TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Kapitalisme

Pitirim Sorokin spreekt …

The organism of the Western society and culture seems to be undergoing one of the deepest and most significant crises of its life. The crisis is far greater than the ordinary; its depth is unfathomable, its end not yet in sight, and the whole of the Western society is involved in it. It is the crisis of a Sensate culture, now in its overripe stage, the culture that has dominated the Western World during the last five centuries. It is also the crisis of a contractual (capitalistic) society associated with it. In this sense we are experiencing one of the sharpest turns in the historical road…. The diagnosis of the crisis of our age which is given in this chapter was written…. Gigantic catastrophes that have occurred since that year…strikingly confirm and develop the diagnosis…. Not a single compartment of our culture, or of the mind of contemporary man, shows itself to be free from the unmistakable symptoms….

Shall we wonder, therefore, that if many do not apprehend clearly what is happening, they have at least a vague feeling that the issue is not merely that of “prosperity,” or “democracy,” or “capitalism,” or the like, but involves the whole contemporary culture, society, and man? …

Shall we wonder, also, at the endless multitude of incessant major and minor crises that have been rolling over us, like ocean waves, during recent decades? Today in one form, tomorrow in another. Now here, now there. Crises political, agricultural, commercial, and industrial! Crises of production and distribution. Crises moral, juridical, religious, scientific, and artistic. Crises of property, of the State, of the family, of industrial enterprise…Each of the crises has battered our nerves and minds, each has shaken the very foundations of our culture and society, and each has left behind a legion of derelicts and victims. And alas! The end is not in view. Each of these crises has been, as it were, a movement in a great terrifying symphony, and each has been remarkable for its magnitude and intensity.

Sorokin, Pitirim A. Social and Cultural Dynamics. 4 vols. 1937 (vols. 1-3), 1941 (vol. 4); rev. 1957 (reprinted: Transaction Publishers, 1985)., pp. 622-623)

Klik en lees meer.

“Hoe is het mogelijk!”

Wie regelmatig tweedehandsboekenwinkels bezoekt, komt na een tijd te weten dat niet alleen de inhoud van de boeken opmerkelijk is, maar ook de boeken zelf. Omdat ze ouder zijn, hebben ze vaak heel wat meegemaakt. Dat zie je, voel je en ruik je soms ook. Een cirkel van een koffietas, abstracte aantekeningen en gescheurde bladen. Je onderneemt als het ware een zoektocht naar de geschiedenis van het aangekochte boek. Bij een steriel nieuw boek heb je dat gevoel niet, ook al is de inhoud ontzettend boeiend. Nieuwe boeken zijn maagdelijk en onbevlekt, maar daardoor ook doodsaai.

Zo kwam ik op een mooie dag in mijn favoriete tweedehandsboekenwinkel een verzamelwerk van Schiller tegen, de bekende Duitse dichter die goed bevriend was met Goethe. De vriendschap van beide heren is tot op de dag van vandaag een drukbesproken onderwerp. Daarvoor kan ik alleen maar het boek van de Duitse schrijver-filosoof Rüdiger Safranski voor aanraden, die deze opmerkelijke relatie op een ontzettend boeiende wijze heeft verhaald. Er is zelfs een standbeeld van beide personen voor het nationale theater in Weimar, dé place to be voor de literaire goegemeente in de achttiende en negentiende eeuw.

Het boek werd gedrukt in de D.D.R., Oost-Duitsland; het land van Honecker, Trabi’s en een lange muur. Het werk is onderdeel van de reeks Lesebücher für unsere Zeit en werd door Aufbau-Verlag Berlin und Weimar in 1969 gedrukt. Een eerste aantekening die ik tegenkom van de vorige eigenaar bevindt zich op de eerste pagina: “Warsawa. 7 sept ’70”. Een klein deel van de sluier wordt opgeheven. Ik weet waar het boek is geweest. Door de ganse inleiding heb ik me nog niet geworsteld, omdat mijn Duits een beetje roestig is, maar het einde ervan is typerend voor de tijd:

“Lassen wir deshalb das Werk Schillers neu aufleben, lassen wir es eingehen in den Kampfs des deutschen Volkes gegen den lebenzerstörenden Imperialismus, für die nationale Einheit in einem friedliebenden demokratischen Deutschland, für das Glück der Menschen in einer friedlichen Welt, der Welt des Sozialismus”.

