TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Heidegger

Parmenides’ ontologische keerpunt

Toen Parmenides van Elea zijn filosofische inzichten in een hexametrisch gedicht plaatste was de pre-Socratische filosofie gekomen tot een synthesemoment. Heraclitus probeerde het materialisme van de Milesische natuurfilosofie te combineren met het Pythagorese formalisme. De eerste probeerde de kosmos te verklaren aan de hand van een oerstof, terwijl Pythagoras een mathematische grondstructuur van de metafysica uit de grond stampte. Aan de hand van de haast metafysische oerstof vuur vatte Heraclitus het idee van een goddelijke logos die de wereld bezielt.

Voor Parmenides was de synthesepoging van Heraclitus echter ontoereikend en bracht hiertegen een ontologisch keerpunt in stelling: we kunnen de kosmos enkel begrijpen als een abstract Zijn. Heraclitus’ synthese wordt in Hegeliaanse zin afgewerkt en aufgehoben:  het Zijnde vindt zijn verklaring louter in zichzelf en niet in een materiële, sensibele wereld die toch niet gekend kan worden. Parmenides maakt een strikte scheiding tussen het denken en de zintuigelijke ervaring, respectievelijk de intelligibele en de sensibele wereld. Zie in navolging hiervan ook René Descartes’ scheiding tussen de res cogitans en de res extensa of de fenomenale en noumenale wereld van Immanuel Kant.

De sensibele wereld is een contingente wereld van ontstaan en vergaan, veelheid, beweging en verandering. We kunnen haar ervaren door onze zintuigen, maar het logische denken leert volgens Parmenides dat deze parade van aanschouwingen onmogelijk is om te vatten. Zij is in wezen contradictorisch en daarom is de waarheidsaanspraak van de zintuigelijke ervaring waardeloos. Enkel het menselijke denken kan de waarheid (aletheia) onthullen, en niet het blinde oog, het suizende oog of de radde tong waaruit een mening (doxa) ontstaat. Daarom is enkel het Zijn werkelijk, bereikbaar via het denken.

Tegenover deze opheffing plaatst Parmenides statica en dynamica radicaal tegenover elkaar, wat in zijn gedicht respectievelijk neerkomt op de Weg van de Waarheid en de Weg van de Mening.

De Weg van de Waarheid (aletheia)

De basisstelling van de eerste weg is eenvoudig: het Zijnde is, het niet-Zijnde is niet. Toch heeft deze tegenstelling verreikende consequenties: dit Zijnde is eeuwig, onveranderlijk en ondeelbaar terwijl het niet-Zijnde onmogelijk wordt gemaakt. Veelheid, meent Parmenides, is een logische contradictie. Kijk naar de beweging van A naar B. Het zijnde A en het zijnde B kunnen niet tegelijk zijn en niet-zijn. A kan niet hetzelfde zijn als B, en toch wordt dit beweerd. Volgens de strikte wet van het contradictieprincipe is dit een onmogelijkheid. Onze wereld vol beweging en verandering is dus niet de ware wereld.

De Weg van de Mening (doxa)

De sensibele wereld lijkt dus tegelijk te zijn en niet te zijn en kan daarom niet tot waarheid komen. Dit is de wereld van de Mening, gebaseerd op de zintuigelijke waarneming. Parmenides probeert in dit gedeelte de schijn te begrijpen, maar destilleert daaruit enkel meningen en geen waarheden. Hij loochent immers deze realiteit, omdat zij slechts een soort schim is van de werkelijkheid. Dit doet denken aan de grot van Plato: onze wereld is beperkt tot dansende schimmen tegen de wanden. Het enige zijnsgehalte dat Parmenides de wereld wil vergunnen is die van de droom of hallucinatie.

Tussen Zijn en niet-Zijn … ?

De verhouding tussen de intelligibele en sensibele wereld wordt al snel problematisch. De strikte scheiding tussen Waarheid en Mening is onhoudbaar wegens haar absolute exclusiviteit. Het ene is pure affirmatie en de andere pure negatie. Plato zal in zijn dialoog De Sofist zeggen dat er een relatief niet-Zijn bestaat: zij is immers constitutief voor het Zijn. Daarnaast wordt het contradictieprincipe aangepast, waardoor een veelheid mogelijk wordt. Aristoteles vult dit verder aan: een niet-Zijn is in bepaald opzicht wél een Zijn dankzij het begrip potentie. Een wereld vol beweging is voor Parmenides een schijnwereld omdat niets werkelijk is, maar voor Aristoteles zijn deze niet-Zijnden mogelijke Zijnden; zij gaan van potentie naar act, van niet-Zijn naar Zijn.

… en verderop

Het probleem van de verhouding tussen een sensibele en intelligibele wereld bestaat ook in het moderne denken. We kunnen de bestaande werkelijkheid enkel denken, maar nooit volledig kennen (Kants’ Ding-an-Sich). Daarnaast stuit onze rede ook op onvermijdelijke grenzen en wordt zij door onbewuste krachten beïnvloed (Schopenhauer, Nietzsche, Freud). De Duitse filosoof Martin Heidegger schreef over de ontologische Seinsvergessenheit als een grondtrek van de hele Westerse beschaving sinds Plato. We zijn in die mate gefascineerd geraakt door de Zijnden dat we de vraag naar het Zijn stilaan zijn vergeten. Daarom pleitte Heidegger voor een stap terug naar de grond van de metafysica en naar het gebeuren van het Zijn. Het is immers niet de mens die vat krijgt op het Zijn, maar zij valt ons toe op verschillende manieren doorheen ons bestaan:

„Ob es (das Seiende) und wie es erscheint, ob und wie der Gott und die Götter, die Geschichte und die Natur in die Lichtung des Seins hereinkommen, an- und abwesen, entscheidet nicht der Mensch. Die Ankunft des Seiendes beruht im Geschick des Seins.”

