TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Iran

Femmes Persanes

Les femmes de Perse sont plus belles que celles de France; mais celles de France sont plus jolies. Il est difficile de ne point aimer les premières, et de ne se point plaire avec les secondes: les unes sont plus tendres et plus modestes; les autres sont plus gaies et plus enjouées.

Montesquieu, Lettres Persanes, Lettre XXXXIV (Usbek à Ibben, à Smirne)

Socrates in Teheran

Teheran. Mijn laatste avond in de stad. Ik trek naar het noorden aan het Tajrishplein, het meer kosmopolitische gedeelte van de stad waar een flirterige atmosfeer hangt die niet veel verschilt van een mondaine stad aan de Franse Rivièra. Na een laatste maal in het goddelijke saffraanijs te pletter zijn gedoken zie ik buiten de ijsbar plots een oude man staan die me indringend aanstaart. Hij stapte op me af en vroeg me waar ik vandaan kwam.

Toen begon het spel.

Het enige wat die man deed was vragen stellen, net als de oude Socrates.

Even dit: de Socratische dialoog was bedoeld om algemene essenties en begrippen te destilleren uit een gesprek in woord en wederwoord, waarbij Socrates de vroedvrouw was die de andere wijsheid deed baren. Op deze manier was hij het relativisme en scepticisme van die vervloekte sofisten de baas en fundeerde hij op een rationele manier de moraalfilosofie. Op die manier maakte hij de weg vrij voor serieuze jongens als Plato en Aristoteles. In vaktechnische termen heet deze dialoog ook wel de maieutiek.

Dus lag ik daar open en bloot bij Socrates in Teheran. Bij het stellen van de vraag waarom hij alleen maar vragen stelde repliceerde hij droog waarom ik die vraag stelde en wat vragen nu juist zijn.

Ik geef toe dat ik hem na een kwartier wou afwimpelen omdat dit eenzijdige verkeer vermoeiend begon te worden. Op dat moment dacht ik niet aan Socrates’ maieutiek in dit vreemde proces naar een obscure waarheid, maar achteraf denk ik dat Socrates zo te werk moet gegaan zijn. Deze man leek niet in staat om enige verheldering aan te bieden omdat hij niet doorging tot op het bot van een bepaalde stelling. Hij sprong continu van de hak op de tak zonder enige ordening aan te brengen. Wel … het verwondert me niet dat ze die oude Griekse dwaas na verloop van tijd een gifbeker aanboden.

Toch zat er iets in die man dat me wel aantrok: het continue vragen is mij zelf nooit vreemd geweest. Bij momenten denk ik terug aan deze eigenaardige ontmoeting, waarvoor ik dankbaar ben. Pas door alles niet meer zo vanzelfsprekend te vinden en onder de loep te nemen kan je prachtige ontdekkingen doen over ons bestaan. Wee hen die niet meer verwonderd kunnen zijn. De oude man in Teheran was wellicht een aardig stel vijzen kwijt, maar zijn onophoudelijk spervuur van vragen was misschien wel een voorbeeld van de eironea, de geveinsde onwetenheid.

Ik keer terug naar daar. Wie weet kom ik de oude man tegen en weet ik alsnog wijsheid te baren.

P.

Ik was …

Ik was in Teheran vandaag!

Bakken op vier wielen, een bevallig klaroengeschal en minnespel van kleine aard in een middelgrote straat. Zeemzoet in de verlekkerde oren, gonzend van zalig ongeduld en woestgebroed. “Het gaat hier niet snel genoeg, laat ik mijn voorgangers zachtjes aanporren met mijn welluidende klakson” of “Welaan, hier kom ik chirurgisch-afgemeten met mijn welbestede karretje aan!”. Het voelde goed, dat geroezemoes weer eens te beleven. De primordiale automobiliteit in zijn natuurlijke habitat.

Ik was in Teheran vandaag …

De ene was nog niet klaar en daar kwam de andere. Iemand zoefde voorbij om de hele groepssessie nog eens te begroeten met een majesteitelijke vinger omhoog. Die primus inter pares van alle vingers. Ach, heerlijke stad die dit mag beleven! Teheran, stad van mijn dromen. Stinkend geronk, daar wat gebonk en spuw nog eens wat roet in mijn grijswaardig gezicht. Een doodsmaskertje van lieftallige aard. Want ik ben uw oerchaos toch wel waard.