Opmerkelijk, dat wel. Maar op zich niets bijzonders; hoogstens een rariteit. De commentaar van de vorige bezitter is echter wel interessant, en heeft me meteen gegrepen:

“Hoe is het mogelijk! Ook tegen het communisme zou Schiller geprotesteerd hebben, want veel verschil is er niet tussen een kapitalistisch-imperialistische en een communistische dictatuur. Dictatuur is dictatuur. En holle leuzen zijn holle leuzen. Altijd. Waar ter wereld ook”.

P.

Het fenomeen PMC: de terugkeer van de feodaliteit?

Huurlingenbedrijven voegen een nieuwe dimensie toe aan het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Op 16 september 2007 bewaken huurlingen van de private militaire organisatie Blackwater een konvooi nabij het Nisourplein in Bagdad, Irak. Een moeder en haar volwassen zoon rijden traag met een Kia aan de verkeerde kant van de weg en negeren een politiebevel om te stoppen. Het veiligheidspersoneel van Blackwater vuurt een resem waarschuwingsschoten af en gooit een aantal aanvalshandgranaten naar de wagen. Deze granaten geven een harde knal en een felle lichtflits, maar zijn niet dodelijk. De Irakese politie- en legerdiensten denken dat het fragmentatiegranaten zijn, waardoor een vuurgevecht ontstaat. 17 mensen laten het leven in het bloedbad. Brigadier-generaal Abdul-Karim Khalaf meldt zelfs dat het Blackwaterpersoneel willekeurig op burgers schoot. Dat wordt bevestigd in de New York Times, waar beschreven wordt hoe een Blackwaterlid ondanks tegenstand van zijn collega’s op burgers bleef vuren. Blackwater gebruikte volgens de opgemaakte rapporten excessief geweld en vuurde op burgers zonder enige vorm van provocatie. Later onderzoek wees overigens uit dat de meesten die stierven zonder enige reden gedood werden. Blackwater werd als gevolg van dit incident tijdelijk geschorst.

Private Military Companies: què?

Blackwater werd in 1990 door de voormalige US Navy Seal Eric Prince opgericht als een private trainingsfaciliteit om leger- en politie-eenheden te trainen. Deze bevindt zich in North Carolina en is 28 km² groot. Het bedrijf kende vooral een steile opmars na de terreuraanslagen op 11 september 2001. Blackwater leverde snel veiligheidstroepen in Afghanistan en heeft een tijd geleden een contract van 9 miljard dollar gekregen om de ambassadeur van de VS in Irak te bewaken.

Het bedrijf kreeg ook immuniteit, waardoor het niet vervolgd kon worden. Het is een van de zestig private beveiligingsbedrijven die in Irak opereren. Momenteel staat Blackwater bekend als Xe, omdat de naam te negatief werd om nog te gebruiken na een aantal rechtszaken. Het bedrijf was naast de Irakmissie ook nog actief als hulpverlener na de Orkaan Katrina, gaf trainingen aan troepen van Azerbeidzjan, verleende inlichtingen aan een Afghaanse anti-drugseenheid en kreeg ook contracten in Japan om radarsystemen te bewaken.

