsten en de staat als onvermijdelijk. Dit moet gebeuren via rebellie en niet via revolutie. Revolutie zorgt in de ogen van Stirner immers voor een andere niet-wenselijke politieke of sociale toestand, terwijl rebellie vertrekt vanuit het Ego; het is dus een opstand van individuen. Wanneer de staat vernietigd is zal er enkel de Unie van de Egoïsten bestaan, informele groepen egoïsten die worden samengehouden door een gemeenschappelijk belang. Elk individu zal binnen zo een groep zijn eigen individueel karakter versterken via gemeenschappelijk ‘gebruik’ van elkaar. De eigen macht zal er voor zorgen dat iedereen binnen zijn eigen capaciteit bezit heeft over zijn eigendom. Stirner zegt dat hier geen sprake zal zijn van vervolgingen, dwang en onderdrukking omdat iedereen zijn eigen uniekheid zal verdedigen. Niemand bezit immers meer dan dat hij zelf kan vasthouden, omdat een overmatig bezit zou leiden tot zelfvernietiging. Dit is volgens Stirner waar Egoïsme: het zelfbesef dat het individu niet over anderen wil heersen en dat het enige wat het individu beperkt zichzelf is: bezit wordt immers beperkt door de macht, en macht is vrijheid. Het Egoïsme zal een spontane en ware unie tussen individuen creëren omdat er geen nood is aan conflicten.

Stirner beïnvloedde het denken van Friedrich Nietzsche, hoewel deze Stirner nooit heeft vermeld in zijn werken. Maar enkele dominante thema’s van Nietzsche’s werken doen wel erg Stirneriaans aan: de afwijzing van traditionele ethiek, het concept van de Übermensch en de wil tot macht. Nietzsche pleit voor een terugkeer naar een meer primitieve en natuurlijke toestand waarin deugden zoals moed en kracht belangrijk zijn. Daarvoor was een meer individueel-gerichte attitude voor nodig, die de stenen tafelen van de slavenmoraal zou vernietigen. Net als Stirner wijst Nietzsche het bestaan van ‘absolute regels’ af (God is immers dood), omdat vrijheid enkel kan komen vanuit het individu die de traditionele moraal afwijst. Immers: ‘we moeten de moraal afwijzen, opdat we moreel kunnen leven’. Het is de Übermensch die een herenmoraal creëert, waardoor hij zichzelf onafhankelijk verklaart van de moraal behalve als de Übermensch daaruit voordeel kan halen.

 

Max Stirner, de eerste anarchist

P.