TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Interbellum

Oswald Spengler: de soldaat van Pompeï

Wij zijn in dezen tijd geboren en moeten dapper den weg, die voor ons bestemd is, ten einde gaan. Er is geen andere. Op de verloren post blijven zonder hoop, zonder redding, is plicht. Volhouden als die Romeinsche soldaat, wiens gebeente men voor een poort in Pompeij gevonden heeft, die stierf, omdat men bij de uitbarsting van de Vesuvius vergeten had, hem af te lossen. Dat is grootheid, dat is ras hebben. Dit eervolle einde is het eenige wat men den mensch niet ontnemen kan.

Wie nog twijfelt aan het cultuurpessimistische gehalte van de Duitse beschavingsdenker Oswald Spengler heeft aan dit citaat genoeg om andermaal te denken. De filosofie die hij in zijn magnum opus Der Untergang des Abendlandes uiteenzet spreekt over organische cultuurvormen die noodzakelijk ten gronde moeten gaan. Het Westerse, “Faustische” model, bevindt zich volgens Spengler in de wintertijd van de beschavingscyclus. Hier loopt alles ten einde. Kunst heeft geen betekenis meer, de mentale samenhang van de beschaving is uitgeput. Toch ziet Spengler in dit schemerende avondland in de Romeinse soldaat van Pompeij een waardevol zinnebeeld van de laatste mens. Ook al gaat hij ten onder, dan wel op de manier waarop hij zelf verkiest te gaan.

SPENGLER, Oswald, De mensch en de techniek, vertaald door Dr. K.F. Proost, Leiden: A.W. Sijthoff’s Uitgeversmij N.V., 1931, p. 88

Advertenties

Adieu!

“Adieu, Europa, het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën, Davidsfonds, Leuven, 1938, 10-11.

De knaap met drie harten

De deur stond open. Vanuit de wagen zagen we dat de avond rood en goud blonk in het grachtwater langs de weg. Binnen was er schemer, en ik had een kaars in een gekleurde papieren lampion aangestoken – een oude gewoonte uit de tijd toen ik nog alleen was. Dat gaf een zeer genoeglijke stemming: de gezichten hadden in dit licht een wondere glans, en mijn wagen leek wel eens zoo ruim en zoo diep, met geheimzinnige hoeken in de schemering. De dichter lag te bed, de vrouw zat naast hem, de handen gevouwen om haar knieën.

“Er was eens een knaap waarvan verteld werd dat hij drie harten had in plaats van één. Van toen hij nog kind was voelde hij in zijn borst voortdurend een scherpe pijn en een zwaarte; hij voelde zich ook anders dan zijn jonge vrienden die zonder kommer of achterdenken door het leven gingen. Maar al wie vriendschap of hartelijkheid noodig had kwam tot hem: het was bekend dat hij buitengewoon goed was en medelijdend voor de dompelaars van het leven. Maar het werd pas een vreemde geschiedenis wanneer zekeren dag, toen hij ziek was, de geneesheer ontdekte dat die drie harten van goud waren.

De knaap groeide op tot een jonge man en een groot kunstenaar die van God de genade kreeg op het klavier de diepste en geheimste verborgenheden van het menschenhart uit te kunnen spreken. Hij speelde voor zalen vol rijke, edele vrouwen en kunstenaars, voor beroemde meesters, voor edelen en voor koningen.

Maar hij bleef een goed en ootmoedig mensch. Hij verdiende fortuinen met zijn spel; hij kreeg bloemen als een vorst die begraven wordt; vrouwen lagen aan zijn voeten. Maar het goud gaf hij weg aan armen en aan zieken; de koningin zond hem een gouden uurwerk, hij schonk het aan een bedelaar. Waar hij langs kwam kusten de vrouwen zijn handen en de kinderen liepen hem op straat achterna. Dat duurde jaren; hij werd een oud man; zijn oogen werden dof, zijn haar werd wit; zijn handen beefden en er kwamen diepe rimpels boven zijn oogen. Er kwamen dagen dat hij de muziek niet meer kon lezen en zijn handen niet meer zeker waren van hun weg over de witte toetsen. Er kwam een tijd dat de kunstenaar vergeten werd; er kwam een tijd dat hij arm werd.