Was ik wel in Teheran vandaag?

Want het was allemaal zo snel gedaan. Het voelde zo vals, inauthentiek. Nee. Dat was het niet. Echt echt echt echt niet; verre van; das ganz Andere. Veel te braaf, op het kleinburgerlijke afgemeten. Spuuglelijkaards. Ik miste het macabere gemillimeter, de je m’en foutistische onachtzaamheid voor vermaledijde zwakkelingen en de damnatio memoriae van iedere verkeersregel die er bestaat. Ik wil het Primitieve.

Braaf … maar al te braaf. Snotapen.

P.

Tapijtsurfen in Iran

Waarom? Je doet het omdat weinig westerlingen het durven. Uit een grenzeloze nieuwsgierigheid; als een uitdaging; een onweerstaanbare Drang nach Osten; het grote dwaze avontuur dat je plots grijpt. Mijn taalkennis van Farsi was nihil, maar ik wilde niet geloven dat de taal mijn wereld begrenst. Moederlief wil het niet, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat Iran meer was dan chadors, kernbommen en mullahs wist ik wel, maar ik wou het met mijn eigen ogen zien en ervaren. Hoezo, gevaarlijk? Hoezo, fundamentalistisch? Hoezo, vijandig? Voorbij al het goed en kwaad van clichés wou ik de lach achter de chador ontdekken. Dat op eigen houtje, zonder betrokken te zijn met reisbureau’s, overijverige gidsen en andere factoren die me zouden belemmeren in mijn doel. Dus … waarom eens niet couchsurfen op Perzische tapijten?  

Klik voor foto’s

“Het was alsof er eeuwenlang niets was gebeurd”

In 806 trok de Abbasidische kalief Harun al-Rashid ten strijde tegen de Romeinen, precies langs dezelfde weg die de Sassanidische koning Kavad I enkele eeuwen eerder had genomen tegen dezelfde vijand. Beide heersers trokken regelmatig ten strijde tegen Rum, verrichten lange belegeringen en namen vestigingen in. En weer later veroverden de Romeinen datzelfde stukje terug. Een lange stellingenoorlog avant la lettre, lijkt het wel. En dan was er weer vrede, die niet veel later wankelde om terug uit te barsten in een oorlog. En dan weer dat hele vredesproces met talloze diplomaten in praalkledij die ontvangen werden in de luisterrijke ontvangstruimtes van Constantinopel en Damascus. Het hof gold als een geïdealiseerde microkosmos, om de gastheren zoveel mogelijk te imponeren over de universele macht van de heerser door wie zij zo genadig werden ontvangen. Wanneer islamitische gezanten naar Constantinopel kwamen hanteerden de Romeinse keizers diplomatische handleidingen over hoe Sassanidische diplomaten werden ontvangen. Een breuk in de internationale hofcultuur leek dus niet te bestaan, de ene elite nam de gebruiken van de andere over. De eigenzinnige en symbiotische confrontatie tussen de “Twee Ogen” van de wereld ging onverminderd voort, ook al was er ongelofelijk veel veranderd.

Kosrow II, een van de laatste koningen van de Sassanidische dynastie beschreef de relatie tussen zijn huis en Constantinopel in een brief aan de Romeinse keizer Maurikios als volgt:

“God bracht tot stand dat vanaf het begin de hele wereld verlicht zou moeten worden door twee ogen, namelijk dat van het meest krachtige koninkrijk van de Romeinen en dat van de meest omvattende scepter van de Perzische Staat. Door deze machtigste rijken worden de opstandige en oorlogszuchtige stammen gefnuikt en de koers van de mensheid continu gereguleerd en geleid”.

Het Westerse Romeinse rijk en het Oosterse Perzische rijk deelden dus een kosmisch ideaal van universeel koningschap. Hoewel dit vaak leidde tot bloederige conflicten waarbij keizers gedood en zelfs gevild werden (Sjapoer I die keizer Valerianus overwon), ontstond ook een drukke interculturele uitwisseling die invloed had op de hele regio.