P.

Advertenties

Heidegger over de richtingloze mens

“De poging om planmatig een ordening aan de aardbol op te leggen is tevergeefs als de mens zichzelf niet schikt naar het toespreken van de landweg. Het gevaar dreigt dat de hedendaagse mensen doof blijven voor zijn spreken. Tot hun oor dringt alleen nog maar het lawaai van apparaten door, die ze bijna voor de stem van God houden. Aldus raakt de mens verstrooid en richtingloos. (…) Het Eenvoudige is ontvlucht. Zijn stille kracht is verdord.”

Voor Heidegger is de mens ingebed in een groter gebeuren waar hij geen vat op heeft, maar die zich wel af en toe laat onthullen. De vrijheid van de mens ligt in het feit dat hij de grond sticht waarop een wereld wordt ontworpen. Op deze manier brengen wij de zijnden in de wereld aan het licht. Daarom verstaat Heidegger het begrip waarheid als een dynamisch spel waarin verhulling en onthulling elkaar afwisselen. De techniek verstoort de mens echter in dit spel, blijkt uit bovenstaande citaat. Hij is als het ware zijn centrum verloren waaraan hij zijn stabiliteit in dit dynamische spel verleent.

P.

HEIDEGGER, Martin, De landweg, Budel: Uitgeverij DAMON, 2001, 20.

 

Gedachten bij de zelfmoord van Dominique Venner

Ik geef toe dat ik weinig had gehoord over de man, maar naar aanleiding van zijn dramatische zelfmoord  vandaag in de Notre Dame van Parijs  kon ik een blogpost niet laten. Een aantal zaken leken me heel frappant, om te beginnen bij Venners’ laatste blogpost voor zijn afscheid van de wereld:

Il faudrait nous souvenir aussi, comme l’a génialement formulé Heidegger (Être et Temps) que l’essence de l’homme est dans son existence et non dans un « autre monde ». C’est ici et maintenant que se joue notre destin jusqu’à la dernière seconde. Et cette seconde ultime a autant d’importance que le reste d’une vie. C’est pourquoi il faut être soi-même jusqu’au dernier instant. C’est en décidant soi-même, en voulant vraiment son destin que l’on est vainqueur du néant. Et il n’y a pas d’échappatoire à cette exigence puisque nous n’avons que cette vie dans laquelle il nous appartient d’être entièrement nousmêmes ou de n’être rien.

Dat geeft stof tot nadenken.

Het zou makkelijk zijn te stellen dat hij vlucht van een maatschappij waarin hij niet functioneert. Als je echter zijn afscheidsbrief leest, besef je dat hij niet wegloopt van een maatschappij maar een offer brengt: “J’offre ce qui me reste de vie dans une intention de protestation et de fondation”. Wat me treft is de eerlijkheid die Venner tegenover zichzelf en de buitenwereld etaleert. Die consistentie is merkwaardig.

De Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler gebruikte in Mensch und Technik het beeld van de Romeinse soldaat die nog op wacht bleef staan toen de pyroclastische vulkaanwolk doorheen Pompeii raasde. Historisch kan je dat voorbeeld nog beginnen ontkrachten, maar dat is niet het punt. Het gaat hier over een existentialistisch zinnebeeld dat het open vizier benadrukte; de ontwaakte, zelfbewuste mens die voorbij de schijn kijkt; het authentiek zelf-zijn; Existenzerhellung und Weltorientierung (K. Jaspers). Het zinnebeeld is te bewonderen omdat het om een consistente levenshouding gaat. Dààr gaat het om.

P.

“Mens, ziet gij de afgrond onder uw voeten niet?”

‘Tegelijk ontkent het intern bemiddeld subject de doorslaggevende invloed van de ander: het houdt vol autonoom te handelen en zelf te beschikken over zijn begeerte; het zou zich beledigd voelen wanneer iemand beweert dat zijn begeerte wordt beïnvloed door de begeerte van een ander. Omwille van dit ondergronds karakter van de interne bemiddeling leidt de moderne mythe van de menselijke autonomie en de onmiddellijke begeerte – in de terminologie van Girard: de romantische leugen – zo een taai bestaan.’

Uit een introductie over René Girard van Prof. G. Vanheeswyck.

De post-moderne mens loopt wat verloren rond. Hij lanterfantert met veel kabaal, maar zegt niets wezenlijks. Zijn moderne voorouders waren zeker van hun stuk: de mens is autonoom en kan vooralsnog de wereld naar zijn hand zetten. Toch raakt Girard hier aan een gevoelige snaar. Hoe autonoom zijn we als individuen? De meeste mensen wagen zich wellicht niet aan deze reflectie. En waarom zouden ze? Het illusoire omhulsel waarin we worden opgevangen vanaf onze geboorte verzacht het al te verschrikkelijke besef van onze Geworpenheid. We hangen ons snel vast aan voorgekauwde wereldbeelden zonder ons nog maar één kritische vraag daarbij te stellen. Alles is te vanzelfsprekend in al haar onmiddellijkheid. Krijgen we wel tijd om stil te staan bij de zinloosheid van het bestaan? Ik vind van niet. Soms heb ik de indruk dat de meeste mensen zonder meer bestaan, maar niet existeren. Misschien maar goed ook. In onze afgrondelijke cultuur is er niets verschrikkelijkers dan in de afgrond te kijken. Wie weet kijkt deze wel terug?