Blackwater is dus in feite een Private Military Company (PMC), een huurlingenbedrijf. Het is een privaat bedrijf dat niet onder controle staat van een staat, maar het sluit er wel heel wat contracten mee af. Een PMC wordt door de Derde Conventie van Geneve (1949) geplaatst onder de noemer ‘defensiedienstverlener’, maar het levert ook personeel om tactische missies te volbrengen, in tegenstelling tot bedrijven zoals Lockheed Martin. Hoewel de Conventie van Geneve een aantal wetteksten heeft laten opstellen, zijn de zogenaamde ‘rules of engagement’ van een PMC nog niet helemaal hetzelfde als die van de reguliere legerdiensten.

Kapitalisme

Voorstanders van de vrije markt maken vaak het onderscheid tussen ‘rentseekers’ en ‘profitseekers’. Een PMC is volgens hen een rentseeker, omdat de eindgebruiker (de staat) niet de totaalkost moet betalen. Deze wimpelt hij af op de belastingsbetaler, die het grootste deel van de contracten van de PMC betaalt. Net omdat de PMC zo afhankelijk is van de staat hoort men wel eens van ultraliberalen dat dit een logische uitwas is van de sociaaldemocratische welvaartsstaat. ‘Kapitalisme 4.0’ is het nieuwe model in hun ogen: de staat wordt een actieve speler op de vrije markt.

Het hedendaagse kapitalistische systeem is een symbiose tussen de staat en het economische systeem. Er bestaat dus een wederzijdse afhankelijkheid. Men merkt in de verbetenheid van libertariërs om hun handen proper te wassen van het huidige economische systeem dezelfde vastberadenheid die men bij hardleerse communisten vindt. Ze zijn vol lof over de sociaaleconomische verworvenheden van de revolutie, maar zeggen wel dat de Sovjetunie niets te maken heeft met communisme wanneer men de negatieve elementen van het Sovjetrijk opsomt. Hoe dan ook zijn PMC’s een gat in de markt: de Amerikaanse hegemonie heeft nood aan andere vormen van militaire bezettingsstructuren. Het is juist dat een PMC afhankelijk is van opdrachten van de staat. Maar dat maakt het nog altijd geen vazal van een staat, zoals in een feodale relatie tussen heerser en onderdaan. De afhankelijkheid van een PMC van de staat is betrekkelijk relatief, omdat bijvoorbeeld Blackwater/Xe ook trainingen geeft aan buitenlandse troepenmachten.

Een andere kritiek die men vaak hoort is het feit dat een PMC een publiek bedrijf is, waarbij de beslissingen vanuit de overheid komen in plaats van de private personen die het bedrijf in handen hebben. Voor Blackwater/Xe is dit zeker niet van tel. Het is immers geen vazal, hoewel het bedrijf inderdaad geen diensten zal verlenen die tegen de Amerikaanse belangen gaan. De Amerikaanse staat is dé belangrijkste klant. Blackwater/Xe zal bijvoorbeeld niet snel Iraanse troepen gaan trainen in North Carolina, laat staan dat het bedrijf morgen de kernreactoren van Noord-Korea zal bewaken. Toch hebben private militaire ondernemingen al bewezen dat zij ondermijnend kunnen zijn voor een vredesproces. Zo heeft Northbridge Services Group in 2003 aan de Ivoorkust een rebellengroepering voorzien van financiële steun en wapens.

Amerikaans imperialisme

PMC’s kunnen voor de VS wel degelijk belangrijk zijn. Omdat militaire expedities tegenwoordig een gigantische overhead met zich meebrengen kan de VS niet alleen meer op zijn eigen leger terugvallen. Daarnaast kan de VS geen troepen blijven uitsturen zonder daarvoor nog eens extra veel moeite te doen om nieuwe legertroepen klaar te stomen voor de strijd. De Amerikaanse hegemonie zal daardoor immers stilaan te groot worden om alleen door het reguliere leger beheerd te worden. Daar komen PMC’s handig bij van pas. Zij leveren extra troepen met een eigen logistiek apparaat, waardoor de kosten-batenanalyse in het voordeel van het aanwenden van PMC’s uitdraait. Dat beaamt ook Donald Rumsfeld in 2005:

“Het bespaart heel wat kosten om aannemers in te schakelen voor een resem zaken die ons leger niet meer hoeft te doen, en, om welke reden dan ook, andere burgers of overheidspersoneel niet kunnen doen. De aannemers komen van ons land maar ook van andere landen. Soms komen de contracten van ons land of een ander land en zij zetten mensen in van verschillende landen zoals Irakezen en mensen van naburige landen. En daar zijn er veel van. Het cijfer groeit”.