Dat het Sassanidische koninkrijk tien jaar na haar meest verbluffende gebiedsuitbreidingen zou gemaald worden door de tanden van de geschiedenis had niemand voor ogen. Bij aanvang van de zevende eeuw veroverde Kosrow II immers grote delen van Syrië, Anatolië, Egypte en Palestina. Sinds Cyrus de Grote heeft geen enkele Perzische koning zo sterk zijn gebied uitgebreid. Het Romeinse rijk leek op de afgrond te balanceren, maar in de vier jaren dat de Romeinse keizer Heraclius, een geboren vechter van Armeense afkomst, zou afwezig zijn in Constantinopel werd de Sassanidische opmars fors gestuit en zwaar teruggeslagen. De keizer vertrappelde zelfs het heilige “Vuur van de Hengst”. Toen Kosrow II na een aantal zware nederlagen gevangen werd door twee zoons van de Parthische generaal Shahrbaraz, lieten ze hem een aantal dagen verhongeren in zijn paleis met niets anders dan een berg goud en diamanten voor zijn neus, voor hij met pijlen werd doorboord. Het Sassanidische rijk, dat enkele jaren daarvoor over een voortreffelijk leger beschikte en gold als een wereldrijk, zakte weg in een staat van verval en anarchie. Toen de achtjarige Yazdagird III aan de macht raakte, stonden de aanhangers van een nieuw monotheïstisch geloof te trappelen om de restanten van het machtige rijk te veroveren.

Op de ruïnes van het Sassanidische koningshuis verrees het Ummayadische islamitische kalifaat, dat onder leiding van Abd al-Malik een sterk ambtenarenapparaat uit de grond stampte en een islamitisch belastingssysteem instelde. De staatsvorming onder al-Malik consolideerde de Arabische overmacht, die bij aanvang wankel was. Net zoals het vroege christendom werd de vroege islam geplaagd door theologische conflicten die een hele wirwar aan geloofsinterpretaties produceerde. Na een bloederige strijd was de fitna, de “beproeving” tot een einde gebracht. Een orthodoxe interpretatie geldt als een voorwaarde van stabiliteit, zo blijkt. Hoewel de vroomheid van vroegere heidense heersers niet minder sterk was dan die van monotheïstische heersers, lijkt er toch iets fundamenteels veranderd te zijn aan de manier waarop heersers omgaan met religie.

Deze machtsomwenteling die het einde aankondigde van de Oudheid zorgde ook voor een Arabisering van de veroverde gebieden, want de Arabische taal werd als heilig geacht als het woord van God. Men zou gemakkelijk denken dat na al deze bruuske veranderingen geen spaander zou overblijven van het Sassanidische erfgoed. Dit was geen vervanging van heerschappij door een andere Indo-Arische stam, zoals eerder in de geschiedenis gebeurde, maar wel door een heel ander wereldbeeld. De Zoroastrische mobeds moesten halsoverkop vluchten of zagen zich gedwongen om zich te bekeren tot de islam of het christendom. In sommige gevallen werden exorbinante giften verwacht, die de oorlogskas moesten spijzen. Voor de aanhangers van Ohrmazd moest de Arabische inval zeker als het einde der tijden lijken. Maar ook christenen, joden en moslims waren die mening toegedaan.

Oude gewoonten zijn echter hardnekkig, wat vooral voor de Iraanse cultuur geldt in dit opmerkelijk tijdperk van verandering. Neem nu bijvoorbeeld de taal. In vele andere landen werd de enige taal Arabisch, zo succesvol was het staatsapparaat van de kaliefen. Zo niet in Iran. De taal onderging wel degelijk een grote verandering onder invloed van het Arabisch, zo wordt tot op heden de taal bijvoorbeeld in Arabisch schrift geschreven en vele leenwoorden komen uit het Arabisch. De taal overleefde echter omdat de sprekers hun taal heruitvonden naar een veel eenvoudigere vorm van Perzisch (Farsi), net zoals de Engelse taal transformeerde nadat Willem de Veroveraar triomfeerde in 1066.

En de overheersers? Zij deden vrolijk mee met deze renaissance. Enkele eeuwen na de verovering van het Sassanidische rijk hadden Abbasidische kaliefen veel weg van de Perzische shahansjah’s, wanneer zij vertoefden in hun lusthoven en even ijdel waren als hun voorgangers. De Perzische culturele reconquista nam dan ook tijdens en na hun kalifaat een hoge vlucht, toen een sterker verschil zich begon af te tekenen in de architectuur van steden en moskeeën. De kosmokratische idealen die voor de komst van de Islam de Sassanidische hofcultuur bepaalden werden door de Ummayaden en hun Abbasidische opvolgers gretig opgenomen en heruitgevonden. Zodra de Romeinen in de loop van de zevende eeuw herstelden van de schok van de Arabische invallen, leek het alsof er nooit iets was gebeurd, en de fragiele maar extensieve cultuuruitwisseling tussen Oost en West terug op gang kwam. Het lijkt of er niets veranderd was, maar het was wel een wereld van verschil.