P.

De mens? “Een midden tussen niets en alles”

“Als ik besef hoe blind en ellendig de mens is, wanneer ik heel het zwijgende heelal aanschouw en zie hoe de mens zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf overgelaten is, zonder te weten wie hem daar heeft neergezet, wat hij er komt doen, wat er van hem zal worden als hij sterft, zonder in staat te zijn ook maar iets te weten, dan bevangt me een gevoel van ontzetting, zoals iemand die men in zijn slaap naar een afschrikwekkend en onbewoond eiland heeft vervoerd en die wakker wordt zonder ergens van af te weten en zonder een mogelijkheid om daar weg te komen. En dan verbaast mij, dat men niet vertwijfeld raakt door zo’n ellendige toestand”.

Blaise Pascal, Pensées, °198.

Filosofie heeft de neiging een mens te vereenzamen in zijn eigen gedachten. Als je er echt eens over nadenkt, wat doen we dan eigenlijk op deze verdomde bol? Wij, toevallige organismen die op kosmische termijn niets meer zijn dan een fluisterend geluid tussen twee machtige stiltes? “Zelf er de zin van maken” is een weinig interessant antwoord. Voor iemand als Blaise Pascal moet deze vraag wel heel erg pertinent zijn geweest, omdat in zijn tijd het oude wereldbeeld, waarin alles duidelijk was en alles zijn plaats had, kraakte. Copernicus was al een schok, maar het was Galileo Galilei die in de eerste helft van de zeventiende eeuw de eerste barst in de muur sloeg. Het kon niet langer worden volgehouden dat de aarde het centrum was van een harmonische kosmos zoals Dante in de dertiende eeuw had verbeeld in zijn Divina Commedia. Dat besef moet in die tijd wereldschokkend zijn overgekomen, meer nog dan de Colombiaanse uitwisseling die een eeuw daarvoor een hele resem vastgeroeste denkbeelden aan diggelen heeft geslagen.

Maar zoals Pascal in bovenstaande citaat vaststelt liggen weinig mensen wakker van de “ellendige toestand” waarin de wereld werd overgelaten. De ‘Geworpenheid’, die de mens dwingt te existeren, moet hem onderweg murw hebben geslagen. Ik vermoed dat het komt omdat de mens zich graag in cocons nestelt; hapklare sferen waarin een kant-en-klaar referentiekader klaarligt om alles vanzelfsprekend te vinden. Door het “trickle-down”-effect komen die filosofische schokken pas later en daardoor minder hard aan. Vanuit die beperking blijft er wel een mate van verwondering en vrijheid mogelijk, maar veel verder reikt de verbeelding niet, omdat ze geen vruchtbare voedingsbodem biedt. Net zoals schipbreukelingen zonder perspectief blijven ze achter op het eiland waarop ze worden geworpen en zullen daar dan ook in alle onwetendheid sterven. Pascal strekte de zeilen en stelde een filosofisch probleem vast dat nazindert tot in postmoderne tijden:

“Want wat is de mens tenslotte in de natuur? Een niets vergeleken met het oneindige, een Al in vergelijking met het niets, een midden tussen niets en alles, oneindig verre ervan de uitersten te bevatten; het begin en het einde der dingen blijven onverbiddelijk verborgen in een onoplosbaar mysterie”

Pensées, °199

En toch: wie is het meest gelukkig? Diegene die rusteloos wroet naar de wortels van het bestaan om zich van zijn sluiers te ontdoen of diegene die vrede neemt met zijn geprefabriceerde illusies?

P.

Manifest

They’re making the last film

they say it’s the best
And we all helped make it
It’s called the death of the West

Death in June, Death of the West

Van nature uit ben ik een optimist met apocalyptofiele neigingen, iemand die zou kunnen dansen op de muziek van het legendarische orkest op de zinkende Titanic. Daarom voel ik me ontzettend aangetrokken tot een cultuurpessimisme van het principe wat zou moeten zijn is er niet; wat is, zou er niet mogen zijn. Intuïtief voel ik aan dat onze tijd uit haar lood is geslagen. Toch zit in de neergang een vertrouwd gevoel, alsof ik in een vroegere bestaansvorm het allemaal al eens heb meegemaakt. Dit maakt deel uit van een cyclus. De neerval heeft daarom veel weg van de herfst onder een gouden oktoberzon. Dan bewaart de Natuur haar meest verbluffende schoonheid voor de laatste momenten; een belofte voor de lente na de winterse stemmigheid; de neerval als een noodzakelijke voorwaarde voor de hernieuwing.