Toen Rumsfeld van het oorlogstoneel verdween, was er een verhouding van ongeveer één huurling per soldaat.

PMC’s kunnen ook een aardige invloed uitoefenen op het buitenlandse beleid van de VS. Eric Prince, de oprichter van Blackwater, is een religieuze Republikein. Het is niet ondenkbaar dat er met de groei van contracten van PMC’s ook een sterke lobbygroep op gang komt. Momenteel zullen zij zeker niet de lobbygroepen die uitgaan van banken of machtige pharmagroepen overklassen. Maar Prince heeft echter wel miljoenen dollars uitgegeven aan conservatieve christelijke kandidaten voor de Republikeinse Partij. Dat is eigen aan de Amerikaanse corpocratie: bedrijven hebben een sterke invloed op het binnenlandse en buitenlandse beleid. Een voorbeeld daarvan is de actieve inmenging in Midden- en Zuid-Amerika ten behoeve van de Amerikaanse multinationals, zoals de United Fruit Company. De voorzitter van Starbucks, Howard Schultz, heeft sympathieën voor de Israëlische zaak en geeft jaarlijks miljoenen dollars via de inkomsten van Starbucks aan de staat Israël. En daarnaast zijn er honderden andere bedrijven die een verborgen politieke agenda hebben en belangen hebben die gelijklopen met het Amerikaanse buitenlandse beleid. Het Amerikaanse defensiebedrijf General Dynamics zag zijn winst driemaal verdubbelen sinds de invasies van Afghanistan en Irak tijdens de Bush-administratie. Dit bedrijf stelt momenteel heel wat mensen uit het voormalige Cheney-kabinet te werk. Het is dus helemaal niet ondenkbaar dat PMC’s bepaalde kandidaten financieel zullen steunen zodat zij verkozen geraken.

Bovendien zijn er altijd conflicten op de wereld die door clandestiene operaties verder opgestookt kunnen worden. De CIA heeft de afgelopen decennia heel wat verschillende rebellengroepen en opstandige generaals in links georiënteerde landen in Zuid-Amerika gesteund zodat daar een militaire junta aan de macht kon geraken. Maar het zijn blijkbaar niet enkel overheidsinstanties die hun invloed uitstrekken. In augustus 2004 was Blackwater betrokken bij een poging tot een coup in Equatoriaal-Guinea. Mark Thatcher, zoon van Margareth Thatcher, zou hierin een rol gespeeld hebben.

Niet altijd even legaal

In de eerste helft van 2009 kwamen er 2500 huurlingen bij in Irak, maar Blackwater zit daar niet meer bij. Het bedrijf verlegde haar zwaartepunt naar anti-drugsoperaties in Latijns-Amerika. DynCorp nam de rol over, een bedrijf dat eveneens een berucht verleden heeft. Zo waren voormalige personeelsleden van het bedrijf betrokken bij mensenhandel in het voormalige Joegoslavië. Met behulp van de Servische maffia vervoerden zij Roemeense en Russische seksslavinnetjes. Andere bedrijven blijven ook aanwezig in Irak: Aegis, Eirlys, de Steele Foundation, …

