TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Herfst

Herfstnevel

Ik hou van die melkwitte nevel die ontstaat tijdens de herfstschemering. Het mystificeert het hele landschap dat anders zo banaal overkomt. Het voegt als het ware een hele betekenislaag toe die je niet meteen weet te plaatsen. Het ontneemt contrast; maakt alles overvloedig diafaan; verzacht de grenzen. In erg dikke grauw-grijze nevel kan je je zo gedesoriënteerd wanen dat je uit je lood geslagen voelt. Her en der duiken schimmen op en toch, met de bezwerende dans van nevelslierten, voel je iets vertrouwds om je heen sluipen. De onzichtbare oergeesten van het land die je aarzelend naderen met een subtiel gerinkel, verhuld in sterrenstof en de geur van mirre verspreidend, om dan plots als wind en rook te verdwijnen om niets dan geruisloze stilte en verweesdheid achter te laten. Soms meen ik te denken dat de kosmos zichzelf even ontsluiert in al deze verwarring, dat je het privilege hebt een kleine fractie te mogen “vatten” van het Grote Mysterie. Het grauw-grijs wordt fabelachtig zilver bij het besef dat je verloren moet lopen om iets te vinden.

P.

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’, zegt de verweerde Zwerver plots, terwijl hij het vuur aanport en zijn tijdelijke metgezel, een jonge vagebond uit een nabijgelegen dorp, aankijkt. Hij lijkt niet te luid te willen spreken, dat lag overigens niet in zijn aard. Het zou zonde zijn, dacht de Zwerver, de wonderlijke stilte die nu over het bos is gevallen plots te verbreken. Hij beschouwt tijd en ruimte als heilig. Elk tijdstip, elk ruimtedeel is geladen met een symbolische betekenis. Niet dat dit zijn leven onnodig bezwaart, het zorgt eerder voor een uiterst diep respect voor de omgeving waarin hij vertoeft en de manier waarop hij zijn tijd wenst in te vullen. Dit respect vormt de totale tegenpool van het leven dat hij eens gekend had: jachtig en betekenisloos. Rond hen treedt de nacht in alle stilte aan en doorruist een koele maar zachte wind de bomen, die stilaan hun stralende kruin verloren. Het bruisende zomerleven maakt plaats voor de verstilling.

‘Waarom een heerlijkheid?’, vraagt de metgezel met een nieuwsgierige blik, die duidelijk gebrand was op een discussie, ‘is het niet heerlijk, te vertoeven onder je geliefden? Is het niet heerlijk je geluk te delen met anderen en je leed te verzachten in het nabij zijn van anderen?’. De Zwerver kijkt op en glimlacht zonder een schim van minzaamheid en arrogantie te laten zien. Hij spreekt zijn woorden haast uit alsof hij een gedicht citeert, in een bijzondere kadans die zijn toehoorder lijkt te hypnotiseren.

‘Zeker. Ik heb dat geluk gekend, onder vele geliefden te verblijven. En ik heb ook mijn leed verzacht in hun nabij zijn. Het is iets waar ik met een groot genoegen naar terug kijk. Maar toch is de mens een fundamenteel eenzaam wezen, daar ben ik van overtuigd. Menselijke ervaringen zijn de bron van wijsheid, en door hun uniekheid zijn zij uiterst persoonlijk. Esse est percipi. Het bestaan dat het meest logische, concrete en redelijke is, kan enkel het bestaan zijn dat tegemoet komt aan je eigen verbeelding, idee en fantasie van de werkelijkheid. De wereld, en daarmee bedoel ik het zinvolle weefsel van ruimte en tijd, is de creatie van de unieke menselijke geest. Slechts weinigen beseffen dit en schrijven dit toe aan anderen.’