 Maar hij bleef altijd even mild en vrijgevig: al wie tot hem kwam hielp hij en de armen langs de straat ondervonden niet eens dat de kunstenaar nu minder rijk was dan vroeger. Maar niemand vermoedde ook hoe het kwam dat zijn hand altijd opnieuw gevuld was, en waar hij het goud haalde dat hij zonder meten of tellen zoo royaal rondstrooide. Er was altijd geld, en altijd opnieuw bracht hij de goudsmelter nieuwe stukken goud. Dat duurde zoo jaren.

Dan werd hij ziek, en de dokter die hem onderzocht bevond dat zijn hart bijna heelemaal weggeteerd was; het beetje hart dat hem nog overbleef – ik vergat te zeggen dat deze dokter niets van zijn geheim afwist – moest hij met zorg sparen: het zou hem anders het leven kunnen kosten.

Ja, zoo geschiedde het dat hij zonder bedenken bijna drie keeren zijn hart had weggegeven.

Maar luistert nu: toen hij op zekeren weg morgen voet voor voet en hijgend langs de straatweg ging vond hij op de brug een oud man liggen die gewoon was elke dag van hem een aalmoes te krijgen. Uit gewoonte tastte hij in de zak, maar vond hij niets; zijn laatste stukje goud had hij weggegeven, en het kleine beetje dat hij in zijn borst droeg moest hij met zorg sparen: zijn leven hing er van af.

Hij glimlachte: waarom zou hij nu de eerste keer iemand een aalmoes weigeren? Moest hij weigeren? Wat gaf hij om dat klompje goud daarbinnen? Hij was oud en versleten, en stierf hij vandaag niet, dan toch morgen of een paar dagen later. Wat kwam het er op an?

Het duurde maar een sekond. En een moment later reikte hij de bedelaar een klein stukje goud waaraan bloed hing.

En opeens was er een fel licht rond hem: de morsige bedelaar straalde als een engel; hij nam hem bij de hand en glimlachte. Toen vielen de dingen rond hem weg en de heerlijkheid van het Paradijs omkringde hem.

Wat later vonden twee voorbijgangers de oude kunstenaar en de bedelaar langs de weg liggen: ze waren al koud, en ze hielden elkaar bij de hand.”

VAN DER HALLEN, Ernest, De wind waait, Davidsfonds, Leuven, 1932, 63-65.

“Het gevoel hebben het leven te beheersen”

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’[1].

De Lierse studentenleider en letterkundige Ernest van der Hallen (1898 – 1948) was diep teleurgesteld in Vlaanderen toen hij eind 1935 met zijn vriend Frans Mertens[2] vertrok op pelgrimsreis: ‘ik heb hier veel achter te laten en veel te vergeten, als God met ons is keren wij niet terug, vooraleer wij rustig zijn en veel vergeten hebben’[3]. De meerdere reizen die hem naar Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten brachten, leverden reisdagboeken op met een hoog cultuurkritisch gehalte. Zijn vlucht uit Europa bleek een zoektocht naar ruimte en vrijheid te zijn[4]. Te Biskra, een oase in Algerije, lag hij onder de palmbomen met de intentie ‘niet meer op te staan, niet meer te denken, niet meer te voelen, alleen bewegingsloos te blijven tot de avond aantreedt […]’[5]. Daar was het ‘nieuwe, het gave en onbedorvene’ te vinden[6]. De natuur was bij Van der Hallen al langer een centraal element in zijn denken. Het was de antipode van de verderfelijke stad en daarmee ook een bron van zuiverheid. De levensbeheersing die men enkel buiten de stad kon bereiken, meende hij in De aarde roept (1936), was ook het afscheid nemen van de ‘dingen […] die voor de mens in de stad noodzaak geworden zijn’[7]. In de natuur werd de moderne mens gezuiverd van alle overbodige ballast.

P.


[1] VAN DER HALLEN, Ernest, Charles de Foucauld.,  Pro Arte, Diest, 1941, 20.

[2] Frans Mertens (1908-1993) was schilder en tekenaar. Circa 1935 was hij vooral bezig met religieuze thema’s.

[3] BONI, Armand, Ernest van der Hallen (1898-1948). Een silhouet., Davidsfonds, Leuven, 1950, 126.

[4] Charles de Foucauld,  18.

[5] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 66.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 53.

[7] VAN DER HALLEN, Ernest, De aarde roept., Wiek Op, Brugge, 1943, 52.