De vraag van rechtsgeldigheid is daarom belangrijk, want hoe kunnen zulke bedrijven dit blijven doen zonder vervolgd te worden? PMC’s moeten geen directe verantwoording afleggen aan het Amerikaanse Congres. Door gebrek aan een degelijke wetgeving rond PMC’s zijn een aantal leden van DynCorp die zich in Bosnië schuldig hebben gemaakt aan verkrachtingen vrijuit gegaan. De Titan Corporation leende een aantal vertalers en ondervragers uit aan de beruchte Abu Ghraibgevangenis. In 2009 is er dan weer een onderzoek opgestart naar Amerikaanse PMC’s die konvooien van het Amerikaanse leger in Afghanistan beschermden door Afghaanse krijgsheren en talibanstrijders te betalen. Zo zou de VS indirect geld afdragen aan de opstandelingen die zij net trachten te bestrijden.

De toekomst

Stellen dat de oorlog met de opkomst van PMC’s wordt geprivatiseerd zou een boude stelling zijn. Ten slotte worden oorlogen in eerste plaats nog altijd aangegaan door staten en niet door bedrijven. Het is twijfelachtig dat een PMC vandaag de dag zoveel geld zou hebben dat het de kost van een ‘militaire overhead’ zou kunnen dragen. Een staat heeft veel meer mogelijkheden om geld in te zetten voor een militaire expeditie. Het is echter wel zo dat de belangen van de private sector zeer sterk verwikkeld zijn met het Amerikaanse buitenlandse beleid en zo een aardig stukje bijdragen aan de uitbouw en de in stand houding van de Amerikaanse hegemonie. Door lobbygroepen op te richten en bepaalde Congresleden te steunen kunnen PMC’s wel een aardige invloed uitoefenen op de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Sommige mensen zeggen dat de Amerikaanse economie alleen maar beter wordt van oorlogsvoering. Dit geldt zeker voor PMC’s: zij staan en vallen bij Amerikaanse aanwezigheid in het buitenland. Tegenstanders willen zware sancties opleggen tegen zulke bedrijven. Andere stemmen, zoals de kritische Britse commentator Robert Fisk, willen dat het Midden-Oosten vrij van Westerse inmenging blijft. In zulke ogen is het buitenlandse beleid van de VS een grotere bedreiging voor de wereldvrede dan ‘schurkenstaten’ zoals Iran of Noord-Korea. Met de opkomst van PMC’s ziet men die bedreiging gedeeltelijk in private handen belanden.

 

P.

“Kunt u het kort houden?”. De problematische aard van ons eigen fantasme.

Volgens de Sloveense filosoof Slavoj Žižek was de film The Truman Show uit 1998, waarin het hoofdpersonage leeft in een fictieve geïdealiseerde maatschappij, een voorbeeld hoe het laatkapitalistische Californische consumentenparadijs in zijn hyperrealiteit[1] eigenlijk onwerkelijk is. De ontwerkelijking zette zich voort na de ineenstorting van de WTC-torens: het contrast tussen de steriele ‘Coca Cola-idylle’ en de ‘woestijn van de werkelijkheid’, namelijk de reële Derde Wereld, bleef behouden. Wat de ramp op 11 september had kunnen veranderen in de ‘Eerste Wereld’, werd gewoon voortgezet: de afstand tussen Wij en Zij bleef absoluut. De entertainmentwereld speelt hierin een grote en belangrijke rol, waardoor Peter Sloterdijks idee van de illusoire ‘sfeer’ wordt verwerkelijkt. Sciencefictionfilms als Logan’s Run anticiperen op de postmoderne maatschappij door een geïsoleerde groep af te beelden die een steriel leven leidt, maar wel streeft naar de ervaring van de werkelijke wereld. Deze drang wordt gekanaliseerd door de entertainmentwereld met gewelddadige films. Toch weekte 9/11 iets los: de illusoire ‘sfeer’ waar Sloterdijk over sprak werd gepenetreerd door iets ‘reëels’; de ‘werkelijkheid’, vaak slechts een spookbeeld voor vele Westerlingen op het televisiescherm, drong binnen in onze ‘eigen sociale werkelijkheid’.