P.

Bronnen:

CANEPA, Matthew, The two eyes of the earth. Art and ritual of kingship between Rome and Sasanian Iran, University of California Press, Berkeley, 2009.

AXWORTHY, Michael, Iran. Empire of the mind. A history from Zoroaster to the present day, Penguin Books, London, 2007.

HOLLAND, Tom, Het Vierde Beest. God, de strijd om de wereldmacht en het einde van de oudheid, Athenaeum, Amsterdam, 2012.

Aanval op Iran: een zwijnenboel?

De oorlogstrommen worden geroerd. De Israëlische president Peres pleit voor een militair ingrijpen in Iran, ‘voor het te laat is’. Volgens de geruchten heeft het ayatollaregime binnen zes maanden immers een atoomwapen. De voormalige veiligheidsadviseur van de Bushadministratie, Condoleezza Rice, is ervan overtuigd dat Israël er alles aan wil doen om te voorkomen dat Iran een kernwapen in handen heeft.  Een verhaal met een staartje aan.

Iran heeft nooit ontkend dat het uranium wil verrijken. Het nucleaire programma heeft dan wel een aantal ‘setbacks’ gekend door aanvallen van computervirussen in 2010 en 2011[1], maar het wil naar eigen zeggen kernenergie kunnen voorzien voor civiel gebruik. In 2003, toen Mohammed Khatami nog president was, heeft het land een protocol van het Internationaal Atoomagentschap getekend waarin het belooft openheid van zaken te geven en om uranium niet hoger dan 3.5% te verrijken, waar het wapenkwaliteit heeft.

Officieel ontkent het land dat het een kernwapen wil. De veleyat-e faqih, de Opperste Leider[2] van Iran, ayatollah Seyyed Ali Khamenei heeft een fatwa tegen kernwapens uitgevaardigd: een verbod op de productie, het verzamelen en het gebruik van kernwapens. Het civiele nucleaire programma van het land dateert van de Pahlaviperiode[3]. Sjah Mohammed Reza Pahlavi had het plan opgevat om met een programma van 30 miljard dollar twintig kerncentrales tegen het jaar 2000 te bouwen. Toen Khomeini in 1979 terugkeerde, werd het Iraanse nucleaire programma beschouwd als de meest ambitieuze in het Midden-Oosten.

Een uitgestoken hand

In 2003 liet Iran via de bemiddelende Zwitserse ambassadeur aan Washington weten dat het bereid was tot een brede dialoog en verregaande stappen. De Bushadministratie diende echter een klacht in tegen de ambassadeur en sloeg de deur toe voor Iran. Het land kreeg door George Bush Jr. een plaats op de beruchte lijst van de ‘As van het Kwaad’. De Midden-Oostenexpert Hillary Mann Leverett reageerde dat de toenadering van Iran ‘revolutionair’ was. ‘Het had de wereld kunnen veranderen’. Een andere Midden-Oostenexpert, Trita Parsi, stelt dat als het Iraanse aanbod uit 2003 aanvaard was, Iran momenteel niet bezig zou zijn met de verrijking van uranium.

Wiens schuld?

Sommige stemmen menen daarom dat het nucleaire probleem met Iran een gevolg is van de  Amerikaanse omgang met het land. Criticus Noam Chomsky meent dat de Amerikaanse inval in Irak voor Iran een startsein is voor een politiek van nucleaire afschrikking. Journalist en documentairemaker John Pilger maakte ook de volgende opmerking: ‘Is het niet opmerkelijk dat Noord-Korea nog niet is aangevallen? Noord-Korea heeft nucleaire wapens. Dat is de boodschap, luid en duidelijk voor de Iraniërs’. De kans dat Iran kernwapens zou inzetten is klein. Het regime weet dat als het kernwapens inzet, het wordt weggevaagd door Israël en Amerika. Er zou eerder een situatie ontstaan zoals in de Koude Oorlog, waarin het zogenaamde Mutually Assured Destruction (MAD)[4]-idee als een verzekering gold: ‘Jij valt mij niet aan, dan val ik jou niet aan. Mocht dit gebeuren, zijn we er beiden aan’.