Ik ben geen kamikazepiloot, maar verschrikkelijker dan de dood van het lichaam is de dood van de ziel. Daarom beangstigt de acedia mij: de ontmoediging die zich meester van je maakt en je fataal verlamt. Een soort verinnerlijkte lobotomie die me meesleurt in een overweldigende maalstroom. Leven op automatische piloot; het vermogen verliezen om te verwonderen; deel uitmaken van een vormeloze massa; zelf vormeloos zijn: dat is levensschennis. Plato verklaarde dat de cultivatie van de eigen ziel de hoofdplicht is van iedere mens. Daarom beschouw ik het Zelf niet als iets vanzelfsprekends, maar als een omvangrijke microkosmos waarvan ik de architect ben.

Net daarom wil ik de wereld begrijpen, zodat ik mezelf een positie kan verschaffen. Mijn wereldopvatting is een symbiose van twee verschillende werelden. De eerste bevindt zich in het praktische, intuïtieve veld: de ervaring van het Immense. Vandaar William Blake: if the doors of perception are cleansed, everything appears as it truly is: infinite. Toch is ook de theoretische, kritische ideeënwereld van mijn academische scholing waardevol gebleken. Deze heeft me de zin voor nuance bijgebracht, waardoor ik mezelf heb bevrijd uit dogmatische, enggeestige denkkaders. Het raakveld van het intuïtieve en het kritische is meermaals zeer vruchtbaar gebleken.

Ja, er knaagt iets aan me, alsof een onderhuidse bacil het einde van haar incubatieperiode heeft bereikt. Een dreigende, fatale acedia die de wereld rondom mij reeds heeft aangetast staat klaar om toe te slaan. Daarom dit essay: mijn voertuig van zelfontdekking; mijn wapen tegen de innerlijke onverschilligheid. Ik schrijf het omdat ik lijd aan de filosofische aandoening bij uitstek: de kritische reflex om in mezelf iets ontoereikends te vinden. Daaruit vertrekt een drang naar absolute actie van binnenuit. Voor mij moet een bijzonder doel zijn weggelegd. Toch vertel ik met veel schroom over mijn Weltschmerz. Weet je, het ligt niet in mijn aard zo open te zijn over een innerlijk groeiproces. Want eerlijk gezegd … weet ik in godsnaam niet wat ik met deze bevreemdende apotheose moet aanvangen.

Losbreken uit de droom

“All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

Lawrence of Arabia, The Seven Pillars of Wisdom

Wanneer ik ontwaak word ik vaak overvallen door een eigenaardig gevoel. Er is dan een subtiele substantie aanwezig die niet uit deze dimensie komt. Het is een geur die me prikkelt of een lang vergeten smaak en altijd dat ene onheimelijk gevoel dat ik terug ben van een lange reis. Het is vreemd in een kamer te zijn die je bekend aandoet, maar tegelijk ook onwerkelijk en vals. Links en rechts verdwijnen droomgestalten even snel als ze verschijnen. Ik ben wakker en kan mezelf niet bewegen, noch heb ik invloed op de omgeving rond mij. Behoorlijk benauwend. Is dit een droom binnen een droom? Een illusie die zich rond mij ontvouwt om mij te misleiden? Een angstwekkende fantasmagorie die me onwrikbaar vastzet in een fort dat tot enig doel heeft de architect ervan op te sluiten? Dit noem ik de schemerzone : een raadselachtige mengeling van illusie en realiteit. En dan breek je er plots uit. Het is dat ene moment waarop ik alles beheers en begrijp, hoewel ik het niet onder woorden kan brengen. Het is een existentieel, intuïtief gevoel bij uitstek.

Hoewel hevig beïnvloed door ideologische processen, onbewust geïnduceerd constructiedenken en andere extra-individuele invloeden, ervaren we de wereld vooral als individu, vanuit ons innerlijke zelf. En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande, maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Het is daarom niet noodzakelijk het ware, het goede, het rechtvaardige of het vrije, maar het is wel het mijne en het enige waarvan ik zekerheid heb. Dat is best een bevrijdende gedachte.

Maar waarom dat benauwde gevoel in die “schemerzone” tussen droom en werkelijkheid? Een aangeboren schaamte voor onze vrijheid, die bij ontwaking ligt te lonken? Misschien is vrijheid wel iets angstaanjagends sinds de dood van God:  we zijn tot de vrijheid veroordeeld (Sartre). De wereld is aan zichzelf overgelaten, zonder transcendente referentiepunten. Het was echter niet voor niets dat Nietzsche het van zich afwerpen van deze schaamte als de lakmoesproef van onze bevrijding beschouwde. De vrijbuiter George Hanson, het personage van Jack Nicholson uit Easy Rider, beschrijft de angst voor vrijheid zeer goed:

“Mensen praten en praten en praten over vrijheid, maar zodra ze een vrij individu zien, krijgen ze er schrik van”

De mens is een wandelende paradox: hij verafschuwt heimelijk wat hij samen met de massa naar verlangt. Daarom stelde Nietzsche’s Zarathoestra wellicht de vraag of de mens het wel verdient om vrij te zijn.

De Pelgrim …

Er waart één oergestalte in mij rond: de Pelgrim. Terwijl stripfiguren bij hun innerlijke jihad al-akhbar links en rechts een zilverzuiver engeltje en een rood latexduiveltje zien verschijnen, duikt in mijn verbeelding de witgepijde Pelgrim met Janusgezicht op. De Kamerfilosoof behoedt je voor het Immense, de Hamerfilosoof wil je erin duwen. De mythe van Odysseus illustreert hun samenspel op een formidabele manier. Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing.