Over vrome witgepijde asceten en de Onsterfelijke Roos

“Nu wil ik eenzaam henengaan naar verre Egyptelanden
Daar weet ik oude monken, traag, met witte baarden gaan,
Héél heilig peinzend door den avond … en hunne witte handen
Zijn goed en zacht voor hem die zonde ‘en boete heeft gedaan

Daar weet ik pyramiden stil in wondre Wijding staan,
Wijl late karavanen trekken langs hun naakte wanden
En d’heiligê Ibis traag alom hun wijde vleugelen slaan
En witte pelikanen droomen aan de vijverranden

En sfinkxen turen er met vreemden raadsel-glimlach naar
De vrome boetelingen die er gaan met moe gebaar
En arme wreed-verwonde voeten in ’t woestijnzand prenten

Daar wil ik zijn gelijk een vrome witgepijde asceet
Die stil en rustig, vreemd omlicht, door kalmen avond treedt
En Hooge Wijs- en Schoonheid leest in oude perkamenten”

G.v.d.H. in: Storm, jaargang 3, nr 6, maart 1921.

Vorig jaar kwam ik het bovenstaande gedicht tegen in een oud tijdschrift uit het interbellum. Ik zat in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, in de volksmond wel eens de ‘Stadsbib’ genoemd. Voor mijn thesis nam ik een aantal kranten door waar Ernest van der Hallen, een Lierse letterkundige, voor schreef. En toen kwam ik dit opmerkelijke gedicht tegen. Ik kan er geen naam op plakken, maar iets trekt me enorm aan in dit gedicht.

Het gedicht beschrijft een pelgrimage. In het interbellum, waarin dit gedicht geschreven werd, was er een spiritueel reveil bezig waarin vele antimodernisten pleitten voor een ‘retraditionalisering van de maatschappij’. Maar ook van zichzelf. Zo werden middeleeuwse praktijken terug tot leven gebracht, wat er zelfs toe leidde dat sommige ‘moderne pelgrims’ brieven naar elkaar schreven in het Middelnederlands. De secularisering bracht een ravage aan en ontzielde de maatschappij, meenden zij. De spirituele herbronning die zij ondernamen duidde op een streven naar zuiverheid en orthodoxie maar ook een beantwoording van een ‘heroïsche vocatie’ en de noodzaak tot actie en strijd.

Het pelgrimeren naar bepaalde plaatsen was voor velen een zoektocht naar een zinvol bestaan. Ernest van der Hallen en vele anderen behoorden tot een bijzondere generatie in het interbellum, meent de historicus Benjamin Lazier: ‘They discovered that the crisis of religion in the modern world was also a crisis of nature, the crisis of nature, the crisis of nature a crisis of art or sacrifice, and the crisis of them all a crisis of what it meant to be a modern man’. De verwondering van een bergbeklimmer ‘op pelgrimage’ in de hoge Alpen leidde naar een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze. In het kapel, op de berg of in de woestijn herontdekte men een sacrale ruimte, die onaantastbaar leek te zijn. Dat was bijzonder: niet enkel ‘traditionele’ gewijde plaatsen zoals een kerk of kapel waren sacrale ruimtes, maar ook ‘onbezielde’ plaatsen die onverbiddelijk waren. De herontdekte of gecreëerde sacrale ruimtes boden de moderne pelgrims de mogelijkheid tot een innerlijke verwerkelijking die in de profane wereld niet mogelijk was.

Toch was het toerisme vaak een verstorende factor. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land.

In tegenstelling tot mijn professor ethiek geloof ik wél in een metafysische essentie. De ware aard is onaanraakbaar door morele of sociale conventies. Ik vergelijk het met de Onsterfelijke Roos van Dante. Het leven is een pelgrimage op zich, dat zich centreert rond die Onsterfelijke Roos. Iedereen wandelt de cirkel rond, sommigen helaas vroegtijdiger dan anderen. Volgens de Britse schrijver G.K. Chesterton was waarlijk geluk te vinden in de onverzettelijke blik naar de Onsterfelijke Roos van Dante. En  niet in de willekeurige rozenblaadjes van Oscar Wilde. Mij lijkt het een combinatie van beiden te zijn. Enerzijds een drang naar iets Absoluuts, maar anderzijds ook het besef dat het geluk in de kleine dingen zit.

Ik sluit af met een veelzeggend citaat. Het sierde op de eerste pagina van mijn inleiding en draagt onnoemelijk veel betekenis met zich mee.

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’

 

P.