Een nieuwe speler betreedt het veld

Inmiddels is een bemiddelende speler opgetreden in het conflict tussen het nucleaire Iran en het Westen: Turkije. Het nucleaire programma in Iran verontrust de Turkse opiniemakers. Een Iran dat kernwapens bezit is niet alleen een bedreiging voor de regio maar ook voor Turkije. Turkije heeft ondertussen een belangrijke stap ondernemen als bemiddelaar: de nucleaire deal tussen Iran, Brazilië en Turkije in mei 2010. Wat voor vele andere landen een diplomatieke nachtmerrie bleek, wist Turkije een akkoord te sluiten waardoor een deel van het Iraanse kernprogramma in de handen van Turkije kwam te liggen. Dit was een belangrijke gok.

“Interdependentie”

Turkije geniet dus de status als ‘scheidsrechter’ tussen Iran en het Westen. Beril Dedeoglu, opiniemaakster bij Today’s Zaman, spreekt van ‘interdependentie’. Turkije zal immers een van de meest getroffen landen zijn wanneer er sancties op Iran worden geheven, meent zij. Bovendien, voegt collega Abdülhamit Bilici daaraan toe, is het onvoorstelbaar dat Turkije, dat een energiebrug tussen Oost en West wil worden, zich wegdraait van Iran dat de derde grootste natuurlijke gasreserve van de wereld heeft. Iran heeft Turkije overigens nodig: ‘Turkey’s recent moves to improve relations with Syria and the Arab world are an asset and advantage for Iran. Thanks to this, Iran may establish a more constructive dialogue with the Arab world and base its relations with these countries on a reasonable and lasting ground’.

Toch bestaat de angst dat Turkije bedot wordt door Iran. Burak Bekdil, commentator bij Hürriyet Daily News, gelooft niet dat Iran zal veranderen van koers, ondanks de bemiddelingspogingen van Erdoğan. Integendeel: de mullahs hebben dankzij de falende bemiddeling van de Turkse eerste minister het naïeve Turkije voor hun kar gespannen: ‘[they] now have a stauch supporter of their nuclear program. And that man’s job is to run Turkey’. Turkije heeft een enorm risico genomen, meent Bekdil. Als Iran zijn belofte niet nakomt, zullen niet alleen de Turks-Iraanse diplomatieke relaties hieronder lijden, maar zullen Turkse initiatieven op regionaal en internationaal vlak minder vertrouwen genieten, niet in het minst bij de EU en de VS.

“War Pigs”

Een van de meest indrukwekkende nummers dat het machtige Black Sabbath op het publiek loslaat is War Pigs. Het is een anti-oorlogslied, een aanklacht tegen oude generaals en politici die jonge mannen en vrouwen naar de slachtbank sturen. Zij zijn het niet die de gruwelijkheid van de oorlog ondergaan, want zij zitten veilig achter de frontlinie. De oorlogstaal van Netanyahu bouwt voort op een regime van angst, want men vreest een existentiële dreiging van Iran zodra het land een kernwapen heeft. Een zogenaamde “pre-emptive strike” kan echter leiden tot een zware destabilisering van de regio, waar Israël niet op zal kunnen anticiperen. Het IDF mag dan een van de best bewapende legers van de wereld zijn, het heeft nog altijd geen definitieve overwinning kunnen boeken op de irreguliere legers van Hezbollah en Hamas, die door Iran gesteund worden. Dus wanneer een luchtaanval wordt uitgevoerd op Iraanse nucleaire installaties, zullen het enkelingen zijn die miljoenen doen belanden in een ongeziene schokgolf.

P.


[1] Stuxnetvirus in september 2010 en een tweede virus in april 2011, dat minder schade aanrichtte.

[2] Deze functie bestaat normaliter niet binnen het Iraanse sji’isme en is een ‘Khomeinistisch’ concept dat sinds 1979 bestaat. Sommige traditionele sji’itische geestelijken zijn tegen deze functie gericht.

[3] De Pahlaviynastie regeerde in Iran van oktober 1925 tot februari 1979.

[4] Mutually Assured Destruction is een militaire strategie die ervan uitgaat het gebruik van kernwapens van de ene partij in een conflict zal resulteren in de vernietiging van zowel de aanvaller als verdediger. Belangrijk is de ‘second strike capability’: de mogelijkheid om altijd kernwapens in te kunnen zetten via lucht, land en zee.

