TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Julius Evola

De Wanderlust tussen het profane en het sacrale

“Rönne wanted to go to Antwerp, but how, without corrosion? He could not come to lunch. He had to say he could not come to lunch today; he was going to Antwerp. To Antwerp, the listener would be wondering? Contemplation? Reception? Perambulation? That seemed unthinkable to him. It purported enrichment and construction of the soul“.

Enrichment and construction of the soul – that was what the old world was doing roundabout, unmoved by the far-reaching collapse of the times that enfeebled Rönne. The old world was still sitting in the officers’ mess, eating – as we shall soon see – of a tropical fruit, and waging wars, but he could not longer take part in it. In an age of rockets casually refueling on stars, of Cook’s paving the jungle for guided tours, of polar distance shrinking to short-haul rates and dowagers competing in Himalayan excursions, Rönne’s travel urge met with an inner resistance.

Gottfried Benn, “The way of an intellectualist” in Primal Vision.

 

© Peter Verheyen

De historicus Stephen Kern duidt aan dat het verschil tussen de profane en sacrale ruimte in de negentiende eeuw vervaagde door de secularisering[1]. Deze opmerking verbindt hij met de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, die God doodverklaarde[2]. De bruggen tussen de wereldlijke, profane wereld en de transcendente, sacrale wereld werden hierdoor verbroken. Cultuurfilosoof Julius Evola beaamde eveneens deze ‘ontologische breuk’, voor hem duidde dit zelfs op een onderscheid tussen een moderne en traditionele beschaving[3]. Ook de Vlaamse letterkundige Ernest Van der Hallen merkte deze vervaging op, door in Brieven aan een jonge vriend de cultuur aan te klagen die God en de godsdienst heeft uitgeschakeld in het leven[4]. Een belangrijk gevolg van deze vervaging was de bedreiging van profane inmenging van de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen.

Vooral de toeristen moesten het ontgelden. Lieven De Cauter duidt aan dat zij de genius loci, de ziel van een plek, aantastten[5].  Toeristen bevuilden de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen met materialisme en trivialiteit. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem[6]. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’[7]. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land[8]. Ook zijn geliefde begijnhof in Lier liep het gevaar in waarde te dalen tot een typische toeristische trekpleister[9]. Evola meende dat de massale toevloed van toeristen naar de bergen zijn ‘heiligdom’ zou bevuilen met een ‘plebejische kwaliteit’. Dit zou het verlies veroorzaken van de spirituele kwaliteit en de waarde van de ervaring van het bergbeklimmen[10]. Zo degenereerde de existentiële en spirituele ervaring van hun sacrale ruimten naar een condition touristique[11].

Toch deelden Evola en Van der Hallen een aantal gemeenschappelijke kenmerken met toeristen. Lieven De Cauter stelt vast dat de hedendaagse toerist twee elementen heeft geërfd van de Romantiek: de reislust als een spiegel van innerlijke onrust en het geloof dat reizen goed is en noodzakelijk om te bekomen van de stress[12]. Hun vlucht naar de sacrale ruimte is daar een illustratief voorbeeld van. Ernest van der Hallen had het vaak over een droom of sprookje, of dit nu in een oase in de Noord-Afrikaanse woestijn was of onder een boom terwijl hij de geschriften van de middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec[13] aan het lezen was[14]. Door zich voor te doen als zwerver, wilde hij ‘den toerist uit den weg te blijven’[15]. Julius Evola deed zijn best de ‘romantische subjectivistische pathos’ van de moderne mens te ontkennen, omdat hij zich wou spiegelen aan ‘de traditionele mens’ die eerder reële sensaties beleefde in de natuur. In zijn eigen woorden: ‘we may assume that in traditional man the power of imagination was not merely confined to either the material images […] and subjective images, as in the case of the […] dreams of modern man’[16]. Toch onderging hij regelmatig verwondering in de bergen, waar hij net als Van der Hallen een onbeschrijfelijke nostalgie voelde en een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze koesterde[17]. ‘Is het ten slotte toch nog de eeuwige burger in ons’, leek Van der Hallen toe te geven, ‘die ons drijft naar een andere vorm van sensatie […]?’[18].