Niet veel verder, op een kaal, braakliggend weiland stuiven honderden zwarte vogels weg, opgeschrikt door iets. Een aanzwellende golf, net iets donkerder dan de donkerblauwe nachthemel, vliegt haast geruisloos over de hoofden van de twee vagebonden. De Zwerver kijkt nog eens naar zijn jonge metgezel, die op zijn wederwoord leek te broeden. Hij had een eigenaardige tic: iedere keer wanneer hij het woord nam, leek hij zijn baard aan te raken en te strelen. De metgezel is een stevige kerel van gemiddeld postuur met een knokig, rechthoekig gezicht, en er opmerkelijk jong uitziet. Dat heeft hij vooral te danken aan de vurige kracht die uit zijn ogen lijkt te stralen.

‘Maar deel je die ervaringen dan niet met allen die bij je zijn? Dit moment van stilte, dit magische moment in deze wonderlijke natuur, delen wij dit niet met elkaar?’

De Zwerver moest lachen. ‘Neen, mijn beste vriend. Wat ik ervaar en wat jij ervaart kunnen evengoed mijlenver uit elkaar liggen. Wat wij delen is slechts de illusie dat wij hetzelfde ervaren’.

‘Is iedere vorm van samen iets delen of samen iets ervaren, dan een illusie? Is het nutteloos?’

‘Zeer zeker niet! Ik schat je hoog in, beste, en op dit eigenste moment doen wij beiden indrukken op die als bouwstenen dienen voor het begrip van onszelf, de wereld en nog veel meer. Het zou trouwens waarlijk gek zijn te denken dat je niemand nodig hebt. De mens is immers een sociaal wezen, dat slechts ten volle kan groeien tot een volwaardig lid van een gemeenschap door de steun van anderen. In dit opzicht is de mens niet eenzaam, daarover spreek ik overigens niet. Ik doel op het domein van de gedachte, vooral daarin is de mens eenzaam. Die bepaalde eenzaamheid moet hij koesteren, want daarin kan hij iets heel bijzonders vinden. Namelijk wijsheid in iets dat boven hem uitstijgt; een “meer-dan-leven” als het ware. Hij begint in zichzelf, verliest zichzelf gaandeweg in zijn innerlijke zoektocht en keert terug naar zichzelf in een nieuwe gedaante’.

‘Wat bedoel je? Wat voel jij dan, als jij alleen bent? Ik zou toch liever bij de mensen verblijven, zeker op koude en donkere winternachten. Want dan voel ik me ver van alles en iedereen. Die afstand is ondraaglijk’.

‘Toen ik nog in de stad woonde wandelde ik eens op een donkere winteravond door de straten naar huis toe. Ik moest door het park wandelen en toen ik me daarginds bewust werd dat ik me helemaal alleen bevond, zonder iemand rond mij, voelde ik iets heel bijzonders. De opkomende mist en de kale bomen, die me op andere momenten heel bevreemdend en zelfs beangstigend overkwamen, en waar ik anders snel voorbij wandelde, voelden heel vriendelijk aan; zorgzaam en beschermend. Toen ik omhoog keek zag ik de sterren helder fonkelen en zich organiseren in sterrenbeelden, zomaar, uit zichzelf en zonder mijn toedoen. Ik werd plots overmand door het abrupte idee dat ik me middenin de kosmos bevond; die machtige architectuur van het Leven. Op dat moment dacht ik dat geen enkele plek me nog bevreemdend en beangstigend zou overkomen en kwam ik te beseffen dat we als mens wel eenzaam kunnen zijn in onze gedachte, maar nooit hopeloos alleen. Want wat is dat, ondraaglijke afstand en ver zijn van alles en iedereen? Kan je meten wanneer een bepaalde ruimtelijke afstand je alleen en verloren maakt? Deze hele aarde is slechts een miniem punt in het hele heelal, zijn we daarom als mens hopeloos alleen? In stad waar ik woonde voelde ik me eenzaam tussen de krioelende massa, maar daar, in het nachtelijke park, waar niemand was en niemand naar me omkeek of nog maar zelfs aan me dacht, daar werd ik me van een nabijheid gewaar van iets dat veel groter was dan het leven zelf. Dát, mijn beste, is de heerlijkheid van de eenzaamheid’.