Het fenomeen PMC: de terugkeer van de feodaliteit?

Huurlingenbedrijven voegen een nieuwe dimensie toe aan het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Op 16 september 2007 bewaken huurlingen van de private militaire organisatie Blackwater een konvooi nabij het Nisourplein in Bagdad, Irak. Een moeder en haar volwassen zoon rijden traag met een Kia aan de verkeerde kant van de weg en negeren een politiebevel om te stoppen. Het veiligheidspersoneel van Blackwater vuurt een resem waarschuwingsschoten af en gooit een aantal aanvalshandgranaten naar de wagen. Deze granaten geven een harde knal en een felle lichtflits, maar zijn niet dodelijk. De Irakese politie- en legerdiensten denken dat het fragmentatiegranaten zijn, waardoor een vuurgevecht ontstaat. 17 mensen laten het leven in het bloedbad. Brigadier-generaal Abdul-Karim Khalaf meldt zelfs dat het Blackwaterpersoneel willekeurig op burgers schoot. Dat wordt bevestigd in de New York Times, waar beschreven wordt hoe een Blackwaterlid ondanks tegenstand van zijn collega’s op burgers bleef vuren. Blackwater gebruikte volgens de opgemaakte rapporten excessief geweld en vuurde op burgers zonder enige vorm van provocatie. Later onderzoek wees overigens uit dat de meesten die stierven zonder enige reden gedood werden. Blackwater werd als gevolg van dit incident tijdelijk geschorst.

Private Military Companies: què?

Blackwater werd in 1990 door de voormalige US Navy Seal Eric Prince opgericht als een private trainingsfaciliteit om leger- en politie-eenheden te trainen. Deze bevindt zich in North Carolina en is 28 km² groot. Het bedrijf kende vooral een steile opmars na de terreuraanslagen op 11 september 2001. Blackwater leverde snel veiligheidstroepen in Afghanistan en heeft een tijd geleden een contract van 9 miljard dollar gekregen om de ambassadeur van de VS in Irak te bewaken.

Het bedrijf kreeg ook immuniteit, waardoor het niet vervolgd kon worden. Het is een van de zestig private beveiligingsbedrijven die in Irak opereren. Momenteel staat Blackwater bekend als Xe, omdat de naam te negatief werd om nog te gebruiken na een aantal rechtszaken. Het bedrijf was naast de Irakmissie ook nog actief als hulpverlener na de Orkaan Katrina, gaf trainingen aan troepen van Azerbeidzjan, verleende inlichtingen aan een Afghaanse anti-drugseenheid en kreeg ook contracten in Japan om radarsystemen te bewaken.

Blackwater is dus in feite een Private Military Company (PMC), een huurlingenbedrijf. Het is een privaat bedrijf dat niet onder controle staat van een staat, maar het sluit er wel heel wat contracten mee af. Een PMC wordt door de Derde Conventie van Geneve (1949) geplaatst onder de noemer ‘defensiedienstverlener’, maar het levert ook personeel om tactische missies te volbrengen, in tegenstelling tot bedrijven zoals Lockheed Martin. Hoewel de Conventie van Geneve een aantal wetteksten heeft laten opstellen, zijn de zogenaamde ‘rules of engagement’ van een PMC nog niet helemaal hetzelfde als die van de reguliere legerdiensten.

Kapitalisme

Voorstanders van de vrije markt maken vaak het onderscheid tussen ‘rentseekers’ en ‘profitseekers’. Een PMC is volgens hen een rentseeker, omdat de eindgebruiker (de staat) niet de totaalkost moet betalen. Deze wimpelt hij af op de belastingsbetaler, die het grootste deel van de contracten van de PMC betaalt. Net omdat de PMC zo afhankelijk is van de staat hoort men wel eens van ultraliberalen dat dit een logische uitwas is van de sociaaldemocratische welvaartsstaat. ‘Kapitalisme 4.0’ is het nieuwe model in hun ogen: de staat wordt een actieve speler op de vrije markt.