P.


[1] KERN, Stephen, The culture of time and space 1880-1918., Harvard University Press, Cambridge, 1983, 179.

[2] Zie: NIETZSCHE, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap., Arbeiderspers, Amsterdam, 2007.

[3] EVOLA, Julius, Revolt against the modern world., Inner Traditions, Rochester, 1995, xxxii.

[4] VAN DER HALLEN, Ernest, Brieven aan een jonge vriend., L.V. Tijl, Deurne, 1932, 16.

[5] CAUTER, Lieven de, Archeologie van de kick. Over moderne ervaringshonger. Vantilt, Nijmegen, 2009, 139.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Cheiks, pelgrims en rabbijnen., Het Spectrum, Utrecht, s.d., 68.

[7] Ibidem, 69.

[8] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 76.

[9] VAN DER HALLEN, Ernest, ‘Wat over schoonheid in onze samenleving’, Storm, JG 3, n°11, 1 juni 1921.

[10] EVOLA, Julius, Meditations on the peaks., Inner Traditions, Rochester, 1998, 41.

[11] Archeologie van de kick, 15.

[12] Ibidem, 130.

[13] Jan van Ruusbroec (1293-1381) was een Brabantse priester en kapelaan die in het Middelnederlands mystieke teksten schreef.

[14] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 103; AMVC, R 286/B2, Brief van Ernest van der Hallen aan Flor van Reeth op 23 september 1922.

[15] Oost-Zuid-Oost, 5; Tusschen Atlas en Pyreneeën, 115.

[16] Revolt against the modern World, 151.

[17] Meditations on the peaks, 71.

[18] Tusschen Atlas en Pyreneeën, 10.

Advertenties

Het onbewogen koningschap en de revolte

[…]

Als startpunt gebruiken we het Hindoedenkbeeld van de cakravartin, of “universele koning”. De cakravartin geldt als een archetype van de koninklijke functie, waar verscheidene koningen, die aan het traditionele principe voldoen, min of meer complete beelden of zelfs bijzondere uitdrukkingen van vertegenwoordigen. Cakravartin betekent letterlijk “heer” of “spinner van het wiel”. Dit denkbeeld brengt ons terug naar het idee van een centrum dat ook aan een innerlijke staat, een manier van Zijn of, beter, dé weg van het Zijn, beantwoordt.

In feite symboliseert het wiel ook de samsara of de stroom van het worden (de Hellenen noemden dit het “wiel van de generatie” of “het wiel van het Lot”). Zijn bewegingsloos centrum duidt op de inherente spirituele stabiliteit van zij die niet door deze stroom worden beroerd en die de aan de inferieure aard verbonden energieën en activiteiten kunnen organiseren en onderwerpen aan een hoger principe. Dan verschijnt de cakravartin als de dharmaraja, de “Heer van de Wet” of “de Heer van het Wiel van de Wet”. Volgens Confucius: “Het overheidsbedrijf via deugd kan vergeleken worden met de poolster, aan wie de menigte sterren hulde brengen terwijl deze op zijn plaats blijft”. Daar komt ook de betekenis van het concept “revolutie” vandaan, de beweging rond een “onbewogen beweger”, hoewel het vandaag in de moderne wereld synoniem is geworden met subversie.