Shit just got real. Trumans' 9/11 moment.

Sinds de ontzuiling intrad, begon de entertainmentwereld een belangrijke rol te spelen in het dagelijkse bestaan van de westerling. Binnen deze omwenteling ondervond ook de journalistiek een belangrijke transformatie. De ontzuiling gaf meer ademruimte aan de media, die de kans kreeg om zich los te weken van de dominante Moederpartij, commerciële ontwikkelingen boden lucratieve kansen en de journalistiek ontwikkelde zich veel breder dan voordien. De krant van vandaag is iets onwezenlijks voor iemand uit het interbellum. De ontvoogding van de media, zeker in de Belgische context, leidde tot de vorming van mediaconglomeraten. Vele nieuwskanalen zijn vandaag in handen van de bedrijven die ook entertainmentkanalen in de hand hebben. Naast de aloude aanwezigheid van politieke belangen komen ook commerciële belangen in het grote speelveld van de media en dus ook de journalistiek.

De vraag stelt zich of de journalistiek niet teveel bijdraagt aan het behoud van de illusoire ‘sfeer’, die Žižek problematiseert. De ‘Vierde Macht’ is immers zelf een machtsinstelling die de grootste invloed heeft op de publieke opinie, ongetwijfeld een enorme verantwoordelijkheid. De vermenging tussen de reclame- en entertainmentwereld met de journalistieke wereld wordt als zeer problematisch ervaren, stelde Rik van Cauwelaert (directeur van het weekblad Knack) onlangs op een mediadebat. De betrouwbaarheid van de media lijdt hieronder en het onderscheid tussen goed verkoopbaar nieuws en goed nieuws wordt vaak genegeerd. Optimisten geloven dat de mediawereld, vrijgemaakt van verzuiling en paternalistische betutteling, net als de vrije markt zichzelf zal corrigeren. Gekleurde zenders als Fox News Channel bestaan, maar er bestaan ook genoeg andere, meer objectieve en kwalitatieve nieuwsbronnen op de markt. Foutieve informatie wordt zo dus meteen afgestraft en gecorrigeerd door alternatieve nieuwsbronnen. Maar staat de gemiddelde mediaconsument wel zo kritisch tegenover de bronnen en kan deze zich ontvoogden van zijn toegeëigende mediaconsumptiegewoonten? Idealiter zou men kunnen stellen dat het massapubliek een kritisch wezen is dat zelf fungeert als een democratisch orgaan. Toch botst dit met de realiteit: het is utopisch te geloven dat iedere burger zich zal inspannen en evenveel zal bijdragen aan een kritische publieke opinie. Daarom is het de belangrijkste taak van de journalistiek zelf om ervoor te zorgen dat de commerciële belangen niet in de weg staan van degelijke nieuwsberichtgeving.

De ‘illusoire sfeer’ herinnert aan de ‘enclavistische’ verstandhouding die Britse antropologe Mary Douglas onderscheidt. Deze verstandhouding gaat uit van een sterke Wij-Zij tegenstelling, waarin de eigen groep wordt beschouwd als een veilige zone met een officiële cultuur. Typerend hieraan zijn televisie- en radioprogramma’s met een sterke ons-kent-ons-mentaliteit, waarbij gezelligheid en vrolijkheid de politieke berichtgeving “plebejiseert”. Op deze manier wordt zowel de journalistiek als de politiek gebracht naar een niveau waar het helemaal niet hoort te zijn. Dit is een belangrijk gevolg van de omvangrijke invloed van de entertainmentwereld: er is geen plaats voor serieuze nuanceringen en de diepgaande analyses op de drukbezochte media. Het debat op Terzake, toch een van de meer serieuze duidingprogramma’s, tussen een Gentse professor en de woordvoerder van Field Liberation Movement op 30 mei 2011 was bedroevend kort en weinig duidend. “Kunt u het kort houden, professor?” vroeg Lieven Verstraete, “anders zijn we te wetenschappelijk bezig”. Deze teneur is problematisch. Programma’s als Basta die hun verdienste hebben wanneer ze schandelijke praktijken aan het licht brengen, wekken dan weer de indruk dat onderzoeksjournalistiek alleen maar bekend lijkt te worden bij het grote publiek wanneer het ‘leuk’, ‘ludiek’ en ‘humoristisch’ gebracht wordt.