Het hedendaagse kapitalistische systeem is een symbiose tussen de staat en het economische systeem. Er bestaat dus een wederzijdse afhankelijkheid. Men merkt in de verbetenheid van libertariërs om hun handen proper te wassen van het huidige economische systeem dezelfde vastberadenheid die men bij hardleerse communisten vindt. Ze zijn vol lof over de sociaaleconomische verworvenheden van de revolutie, maar zeggen wel dat de Sovjetunie niets te maken heeft met communisme wanneer men de negatieve elementen van het Sovjetrijk opsomt. Hoe dan ook zijn PMC’s een gat in de markt: de Amerikaanse hegemonie heeft nood aan andere vormen van militaire bezettingsstructuren. Het is juist dat een PMC afhankelijk is van opdrachten van de staat. Maar dat maakt het nog altijd geen vazal van een staat, zoals in een feodale relatie tussen heerser en onderdaan. De afhankelijkheid van een PMC van de staat is betrekkelijk relatief, omdat bijvoorbeeld Blackwater/Xe ook trainingen geeft aan buitenlandse troepenmachten.

Een andere kritiek die men vaak hoort is het feit dat een PMC een publiek bedrijf is, waarbij de beslissingen vanuit de overheid komen in plaats van de private personen die het bedrijf in handen hebben. Voor Blackwater/Xe is dit zeker niet van tel. Het is immers geen vazal, hoewel het bedrijf inderdaad geen diensten zal verlenen die tegen de Amerikaanse belangen gaan. De Amerikaanse staat is dé belangrijkste klant. Blackwater/Xe zal bijvoorbeeld niet snel Iraanse troepen gaan trainen in North Carolina, laat staan dat het bedrijf morgen de kernreactoren van Noord-Korea zal bewaken. Toch hebben private militaire ondernemingen al bewezen dat zij ondermijnend kunnen zijn voor een vredesproces. Zo heeft Northbridge Services Group in 2003 aan de Ivoorkust een rebellengroepering voorzien van financiële steun en wapens.

Amerikaans imperialisme

PMC’s kunnen voor de VS wel degelijk belangrijk zijn. Omdat militaire expedities tegenwoordig een gigantische overhead met zich meebrengen kan de VS niet alleen meer op zijn eigen leger terugvallen. Daarnaast kan de VS geen troepen blijven uitsturen zonder daarvoor nog eens extra veel moeite te doen om nieuwe legertroepen klaar te stomen voor de strijd. De Amerikaanse hegemonie zal daardoor immers stilaan te groot worden om alleen door het reguliere leger beheerd te worden. Daar komen PMC’s handig bij van pas. Zij leveren extra troepen met een eigen logistiek apparaat, waardoor de kosten-batenanalyse in het voordeel van het aanwenden van PMC’s uitdraait. Dat beaamt ook Donald Rumsfeld in 2005:

“Het bespaart heel wat kosten om aannemers in te schakelen voor een resem zaken die ons leger niet meer hoeft te doen, en, om welke reden dan ook, andere burgers of overheidspersoneel niet kunnen doen. De aannemers komen van ons land maar ook van andere landen. Soms komen de contracten van ons land of een ander land en zij zetten mensen in van verschillende landen zoals Irakezen en mensen van naburige landen. En daar zijn er veel van. Het cijfer groeit”.

Toen Rumsfeld van het oorlogstoneel verdween, was er een verhouding van ongeveer één huurling per soldaat.

PMC’s kunnen ook een aardige invloed uitoefenen op het buitenlandse beleid van de VS. Eric Prince, de oprichter van Blackwater, is een religieuze Republikein. Het is niet ondenkbaar dat er met de groei van contracten van PMC’s ook een sterke lobbygroep op gang komt. Momenteel zullen zij zeker niet de lobbygroepen die uitgaan van banken of machtige pharmagroepen overklassen. Maar Prince heeft echter wel miljoenen dollars uitgegeven aan conservatieve christelijke kandidaten voor de Republikeinse Partij. Dat is eigen aan de Amerikaanse corpocratie: bedrijven hebben een sterke invloed op het binnenlandse en buitenlandse beleid. Een voorbeeld daarvan is de actieve inmenging in Midden- en Zuid-Amerika ten behoeve van de Amerikaanse multinationals, zoals de United Fruit Company. De voorzitter van Starbucks, Howard Schultz, heeft sympathieën voor de Israëlische zaak en geeft jaarlijks miljoenen dollars via de inkomsten van Starbucks aan de staat Israël. En daarnaast zijn er honderden andere bedrijven die een verborgen politieke agenda hebben en belangen hebben die gelijklopen met het Amerikaanse buitenlandse beleid. Het Amerikaanse defensiebedrijf General Dynamics zag zijn winst driemaal verdubbelen sinds de invasies van Afghanistan en Irak tijdens de Bush-administratie. Dit bedrijf stelt momenteel heel wat mensen uit het voormalige Cheney-kabinet te werk. Het is dus helemaal niet ondenkbaar dat PMC’s bepaalde kandidaten financieel zullen steunen zodat zij verkozen geraken.