P.

“Waarom haastig zijn te Lier?”

Het onderstaande stukje is een relict van vroeger tijden. Omdat de bomen zich in deze tijd in hun gouden tooi kleden en dra hun bladeren zullen afwerpen, vond ik dit onderstaande melancholische stukje passend te zijn voor dit moment. Lier is een stad voor genieters. Een stad waar het tijdloze doorheen alles lijkt te schijnen. En waar kleine verrassingen om iedere hoek te vinden zijn.

———

Zelfs het gure herfstweer ontsiert de Pallieterstad niet van zijn charme

Lier verkoopt zichzelf als een bruisende stad die tegelijk charmant, bourgondisch, historisch, verrassend, veelzijdig en romantisch is. Iets wat niet meer bewezen hoeft te worden. Toch heeft de stad nog meer in petto. Het roemrijke kunstverleden voegt een laatste aspect toe aan de Pallieterstad: tijdloosheid.

“Niet bepaald het weer dat je in gedachten had, zeker?” grapten Berten en Kerstin, een jong koppel dat net in Lier woont, toen we ons in het gure herfstweer begaven. Ik vervloekte eerder die dag de hemelsluizen, die al enkele dagen wagenwijd openstonden. En toch. De melancholische stemming die het gure herfstweer opwekt doet sfeervol aan. “Het heeft iets speciaals en we maken er iets gezellig van” stelt Kerstin ons gerust. Gewapend met paraplu’s gaan we de eindeloze regenbui tegemoet. Wat water kan ons niet deren.

Geen minutieuze planning, maar eerder een soort nonchalance vormt onze leidraad vandaag. Het boekje ‘Schoon Lier’ van Felix Timmermans, dé Lierse schrijver bij uitstek, neem ik mee. En daarmee keer ik niet zozeer terug naar een Lier uit een welbepaald verleden, maar naar een tijdloos Lier. Timmermans schreef geen toeristisch boek met netjes geordende bezienswaardigheden, maar eerder een dromerige evocatie van zijn geboortestad. Op deze manier kan het spontaan ontdekken van een stad een bijzondere ervaring zijn.

We komen aan bij het Lierse begijnhof, ‘d’Amandelboom van Lier’ volgens de schrijver. Hier speelt het boek ‘De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen’ van Timmermans af. Zij is een begijntje dat verliefd wordt op de hovenier Martienus die haar druivelaar verzorgt. In het voorjaar verlaat hij het Begijnhof om bij de Bruine Paters te gaan. Dit zorgt voor veel hartzeer en vragen bij Symforosa. Ze probeert hem zoveel mogelijk te ontwijken en raapt alle moed bij elkaar om afscheid te nemen op de Begijnenvest. Toen ze na lang aandringen bij moeder overste toelating kreeg om hem te bezoeken, besefte ze bij aankomst dat hij gelukkig was en ging ze voldaan terug naar het Begijnhof.

In het korte verhaal legt zij de zogenaamde ‘Kruisweg’ af, langs een reeks schilderijtjes die de lijdensweg van Jezus afbeelden. We volgden als pelgrims deze minibedevaart. Helaas waren deze schilderijtjes in restauratie, dus konden we enkel de afbeeldingen zien met de bijhorende Bijbelteksten. In een kleine zijstraat van de Sint-Margarethastraat zien we een klein standbeeld van een blijmoedige Symforosa. We passeren het oude werkhuis van Timmermans in de Grachtkant. Iets verderop ligt de Hellestraat waarin het verliefde begijntje een roos ontving van Martienus, vlak voor hij vertrok. We herkennen het huis met het gietijzeren hek, waar Martienus een tuintje onderhield.