De Pelgrim als gestalte komt in vele gedaanten voor, in iedere sociale laag, beschaving, klasse en tijdsspanne. Ik zie hem op het scherm, kom hem tegen in boeken, ervaar hem op reis of ontdek hem in reisverslagen en briefwisselingen. Hij is Jack Kerouac, Alexander Supertramp en Henry David Thoreau maar ook de oermens die de Beringstraat overstak. In deze gestalte erken en ontdek ik mezelf. Hij schaamt zich niet voor zijn aangevatte pelgrimage, maar is behoedzaam om zijn geheim te delen met anderen. Hij weet hoe de hoi polloi reageert wanneer iemand hen wakker schudt uit vastgeroeste inbeddingen en burgerlijke verwachtingspatronen. Nietzsche’s Zarathoestra leek als een dief in de nacht en als hij niet overkwam als een hansworst, waren zijn eerste redevoeringen meteen de laatste geweest. Zijn geheim behoudt hij slechts voor enkelingen die hij waardig genoeg acht.

Kirilov, een personage uit Boze Geesten van Dostojevski, verklaart dat als God niet bestond hij wel uitgevonden werd. Waar dit op duidt is niet moeilijk: iedereen heeft een centrum nodig, een basiswaarde die als fundament dient. Wie het niet in zichzelf vindt, zoekt het wel buiten zichzelf, projecteert dit op een God of iets anders. Kirilov gaat zelfs verder: zonder God is zelfmoord onvermijdelijk. Met dit tragische personage illustreert Dostojevski op een magistrale wijze hoe een bestaan zonder centrum verloren gaat in betekenisloosheid. Op dat moment overwint de acedia. De Pelgrim heeft een centrum, de axis mundi  van zijn bestaan, ontdekt. Dat is zijn absolute ankerpunt.

… en de gesel des Tijds

De Tijd is de grote motor van de maalstroom die geschiedenis heet. Wie er niet willoos door wil worden meegesleurd, moet de Tijd beheersen. De Pelgrim doet dit via de Mythe, een tijdloze werkelijkheid en het zingevende centrum van zijn bestaan. Waar de Tijd voor de moderne, profane mens homogeen is, betekende de Mythe voor de traditionele mens een belangrijke breuk in de Tijd. Deze “heilige Tijd”, in tegenstelling tot de profane Tijd, komt in ritmische intervallen aanzetten, waarin de Mythe telkens wordt herhaald. Door dit besef heb ik iets belangrijks geleerd: de historische, lineaire tijd is niet noodzakelijk de enige realiteit. Er bestaat een heel andere tijdservaring die helemaal niet homogeen en lineair is. Dat maakt dat Tijd een speelveld is, waarvan de spelregels worden bepaald door wie het spel beheerst. Wie zijn Tijd meester is, beheerst zichzelf. Net als de mens is de Tijd iets wat overkomen moet worden. 

In een van de beginscènes van de cultfilm Easy Rider gooit Henry Fonda, een Pelgrimsgestalte bij uitstek, zijn horloge nonchalant weg na een laatste keer naar het uur te kijken. Deze handeling symboliseert een bevrijding van de homogene Tijd. We hebben onszelf een streng regime opgedrongen. Eén dat alle gevoel voor kwalitatieve tijdsbeleving verdoofde en ons een valse spiegel voorhield. De Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade merkte op dat de Tijd niet alleen seculier geworden is, maar zich ook onafwendbaar naar de dood neigt. Fonda mijdt de acedia en gooit zijn horloge, vertegenwoordiger van deze doorgedreven Tijdsgedachte, weg. Hij bevrijdt zich daardoor van de maalstroom. Het weggooien van de horloge impliceert een terugkeer naar de kwalitatieve, innerlijke tijdservaring, zoals deze door traditionele volkeren werd beleefd.

Fonda’s personage creëert een breuk in de Tijd door de Mythe aan te wenden. Zij geldt eveneens als een transcendent referentiepunt van binnenuit. In de jaren ‘30 klom de Italiaanse traditionalist en alpinist Julius Evola vaak in de Alpen. Op een van zijn expedities verbouwde hij samen met een aantal kameraden een oude berghut naar een kleine nachtclub, waar hij op een grammofoon jazzplaten speelde. Rum en kirsch worden bovengehaald en in een dronken roes besluiten ze naar buiten te gaan. Wanneer ze het bevroren bergmeer betreden worden zij getroffen door iets subliems, dat de meest primordiale aard van hun bestaan doet ontwaken. Op deze onverbiddelijke plek, waar het tweeëntwintig graden vriest, de vallei diep-zwart afsteekt tegen de witte kronen van de bergreuzen en het krakende bergmeer onder zijn voeten angst en verwondering verwekt, ervaart de Italiaan een moment dat het leven overstijgt. Door grenservaringen op te zoeken wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren aan het individu.

In 1935 zag de Lierse letterkundige Ernest Van der Hallen zich genoodzaakt om het verstikkende Europa te verlaten en reisde als moderne pelgrim doorheen Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar zocht en vond hij het gevoel het leven te beheersen. Toch laat hij in zijn reisverslagen regelmatig teleurstellingen optekenen, wanneer hij in de voetsporen treedt van Christus in het Heilige Land. Wanneer hij in de kapel van Sint-Helena aan de Golgothaheuvel een misviering bijwoont, wordt deze ruw verstoort door “een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd”. Door deze ervaring legt hij zeer nadrukkelijk de vinger op de wonde: de genius loci, de ‘ziel’ van de plek, wordt aangetast door de profane wereld. De dood van God heeft de Mythe fragiel gemaakt. Zij valt niet meer structureel te ervaren, enkel existentieel. 