Bovendien zijn er altijd conflicten op de wereld die door clandestiene operaties verder opgestookt kunnen worden. De CIA heeft de afgelopen decennia heel wat verschillende rebellengroepen en opstandige generaals in links georiënteerde landen in Zuid-Amerika gesteund zodat daar een militaire junta aan de macht kon geraken. Maar het zijn blijkbaar niet enkel overheidsinstanties die hun invloed uitstrekken. In augustus 2004 was Blackwater betrokken bij een poging tot een coup in Equatoriaal-Guinea. Mark Thatcher, zoon van Margareth Thatcher, zou hierin een rol gespeeld hebben.

Niet altijd even legaal

In de eerste helft van 2009 kwamen er 2500 huurlingen bij in Irak, maar Blackwater zit daar niet meer bij. Het bedrijf verlegde haar zwaartepunt naar anti-drugsoperaties in Latijns-Amerika. DynCorp nam de rol over, een bedrijf dat eveneens een berucht verleden heeft. Zo waren voormalige personeelsleden van het bedrijf betrokken bij mensenhandel in het voormalige Joegoslavië. Met behulp van de Servische maffia vervoerden zij Roemeense en Russische seksslavinnetjes. Andere bedrijven blijven ook aanwezig in Irak: Aegis, Eirlys, de Steele Foundation, …

De vraag van rechtsgeldigheid is daarom belangrijk, want hoe kunnen zulke bedrijven dit blijven doen zonder vervolgd te worden? PMC’s moeten geen directe verantwoording afleggen aan het Amerikaanse Congres. Door gebrek aan een degelijke wetgeving rond PMC’s zijn een aantal leden van DynCorp die zich in Bosnië schuldig hebben gemaakt aan verkrachtingen vrijuit gegaan. De Titan Corporation leende een aantal vertalers en ondervragers uit aan de beruchte Abu Ghraibgevangenis. In 2009 is er dan weer een onderzoek opgestart naar Amerikaanse PMC’s die konvooien van het Amerikaanse leger in Afghanistan beschermden door Afghaanse krijgsheren en talibanstrijders te betalen. Zo zou de VS indirect geld afdragen aan de opstandelingen die zij net trachten te bestrijden.

De toekomst

Stellen dat de oorlog met de opkomst van PMC’s wordt geprivatiseerd zou een boude stelling zijn. Ten slotte worden oorlogen in eerste plaats nog altijd aangegaan door staten en niet door bedrijven. Het is twijfelachtig dat een PMC vandaag de dag zoveel geld zou hebben dat het de kost van een ‘militaire overhead’ zou kunnen dragen. Een staat heeft veel meer mogelijkheden om geld in te zetten voor een militaire expeditie. Het is echter wel zo dat de belangen van de private sector zeer sterk verwikkeld zijn met het Amerikaanse buitenlandse beleid en zo een aardig stukje bijdragen aan de uitbouw en de in stand houding van de Amerikaanse hegemonie. Door lobbygroepen op te richten en bepaalde Congresleden te steunen kunnen PMC’s wel een aardige invloed uitoefenen op de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Sommige mensen zeggen dat de Amerikaanse economie alleen maar beter wordt van oorlogsvoering. Dit geldt zeker voor PMC’s: zij staan en vallen bij Amerikaanse aanwezigheid in het buitenland. Tegenstanders willen zware sancties opleggen tegen zulke bedrijven. Andere stemmen, zoals de kritische Britse commentator Robert Fisk, willen dat het Midden-Oosten vrij van Westerse inmenging blijft. In zulke ogen is het buitenlandse beleid van de VS een grotere bedreiging voor de wereldvrede dan ‘schurkenstaten’ zoals Iran of Noord-Korea. Met de opkomst van PMC’s ziet men die bedreiging gedeeltelijk in private handen belanden.

 

P.