In deze zin neemt het koningschap de rol van een “pool” aan, door te verwijzen naar een algemene traditionele symboliek. We herinneren ons hier dat […] Plato verwijst naar de plaats waar Zeus beraadslaagt met de goden om een beslissing over het lot van Atlantis te treffen: “Hij riep dus alle goden op naar zijn meest glorieuze verblijfplaats, dat in het midden van het universum staat en uitkijkt over het gehele veranderlijke rijk”. Het bovenvermelde denkbeeld van de cakravartin is ook verbonden met een cyclus van raadselachtige tradities over het werkelijke bestaan van een “wereldcentrum”, […]. Sommige essentiële koningschapssymbolen hadden oorspronkelijk een nauwe verbondenheid met deze ideeën. Een van deze symbolen was de scepter, waarvan de voorname functie analoog verbonden was met de “wereldas”. Een ander symbool is de troon, een “verheven” plaats; stilzitten op de troon evoceert namelijk, in aanvulling op de aan de “pool” en “onbewogen beweger” verbonden betekenis van stabiliteit, overeenstemmende innerlijke en metafysische betekenissen.

[…]

~

Julius Evola in Rivolta contro il mondo moderno (III, Polaire symboliek; de Heer van Vrede en Rechtvaardigheid)

“Een schitterende, angstaanjagende oersensatie!”

Wat zou ik me nog kunnen herinneren over deze uitstap naar de grenzen van Italië? Winterbossen, skiën, de grootse witte panorama’s die we van op de pieken zagen, de hardvochtigheid van twaalf graden onder nul onder een stralende ochtendzon. En toch was geen van deze dingen iets speciaals.

Ik herinner me veeleer de ervaring van het Resiameer in de nacht. Geloof het of niet, maar we bouwden daar een kleine nachtclub. In een huis dat op een klooster leek, gebouwd door nobele Franse vluchtelingen op het einde van de 17de eeuw, vond iemand van ons een grammofoon en als bij wonder de jazzplaten van Wunder-Bar. Het probleem van wat ’s nachts te doen was dus opgelost.

Iemand stak een groot vuur aan. In plaats van wijn te drinken dronken we rum en kirsch. We dansten, en wanneer we dronken waren begonnen we over dingen te discussiëren. Dan gingen we naar buiten voor een wandeling in de nacht die onder de min tweeëntwintig graden dook.

Iemand kwam op het idee om naar het meer te gaan. We bevinden ons in het midden van de nacht. Probeer een immense vlakte van zwart kristal in te beelden, zo gepolijst als een spiegel, die mijlenver uitstrekt: dit is hoe een bevrozen meer eruit ziet. De besneeuwde pieken aan twee zijden van de vallei en een ongelofelijke sterrenhemel worden gereflecteerd in deze vlakte met een magnetische schoonheid; het voelt aan of we gevangen zijn tussen een dubbele luchtspiegeling of een dubbele doorzichtigheid. Probeer, indien mogelijk, in te beelden hoe het moet voelen om naar het midden van het meer te gaan zonder schaatsen, om door de noordelijke wind aangevallen te worden, en dit in een fysieke en spirituele staat van lucide intoxicatie, waarin alcohol, natuur en innerlijke exaltatie allemaal een rol spelen.

Wie dit niet ervaren heeft, weet ook niet waar het breken van het onderwaterijs allemaal om gaat. Door de snel dalende temperatuur gebeurt het dat tijdens de nacht de diepere ijslagen onder het water van het meer breken. Wanneer dat gebeurt, kan men een gebrul en luid lawaai op een angstaanjagende manier horen weerkaatsen over de gehele ijzige korst van het meer, die doorheen de vallei wordt gedragen als een krachtige echo. Dit vormt echter geen gevaar, omdat deze breuken het oppervlak niet bereiken. Door echter plotseling een gebrul te voelen die onder je voeten groeit met een luid gonzend lawaai, die dan door de berg als een echo weerklinkt, is het net of je de stem van de aarde zelf hoort. Alsof een afgrond zich onder je voeten opent. Dit is waarlijk een erg angstaanjagende ervaring die net als een aardbeving het bloed doet stollen. Het ontbrandt een gevoel van ontwaken van een schitterende en angstaanjagende oersensatie, die in de meest archaïsche uithoeken van onze aard sluimert.