Harmonie van Pen en Zwaard

In de Tantrafilosofie is theorie zonder actie (kriya) waardeloos, ijdel en vaag. De Wang Yangmingschool uit het vijftiende eeuwse China gaat zelfs verder. Actie was geen gevolg van de theorie, maar een noodzakelijke voorwaarde om kennis te verwerven. Iedere kennis die pas later werd omgezet in actie was vals en waardeloos: “weten en niet handelen is niet-weten”. Over consistent denken en handelen gesproken! Zoroaster, de Perzische wijsgeer, stelt het heel eenvoudig: “Juist denken, juist spreken, juist handelen”. Niet zo eenvoudig als het lijkt. Een idee ondergaat heel wat invloeden en tegenwind wanneer het in de praktijk wordt omgezet. Soms lukt het gewoon niet om een idee te actualiseren, omdat de omstandigheden er op dat moment niet – en misschien zelfs nooit – naar zijn. In zulke situaties overvalt de neerslachtigheid je. Je denkt misschien dat je in de verkeerde tijd bent geboren, dat je deel uitmaakt van een generatie die vele jaren of zelfs eeuwen geleden bestond. Het noodzakelijke draagvlak ontbreekt om iets voor jezelf te betekenen. En zo lijkt de wereld om je heen de uiteindelijke overwinnaar.

Maar wat als de wereld om een ideaal heen kan worden gebogen? Wat als het ideaal een onbewogen beweger was, het centrum van de wereld? Zou dat geen wonder zijn? In het Hossoboeddhisme is er een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd bleek hij uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij het: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? Als je ervan uitgaat dat de wereld zoals wij die kennen een subjectieve creatie van onze eigen geest is, lijken de mogelijkheden van het proces van idee naar praktijk plots minder nadelig voor het idee te zijn. De menselijke geest geeft de wereld een betekenis.

Hierbij heb ik de grenzen aardig verlegt, maar waar stopt het? Als er een ding is dat ik heb geleerd in mijn zoektocht, dan is dat blindheid je grootste vijand is. Je moet nuance kunnen aanbrengen zonder daarom noodzakelijk water in de wijn te doen. Je kan grenzen verleggen, maar daarbij verleg je ook een aantal verantwoordelijkheden. Net daarom is zelfkennis zo belangrijk. De subjectieve waarneming van de wereld maakt niet dat je deze volledig naar je hand kan omzetten. Conventies bestaan bijvoorbeeld om de onderlinge handelingen tussen mensen te vereenvoudigen. Het is niet omdat de wereld een creatie is van je eigen geest dat geld plots geen waarde meer heeft, dat verkeerslichten zinloze dingen zijn en dat geweld een middel is om aan anderen je wil op te leggen. Dat is waanzin. Wie continu tegen de stroom ingaat, bevindt zich snel in een tragische affaire. Een andere optie moet mogelijk zijn.

De Tijger

 

“De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”

Nietzsche, Zarathustra

“Dit is een strijd voor de moderne mens, die geen wortels meer heeft in de heilige grond van de traditie en weifelt in zijn zoektocht naar zichzelf tussen de pieken van beschaving en de afgronden van de barbarij, om een bevredigende betekenis te vinden voor een bestaan dat volledig aan zichzelf overgelaten is”.

Robert Reininger

Wie erin slaagt een tijger te berijden voorkomt niet alleen dat hij erdoor wordt aangevallen, maar krijgt ook een kans om deze te verslaan, zo luidt een Oosters gezegde. De tijger symboliseert de maalstroom, die te krachtig is om frontaal te worden geconfronteerd. Op basis hiervan kan een gedragslijn ontstaan voor mensen in een wereld die, na de dood van God, aan zichzelf is overgelaten. Voor de moderne mens, in de wereld geworpen (i.e. Geworfenheit),  komt het erop aan om een positie te vinden waar hij in zichzelf vaste grond vindt. De innerlijke migratie rechtvaardigt een autonoom bestaan. De negatieve anomie van de maatschappij kan daardoor worden omgebogen naar een positieve anomie voor de persoon: de moraal vernietigen om moreel te kunnen leven. Op een dialectische wijze kan de negatie van een negatie immers iets positiefs opleveren, bij wijze van een vrije ruimte voor ontwikkeling.

Dat is dan de aard van mijn levensspel, maar het vragen houdt niet op. Hoe ga ik om met de uitdagingen die het leven mij biedt? Hoe blijf ik trouw aan mezelf? Hoe behoud ik mezelf zonder te worden gestandaardiseerd of geconditioneerd? Hoe word ik mezelf? Al die vragen zijn existentieel van aard. Er bestaat geen algemene handleiding die me daarbij kan helpen. Dit essay markeert mijn positie in het veld, maar is verre van een zaligmakend Schrift. Het is veeleer een momentopname, een palimpsest dat regelmatig moet worden bijgesteld. Toch biedt het houvast tijdens de weifelende zoektocht naar mezelf; biedt manieren om de tijger te bereiden en mezelf te kunnen worden en zijn. Om geen slapend wezen te zijn dat willoos wordt meegesleurd door de maalstroom, maar iemand die zijn Tijd en zijn leven kan beheersen. Daarin ligt mijn nakende apotheose. Ironisch lijkt de zoektocht naar betekenis dus de zin van mijn bestaan te zijn.