Over het huis van Martienus bevindt zich het zogenaamde ‘Ruusbroechuisje’, waar Timmermans samen met de Lierse letterkundige Ernest ‘Nest’ Van Der Hallen en de architect Flor Van Reeth ‘stille uren beleefden’ en zich aan kunst wijdden. Het is tevens het kleinste huisje van het Begijnhof, maar is helaas niet toegankelijk. Vooral ‘Nest’ was in de wolken met het huisje, wat bleek uit de brieven die hij schreef:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

Zijn brieven gonzen van lof over het Begijnhof. Hij, Fé en Flor richtten hier de Pelgrimbeweging op, een kunstenaarsgenootschap die de katholieke kunst wilde moderniseren.

 “Hier wandelt de mystiek in burgerkleding rond” schrijft Timmermans.  Vandaag is er echter weinig volk op de been, het weer houdt de brave burgers van Lier binnen. De mystiek zit hem namelijk vooral in de sfeer die hier rondwaart. “Alsof je van het moderne Lier overstapt naar een tijdloos Lier”, voegt Berten eraan toe. Het laatste begijntje is gestorven in 1994. Ze leeft nog in naam verder in taverne Zuster Agnes, juist buiten het Begijnhof.

 

Niet veel verderop schuilen we even voor de regen in het Convent, vlak aan de uitgang aan de Begijnenvest waar Symforosa afscheid nam van Martienus. Hier is een ruime tentoonstellingsruimte ondergebracht. Vandaag zien we de gedichten van Vera Beau, die inzicht geeft op de gevoelswereld van nabestaanden van een zelfdoding  en de schilderijen van Fons Teijssen.

We verlaten het Begijnhof langs de Begijnenvest, de ‘groene kathedraal’. Ik haal nog eens de laatste pagina van het verhaal van Symforosa naar boven:

“En het regent nu op zijn zeven gemakken. ’t Zal weer een regen voor vele dagen zijn. De lucht is nat en de verten zijn verdronken. Het regent luie, rechte strepen zonder wind en ’t ruist machtig op de bladeren van de bomen”.

Het verhaal komt tot leven. “Je mag dat verhaal eens komen vertellen wanneer we gaan trouwen, behalve het einde want ik hoop niet dat Berten net als Martienus naar het klooster gaat” lacht Kerstin.

Wanneer we de Lierse sportvelden zijn gepasseerd kunnen we de ‘zilveren knoop’ zien waar Felix Timmermans zo lyrisch over was: de samenkomst van de kleine Nete, die door de stad vloeit en de grote Nete die er omheen vloeit. We gaan door het kleine parkje dat haast verzuipt in de regen. Er hangt een melancholische sfeer naarmate het licht vermindert. De vijver treedt stilaan buiten zijn oevers, elders horen we de Lierse ‘pompiers’ druk heen en weer rijden. Mijn gezelschap klaagt niet over het weer.

We komen voorbij het oude zwembad van Lier, volgens Berten een “schande van de buurt” wegens de erbarmelijke staat ervan en spoedig rijp voor de sloop. “Wanneer het oude zwembad gesloopt wordt, zal er een lange groene zone ontstaan rond het einde van de kleine Nete” zegt hij en wijst me de omgeving aan. De letters van het stedelijke zwembad hangen er nog maar halvelings aan en de ingang van het zwembad waar ik vroeger als kind soms heen ging was afgerasterd.

Het Timmermans-Opsomermuseum, dat nabij ligt, stelt het werk van een hele resem Lierse kunstenaars tentoon. Het gelijkvloers is onderverdeeld in drie grote kamers die gewijd zijn aan Isidoor Opsomer (1878-1967), een schilder die flirtte met realisme en postimpressionisme. Die flirt is duidelijk merkbaar bij verschillende schilderijen. Een afbeelding van De processie in het begijnhof leunt sterk aan bij het postimpressionisme en toont ook hier die sterke affectie van een Lierse kunstenaar voor het Begijnhof. Het indrukwekkende Christus predikend in Lier sluit aan bij het realisme. “Een opmerkelijk stuk”, zegt de aanwezige museumgids, die me wat uitleg geeft. “Het stadje is schoon” schreef Timmermans. “En Opsomer kan het schoon laten zien”. Op de eerste verdieping vinden we een deel toegewijd aan Lierse striptekenaars zoals Gommaar Timmermans, zoon van, lokale componisten en architecten zoals Flor van Reeth. Een groot deel is uiteraard gereserveerd voor Felix Timmermans.