De details van deze nacht zijn voorgoed in mijn geheugen ingebed: de ongelofelijke koude; de wonderlijke sterrennacht; de reflecterende, glinsterende sneeuw rondom ons; het gevoel van opwinding vermengd met een lucide spanning; een perfecte mentale balans; en het verschrikkelijke primitieve gevoel dat uit de diepte van het meer naar boven komt in de absolute stilte van de vallei. In deze omstandigheden is het mogelijk om zonder enige retorische overdrijving te spreken van een moment dat het gewone leven overstijgt.

Julius Evola in Meditazione delle vette (hier (link) te koop).

Bericht aan de “Indignados”

Omdat de razernij van Kali Yuga ons allen treft …

—–

“Het is tegenwoordig haast de gewoonte geworden om te spreken van de “neergang van het Westen”, de crisis van de hedendaagse beschaving en de gevaren en verwoestingen die het heeft veroorzaakt. Ook worden nieuwe voorspellingen geformuleerd over de toekomst van Europa of de wereld, en uit vele hoeken wordt opgeroepen om het Westen te “verdedigen”.

            Temidden van deze opschudding is er in het algemeen zeer weinig dat de ondeskundigheid van intellectuelen overstijgt. Het zou bijna te eenvoudig zijn te laten zien hoe hun visies ware principes ontbreken, en hoe zij die wensen te reageren onbewust eerder behouden wat zij verwerpen, en hoe de meeste mensen niet echt weten wat ze willen, omdat ze gehoorzamen aan irrationele impulsen. We vinden dit vooral terug in de praktijk, waar gewelddadige en chaotische uitingen van “protesten” worden waargenomen, die globaal wensen te zijn, hoewel deze worden geïnspireerd door contingente en terminale vormen van de moderne beschaving.

            Ook al zou het overhaast zijn om in deze protestfenomenen iets positiefs te zien, hebben ze desalniettemin een symptomatische waarde; deze fenomenen illustreren duidelijk dat overtuigingen die ooit vanzelfsprekend waren dit vandaag niet langer zijn […] Sommige pseudo-intellectuele en irrationele reacties lijken de moderne mens alleen maar af te leiden en voorkomen dat deze zich ten volle bewust zou worden van de wereldwijde en angstaanjagende gewaarwording dat de hedendaagse wereld een levenloos lichaam is dat van een helling valt en door niets of niemand kan worden tegengehouden.

           Er zijn ziektes met een lange incubatieperiode die enkel opduiken wanneer hun verborgen werk tot een einde is gekomen. Dit is het geval met het verval van wat de mens ooit beschouwde als beschaving par excellence. Hoewel de moderne mens de bleke toekomst van het Westen pas recent heeft waargenomen, zijn de oorzaken eeuwenlang actief geweest en hebben bijgedragen aan het spirituele en materiële verval. Niet alleen hebben deze oorzaken de mogelijkheid tot opstand en de terugkeer tot een normale en gezonde menselijke maatschappij weggenomen, maar bovenal ook het vermogen te begrijpen wat normaliteit en gezondheid werkelijk betekenen.

            Dus, ongeacht hoe oprecht hun intentie opstandelingen bezielt om de alarmbel te luiden, zouden we geen valse hoop moeten koesteren over de afloop. Het is niet gemakkelijk om te beseffen hoe diep we moeten graven tot we de enige wortel vinden waaruit de huidige, negatieve gestalten ontspruiten als natuurlijke en noodzakelijke gevolgen. […] Sommige mensen “reageren”; anderen “protesteren”. […] En toch zijn dit slechts “reacties” en geen acties, of positieve bewegingen, die vanuit een innerlijke dimensie afkomstig zijn en getuigen van het bezit van een fundament, een principe of een centrum. Er zijn teveel aanpassingen en “reacties” geweest in het Westen. De ervaring heeft aangetoond dat op deze manier niets wezenlijks kan ontstaan. Ontwaken en opstaan is wat werkelijk nodig is in plaats van heen en weer te liggen woelen in een bed van doodangst.