Wind en rook

“Adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Ik bevind me in het Letterenhuis van Antwerpen. Verderop een eenzame oudere baliebediende die een krant doorneemt, maar verder niemand. Er hangt een nostalgische zoete houtgeur die typisch is aan plaatsen waar oude boeken en manuscripten rusten. Voor mij ligt de briefwisseling van Ernest Van der Hallen verspreid over de tafel, waar hij aan een vriend zijn ervaringen in het Ruusbroechuisje in het Lierse Begijnhof toevertrouwt. Hij schreef over de winterse stemmigheid van het Begijnhof, waar hij wilde ‘schreeuwen van weelde’. In zijn brieven herken ik dezelfde vragen, dezelfde grieven en dezelfde verlangens die ik heb. Van der Hallen was een Pelgrim, net als ik. Evenveel als Jack Kerouac, Alexander Supertramp, Thoreau en Henry Fonda in Easy Rider. Zij gingen het gevecht met de tijger aan. De ene won. De andere verloor. Maar allen kunnen werkelijk zeggen dat ze hebben geleefd.

De Pelgrim is de voorouderlijke zwerver die uit de oertijden tot mij is gekomen en tot mij spreekt. Wie ooit de eindeloze woestijn of de eeuwige sneeuw heeft gezien, kan bij thuiskomst plots zo worden gegrepen door de lust naar het avontuur dat hij alles laat vallen ter wille van zijn Fernweh. Hij heeft daarginds ‘iets’ ontdekt en indrukken opgedaan die hij voordien nergens vond. Noem het een melancholisch verlangen, maar ik heb een stille wens naar eenzame landwegen, waar de Natuur kan worden ervaren in zowel haar metafysisch oergeweld als haar overweldigende rust en vertrouwdheid. Dan ontwaken de levensgeesten met kracht en voel ik zowel bruisende levensbeheersing als eenvoudige Gelassenheit. Deze magische grenservaring heb ik nergens duidelijker beschreven gezien als in Op de Marmerklippen van de Duitse schrijver Ernst Jünger, waar ik eindig in schoonheid en verwondering:

“Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes […]. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotse rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen in hen de wijnbergen, met schrik én diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook’.

P.

“Hoezo? Niet vrij?”

“Vertel natuurlijk niemand dat ze niet vrij zijn, want dan gaan ze heel druk bezig zijn met moorden en verminken om te bewijzen dat ze het wel zijn. O ja, ze gaan tegen je praten en praten en praten over individuele vrijheid. Maar wanneer ze een vrij individu zien, krijgen ze de schrik te pakken”.

Jack Nicholson in Easy Rider (1969)

Niets doet mensen meer op hun stokpaard krijgen dan zeggen dat ze niet vrij zijn. Natuurlijk, in eerste opzicht klinkt het waanzinnig om dat te zeggen. Enkel een dwaas doet dat, niet? Waarom dan die kanttekening? Dankzij zelfkritiek (i.e. het in vraag stellen van alles wat gangbaar is) worden vanzelfsprekendheden gedwongen zichzelf te openbaren. Zo worden mechanismen ontmaskerd die anders achter een sluier verborgen zijn. Sommige beschavingsdenkers hebben geopperd dat de moderne mens in zijn vooruitgangsdenken zichzelf meer en meer onmachtig heeft gemaakt. Vrijheid kent twee gezichten. Je hebt de systeemvrijheid die voor iedere mens wordt gewaarborgd, doch altijd onderhevig aan de grillen van de Tijd. Daarnaast heb je de existentiële vrijheid dat zich op een heel ander niveau bevindt, maar stilaan uitdooft.

Dit vraagt om verduidelijking. Wat de systeemvrijheid kenmerkt is de afhankelijkheid van het maatschappijsysteem waarin een persoon geworpen (i.e. Martin Heideggers’ Geworfenheit) wordt. Zo heb je op deze wereld staatloze maatschappijen waarin extremistische stammen hun willekeurig geweld laten botvieren, maar ook gebetonneerde democratieën waar je pas politicus lijkt te worden na een verregaande lobotomie. Het spreekt voor zich dat een individu meer “mag” in de ene situatie dan in de andere. Dit wordt bepaald in de grondwet.

Dit is echter een erg arbitraire vorm van vrijheid, want onderhevig aan de maalstroom van de Tijd. Tenzij je migreert, heb je een gegeven set aan mogelijkheden, die in je levensloop kunnen veranderen. Vooral dat gegevene is belangrijk, want dit is het meest essentiële verschil met de existentiële vrijheid. Vrijheid moet verworven worden: om vrij te worden, moet je het in eerste plaats zijn (!). Dat is dus een opdracht, voor wie het niet verstaan heeft. De cultivatie van de ziel is de hoofdplicht van iedereen, stelde Plato. Je mag hem saai vinden, maar hij heeft wel een punt. En punten, beste lezer, zijn nooit saai.