Australian Fine Wines is een lokale wijnhandelaar die regelmatig proeverijen organiseert. Timmermans mag dan gezegd hebben dat Lier rijmt op bier en plezier, de druivelaar kreeg evenveel aandacht. De afsluiter van de dag in een wijnkelder doet ons denken aan zijn weemoedige verhaal van Benedikt Serneels, ‘de pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt’. Timmermans schreef het boek in 1921 aan zijn ‘druivesappige vrienden’. Vandaag wordt de Shirazdruif in de kijker gezet, dominant in de Australische wijnproductie.

“Is het daarbuiten nog altijd zo lelijk bezig? Een wonder dat wij in onze kelder nooit problemen hebben met water” gaat de wijnhandelaar een gesprek aan met de aanwezige gasten. Een koppel dat mee binnen kwam zegt dat het pompen geblazen is aan de Grote Markt. Elders horen we inderdaad de Lierse brandweer door de straten razen. De namen van de wijnen in de kelder waar we vertoeven mogen dan geen oervlaamse klanken hebben, we kunnen ons inleven in de weemoedige sfeer van de verhalen die Timmermans schreef. We besluiten een Grant Burge Cabernet Sauvignon uit 2005 te kopen, een passende karakterwijn in dit gure herfstweer.

Met paraplu’s in de aanslag, stuiten we op het moderne Lier op het Zimmerplein. De najaarsfoor zal vandaag niet veel volk ontvangen. Een enkeling betreedt het geruisloze Lunapark, dat er stil bijligt. Net achter de hoek bevindt zich het Begijnhof, waar onze tocht begon. De Gevangenpoort doemt op. Even lijkt de tijdloosheid van ‘d’Amandelboom” zich meester te hebben gemaakt van het moderne Lier. Ik dacht aan wat Fé eens schreef: “waarom haastig zijn te Lier”?


 

P.

Herfstzinnen

Ach, mens, hoe heerlijk is het de machtige gloed van een gouden oktoberzon over het Brabantse land te zien rollen en te beseffen dat je niet de halve wereldbol moet afreizen om iets magisch te beschouwen! De bomen tooien zich in hun gouden gewaad, een triomfale aanblik voor ze van de bühne verdwijnen en een winterse slaap ondergaan en wachten op hun hergeboorte. De zuigende olielamp wordt aangestoken, die knappert en de verlichte kamer vult met de aardse geur van petroleum. De wind speelt langzaam met de satijnen ochtendnevel, die als een transparant gewaad sensueel danst over bedauwde velden. Zwijgende avonden treden aan, terwijl de zon beduidend lager hangt en door haar kortstondige omwentelingen steeds minder warmte uitboezemt. De wind ruist steeds koeler door de sparrebossen en de afgeworpen bladeren van de bomen vormen een natuurlijk tapijt met een zoete geur.

“Het is mooi zo”, denkt de zwerver. “De aarde verstilt. De mens verstilt. Het rusteloze gesuis van insecten neemt af, de tijd verlangzaamt en het land zinkt in een diepe, lange slaap”. De zwerver trekt niet langer verder. Hij zoekt zijn toevlucht in de buurt. Daar waar de dieren bijeengedreven worden, daar waar de warmte opstapelt binnen houten schuren. Waar de mensen stil zijn en fluisteren bij het haardvuur en de vreemdeling een stuk brood en wat wijn aanbieden. “Nu mogen de winterse dagen komen”, denkt hij, terwijl hij het vuur wild ziet dansen. “Ik wil roerloos wezen in de diepe, stille nacht”.

P.