            De zaken hebben vandaag zulk een dieptepunt bereikt dat ik me afvraag wie in staat zou zijn om de moderne wereld in zijn geheel te beoordelen, in plaats van slechts enkele aspecten (zoals “technocratie” of “consumentenmaatschappij”) of de uiteindelijke zin ervan. Dat zou het werkelijke startpunt zijn”.

EVOLA, Julius, Revolt against the modern world, Inner Traditions Publishing, Rochester, 1995, xxviii-xxix (eigen vert.).

“I want to see mountains again. Mountains, Gandalf!”

‘Wat is het doel van de bergbeklimming?’ vroeg de Franse esotericus René Daumal zich af toen hij zijn werk Le Mont analogue. Roman d’aventures alpines, non euclidiennes et symboliquement authentiques schreef. Een mens riskeert het vege lijf om die ontzagwekkende kolos die voor hem opdoemt en hem uitdaagt, beklimt dramatische verticale rotsmuren en springt over verraderlijke gletsjerspleten om de top te bereiken. Het is onmogelijk verder te gaan, noch te blijven op de pieken. Te temperatuur is te laag, de zuurstof te schaars om er te blijven leven. Een storm broeit in het oosten. Je moet er terug af, naar beneden. Wéér naar beneden, waar je vandaan komt. Wat is het punt? “Het hoge kent het lage, maar het lage kent het hoge niet”, stelt Daumal vast. Geheel in de stijl van Nietzsche’s Zarathoestra. Deze wil terug afdalen van de hoge berg waar hij tien jaar afgezonderd leefde, om de beker van de wijsheid te ledigen en terug mens te worden.

Bergen zijn altijd al symbolen van verering geweest in de menselijke cultuur. Sommige bergen zijn zelfs tot op de dag van vandaag verboden terrein en mogen niet beklommen worden. De berg is dus niet zomaar een samenbotsing van tektonische platen. Het heeft een betekenisgevende rol te spelen voor de mensen die erom heen wonen en zelfs voor mensen die van heinde en ver komen om de berg te bewonderen. Daarom werd de berg beschouwd als een sacrale ruimte, waar talloze legenden over geschreven werd. Ook vandaag nog, wanneer andere ruimtes worden ontheiligd door de aanwezigheid van de moderne cultuur, biedt de onverbiddelijkheid van de berg schutting en mogelijkheden om vruchten te plukken die elders niet meer mogelijk zijn.

De berg geeft volgens de Italiaanse klimmer Renato del Ponte aan de mens de kans ‘zijn innerlijke demonen te bestrijden; de angst van de eenzaamheid, de stilte en de leegte te overwinnen; het goddelijke in de mens te ontwaken; de kracht van de overstijging te geven om naar de top van het zelf te klimmen’. De onverbiddelijkheid van de berg en de overwinning ervan is een school van innerlijke versterking. De berg kent geen compromissen en vergeeft de zwakkeren en onzinnigen niet. In deze zin, meent de traditionalist Julius Evola, wordt de beklimming van de berg een vorm van ascetisme. Het bereiken van de zetel van de Goden is een manier om hen sub specie interioritatis terug te ontwaken. Door ervaring en opoffering wekt men de mythe terug tot leven. Daumal ziet deze ‘vorm van praktische metafysica’ zelfs als een vorm van kunst in de traditionele betekenis van het woord: “de realisatie van bijzondere kennis door actie”.

Tot slot laat ik Zarathoestra zelf spreken, een trouwe reisgenoot voor iedereen die zich in de bergen begeeft:

“O hemel boven mij, gij klare! Diepe! Gij licht-grond! U aanschouwend huiver ik van goddelijke begeerten.

In uw hoogte mij te werpen – dat is mijn diepte! In uw klaarheid mij te bergen – dat is mijn onschuld!

[…]

En reisde ik alleen: naar wie hongerde mijn ziel in nachten en op doolpaden? En beklom ik bergen, wie zocht ik ooit op bergen, zo niet u?”