Omdat de systeemvrijheid zo afhankelijk is van een maatschappijsysteem, is het van groot belang je eigen positie te handhaven in de maatschappij. Ons vreedzaam bestaan is illusoir omdat de werkelijkheid wordt gebannen uit ons dagelijkse leven. De TV en de computer vormen samen met de media het enge raampje op de wereld, waardoor we de werkelijkheid vanuit een sfeer ervaren (cf. Peter Sloterdijk). Hoewel de realiteit soms onze sfeer binnendringt, zoals op 9/11, sluit deze zich vrij snel opnieuw. Daarom heeft ons bestaan veel weg van de film The Truman Show: we proberen allemaal de idylle na te streven en omdat we onze sociale status verhogen door luxeartikelen voelen we ons vrij. Laat mij het nog eens herhalen op een andere manier: door onze consumptiedrang verhogen we de illusie dat we vrij zijn. Daarom stel ik dat de vrijheid in onze huidige maatschappij peanuts is. Een passieve vrijheid op een bedje van apathie, myopie en inertie.

Existentiële vrijheid gaat om levensbeheersing. Het is een concept dat moeilijk uit te leggen valt, maar wellicht illustreert de confrontatie van Odysseus en de Sirenen dit het beste. Toen Odysseus en zijn bemanning huiswaarts voerden kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in hun oren te doen, waardoor ze de aanlokkelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen konden weerstaan. Menig schipper liep op de vervaarlijke klippen zijn ondergang tegemoet omdat hij niet kon weerstaan aan de Sirenen. Odysseus doet geen bijenwas in de oren maar draagt aan zijn mannen op hem vast te binden, zodat hij de dramatische Sirenenzang kon aanhoren. Daar toont hij een knap staaltje van levensbeheersing: het Immense aanhoren zonder zichzelf erdoor te laten meesleuren. Grenservaringen zijn misschien de meest existentieel vrije momenten die je als mens kan meemaken: op dat sublieme moment wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren.

Toch gaat existentiële vrijheid om veel meer dan het opzoeken van grenservaringen. Volgens mij is het zelfs perfect mogelijk om vanuit een degelijke (!) inbedding existentieel vrij te zijn. Daardoor hoef je niet noodzakelijk een volgzaam schaap te zijn. Bekijk nu bijvoorbeeld eens Ernest Van der Hallen, een Lierse letterkundige die vanuit zijn katholieke inbedding een heel eigenzinnige aard had en zich niet wilde conformeren aan de krachten van zijn tijd. Wat de ‘Nest’ kenmerkte is iets wat vele andere pelgrimgestalten – voor, tijdens en na zijn tijd – met hem deelden: een tegenstroom in een uit haar lood geslagen Tijd. Je zou iemand als hem een “chronokraat” kunnen noemen: iemand die de maalstroom van de Tijd wist te beheersen; iemand die de Tijger kan bereiden. Net als de mens is Tijd iets wat overkomen kan worden.

Toch vraag ik het me af: zou er een voorwaarde zijn om te bestaan? Maar dan werkelijk bestaan, waarvoor een tweede geboorte moet plaatsvinden? Zelf voel ik me het meeste leven bij grenservaringen, waarbij het “gewone” burgerlijke leven eerder lijkt op een niet-leven. Het zijn die ervaringen die me doen twijfelen over de menselijke vrijheid, waaruit dan bovenstaande hersenriedels ontstaan die een poging zijn om mijn positie te markeren in het wereldveld. En jij? Beheers jij de Tijd? Beheers jij jezelf? Ben jij jezelf?

P. 

“Heeft ons tijdperk een eigen stijl?”

“Does our age have its style too?”

“I think I’d be more inclined to say that the style of the Meiji era is still dying. But how would I know? To live in the midst of an era is to be oblivious to its style. You and I, you see, must be immersed in some style of living or other, but we’re like goldfish swimming around in a bowl without ever noticing it. Take yourself: yours is a world of feeling. You appear different from most people. And you yourself are quite sure that you have never allowed your personality to be compromised. However, there is absolutely no way of proving that. The testimony of your contemporaries has no value whatever. Who knows? It may just be that your world of feeling represents the style of this era in its purest form. But then again, there’s no way of knowing”.

MISHIMA, Yukio, Spring Snow, Vintage Books, Londen, 2000, 95-96.

Eerste editie 'Spring Snow'

Interessante gedachtegang. Mishima beschrijft de Tijd als een soort van ketting, waaraan ieder mens vast hangt. Een variant van de grot van Plato. Hoe kunnen we meester van onze Tijd zijn, wanneer we niet kunnen bepalen wat de essentie van onze Tijd is? We zijn kinderen van onze Tijd. Conformisten dansen mee op de fluïde kadans van trends, hypes en onnoembare verlangens. Non-conformisten vormen de noodzakelijke tegenstroom. Maar deze laatsten koppelen zich daardoor niet los van de “stijl” die de Tijd kenmerkt. De tegenstroom wordt eveneens gevangen door de Tijd, die tegenpolen aan elkaar bindt. Beiden zijn goudvissen, die, zich onbewust van de omvang van hun tijdperk, argeloos rondzwemmen in een visbokaal. Gevangen in een eigen wereld, zich druk makend over … ja, wat eigenlijk? Of is er toch een manier om zich “buiten de bokaal” te plaatsen? Een Aristoteliaanse observant? Kan iemand zich buiten de Tijd plaatsen? Dat is vertoeven op het domein van de speculatieve mystiek. Verraderlijk terrein, maar wie weet ook bijzonder vruchtbaar.

P.