(“Voor zonsopgang”, Aldus sprak Zarathoestra)

 

P.

 

Aanbevolen literatuur:

Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra

René Daumal, Le Mont Analogue. Roman d’aventures alpines, non euclidiennes et symboliquement authentiques

Julius Evola, Meditazioni delle vette 

De tijger berijden

“Carrièretijger”. Een virtueel Hollands beestje dat je aan je eerste job zal helpen, zo blijkt. Leren solliciteren is een vervloekte bezigheid voor zij die aan dit ritueel begonnen zijn. De schone studentenjaren zijn voorbij, het is tijd om op onze eigen poten te staan. Geen frisse pinten meer om tien uur ’s morgens, terwijl je een kaartje legt met een paar vrienden en je afvraagt of je zo meteen nog naar de les gaat of toch maar eens voor die blauwe Rochefort gaat en na enkele glazen meer heerlijk-dronken gaat verwonderen over het mysterie van de kosmos. In deze dronken roes denk je dat je alles hebt ontrafeld, maar de tijd dringt. De eindtijd van dit korte Gouden Tijdperk komt sneller dichterbij. “Het is mijn Lot”. Hierna volgt in snelheidstempo de onvermijdelijke stap van rebellerende jeugd naar een kortgehouden kleinburger met een kersverse lobotomie, een net tuintje, een proper huisje en een kuis vrouwtje, drachtig van een koddig kind of twee. Het totale, weerzinwekkende einde van de vrijheid, die je misschien niet genoeg hebt weten te koesteren. De schuld lijkt verpletterend te zijn; onherroepelijk lijk je te weinig van die vrijheid geproefd te hebben en nu doemen die ketens van het werkleven op. Een verkwanselde kans, verspild geluk. Het verwoest je innerlijk. De hand van de Dood. Fortuna verlaat deze contreien.

Nee, nee, ik doe het niet, ik laat me niet sollen door zulk een soort defaitisme. Die frisse pinten gaan niet lopen en ik ga nog vele mooie uren beleven met het doorgronden van het Grote Mysterie van het Al. Het leven gaat door. En daarbij komt die Hollandse tijger misschien wel van pas. “Wie de tijger berijdt, kan zelf niet door hem worden aangevallen”, zo luidt een oud oosters gezegde. Het is de enige manier om de grote verwoestingen van Kali Yuga te overleven. En dan is het wachten tot die tijger bijgestuurd kan worden, tot hij uiteindelijk neervalt. Het innerlijke leven begint nu écht.

P.

“Het leven is een nachtelijke reis”

“De positieve contemplatio mortis, waar ik naar verwijs, hecht geen belang meer aan het in leven blijven of niet, en laat de dood achter zich zonder erdoor verlamd te worden. Integendeel: vanaf dit punt zou men een hogere, geëxalteerde, vrije vorm van bestaan moeten betreden, dat gedragen wordt door een soort magische, lucide intoxicatie.

Er is één factor die de dood op een positieve manier van haar drame verlost: dat is wanneer men spreekt van de traditionele doctrine van de pre-existentie. De gedifferentieerde mens denkt niet dat zijn wezen begint met de fysieke, lichamelijke geboorte en eindigt met de dood. Hij is echter niet in staat het ‘leven na de dood’ in het centrum van zijn bestaan te plaatsen, zoals in de religieuze verlossingstheorie. Evenmin kan hij het aardse bestaan zien als een loutere ascetische voorbereiding op de dood. We hebben gezien dat hij het probleem van de zin van het leven in een nihilistisch tijdperk oplost door het Ik naar de dimensie van het Zijn te verplaatsen.  […]

Een Oosters gezegde luidt als volgt: “Het leven op aarde is een nachtelijke reis”. Men kan deze positieve boodschap verklaren door te verwijzen naar de sensatie van een “voor” en een “na” (met betrekking tot de menselijke existentie). In metafysische termen is de geboorte een verandering van toestand, net als de dood; de menselijke conditie van het aardse bestaan is slechts een beperkte doorsnede van het continuüm, in een stroom die vele andere toestanden doorkruist”.

EVOLA, Julius, Ride the tiger. A survival manual for the aristocrats of the soul, Inner Traditions, Rochester, 2003, 219-220 (eigen vertaling).

Belgische surrealist Marc Eemans over Julius Evola

 

Marc Eemans, 1930

Q.: Vous avez aussi fondé le Centrum Studi Evoliani, dont vous êtes toujours le Président…

ME: Oui. Pour ce qui concerne la philosophie, j’ai surtout été influencé par Nietzsche, Heidegger et Julius Evola. Surtout les deux derniers. Un Gantois, Jef Vercauteren, était entré en contact avec Renato Del Ponte, un ami de Julius Evola. Vercauteren cherchait des gens qui s’intéressaient aux idées de Julius Evola et étaient disposés à former un cercle. Il s’adressa au Professeur Piet Tommissen, qui lui communiqua mon adresse. J’ai lu tous les ouvrages d’Evola. Je voulais tout savoir à son sujet. Quand je me suis rendu à Rome, j’ai visité son appartement. J’ai discuté avec ses disciples. Ils s’étaient disputés avec les gens du groupe de Del Ponte. Celui-ci prétendait qu’ils avaient été veules et mesquins lors du décès d’Evola. Lui, Del Ponte, avait eu le courage de transporter l’urne contenant les cendres funéraires d’Evola au sommet du Mont Rose à 4000 m et de l’enfouir dans les neiges éternelles. Mon cercle, hélas, n’a plus d’activités pour l’instant et cela faute de personnes réellement intéressées.

En effet, il faut avouer que la pensée et les théories de Julius Evola ne sont pas à la portée du premier militant de droite, disons d’extrême-droite, venu. Pour y accéder, il faut avoir une base philosophique sérieuse. Certes, il y a eu des farfelus férus d’occultisme qui ont cru qu’Evola parlait de sciences occultes, parce qu’il est considéré comme un philosophe traditionaliste de droite. Il suffit de lire son livre Masques et visages du spiritualisme contemporain pour se rendre compte à quel point Evola est hostile, tout comme son maître René Guénon, à tout ce qui peut être considéré comme théosophie, anthroposophie, spiritisme et que sais-je encore.

L’ouvrage de base est son livre intitulé Révolte contre le monde moderne qui dénonce toutes les tares de la société matérialiste qui est la nôtre et dont le culte de la démocratie (de gauche bien entendu) est l’expression la plus caractérisée. Je ne vous résumerai pas la matière de ce livre dense de quelque 500 pages dans sa traduction française. C’est une véritable philosophie de l’histoire, vue du point de vue de la Tradition, c’est-à-dire selon la doctrine des quatre âges et sous l’angle des théories indo-européennes. En tant que “Gibelin”, Evola prônait le retour au mythe de l’Empire, dont le IIIième Reich de Hitler n’était en somme qu’une caricature plébéienne, aussi fut-il particulièrement sévère dans son jugement tant sur le fascisme italien que sur le national-socialisme allemand, car ils étaient, pour lui, des émanations typiques du “quatrième âge” ou Kali-Youga, l’âge obscur, l’âge du Loup, au même titre que le christianisme ou le communisme. Evola rêvait de la restauration d’un monde “héroïco-ouranien occidental”, d’un monde élitaire anti-démocratique dont le “règne de la masse”, de la “société de consommation” aurait été éliminé. Bref, toute une grandiose histoire philosophique du monde dont le grand héros était l’Empereur Frédéric II de Hohenstaufen (1194-1250), un véritable héros mythique…

Evola in de bergen, Eerste Wereldoorlog.

LE CHASSEUR D'ÉGOÏSME (1927)

Volledige interview door Koenraad Logghe en Robert Steuckers is hier te lezen. In het Nederlands verschenen in De Vrijbuiter, 5/1989.