Slavoj Žižek

De vraag om het verschil tussen de journalistiek en de entertainmentsfeer draait om de  aanwezigheid van deze ‘illusoire’ sfeer. Er treedt belangenvermenging op die op zijn minst deels te maken heeft met de gevolgen van de ontzuilde maatschappij. Spreken we van een maatschappij in verval, als we de beschavingsdenkers uit de twintigste eeuw erbij nemen? Er is zeker sprake van een toenemende trivialisering in de journalistieke wereld: het imago van een politicus hangt vaak niet meer af van zijn doen en laten in het parlement, maar zijn ‘market credibility’ en het daarop volgende doen en laten in de mediawereld. Er is een asverschuiving aan de gang en niet in de goede richting. Wezenlijke veranderingen zijn nodig, maar het invoeren van meer regelgevingen of controleorganen zijn slechts van repressieve aard en wellicht ook niet wenselijk. Het gaat veeleer om een mentaliteitsverandering, die uitgaat van een wezenlijk beschavingsideaal en een verzet tegen de algemene apathie, myopie en inertie van de maatschappij. De pers kan die verantwoordelijkheid op zich nemen. De vraag is of dit binnen de huidige maatschappelijke context kan. Is de onwerkelijkheid ervan niet te gebetonneerd? Is de menselijke component, het doelpubliek van de pers, niet te verslaafd aan dit levensgroot fantasme?

P.


[1] Volgens Žižek hét bepalende kenmerk van de postmoderne maatschappij.

Het Messiaanse moment van Cuba – Slavoj Žižek

‘Walter Benjamin definieerde het Messiaanse moment als een Dialektik im Stillstand: wachtend op een Messiaanse Gebeurtenis komt het leven tot stilstand. Zien we in Cuba niet een eigenaardige verwerkelijking hiervan, een negatieve Messiaanse tijd: de sociale stilstand waarin het ‘einde der tijden nabij is’ en iedereen op het Wonder wacht van wat er zal gebeuren als Castro sterft en het socialisme ineenstort? Het verbaast dan ook niet dat, naast politiek nieuws en politieke verslaggeving, het belangrijkste item op de Cubaanse tv Engelse taalcursussen zijn – ongelooflijk veel, elke dag vijf of zes uur. Als doel van het Messiaanse wachten wordt paradoxalerwijze de terugkeer naar de anti-Messiaanse kapitalistische normaliteit gezien – iets waarop het land simpelweg wacht, in een toestand van verstarde levendigheid’.

Slavoj Žižek (Welkom in de woestijn van de werkelijkheid)

“Het verzacht ons geweten en hun lijden, maar geneest niets”

Music For Life kan je vergelijken met een grootschalig circus waaraan de meeste mensen meedoen om hun geweten te sussen. “Ze” hebben ‘hun goed doel van het jaar’ opnieuw kunnen steunen. “Oef! Dat hebben we ook weeral gehad!”. Op zich is dat niet erg. “Steun op zich is een zegen”, heeft iemand die op een daklozenrestaurant werkt me onlangs gezegd. “Ook al is dat vooral tijdens de kerstperiode en daarbuiten weinig”. Goed, dat is ook weer waar.

Je kan niet verwachten dat iedereen die geld geeft aan een goed doel zich helemaal informeert. Dat soort ‘ideologische mobilisering’ is utopisch. Er zijn educatiepakketten voor scholen, maar ik denk dat we veilig kunnen stellen dat de meeste mensen die hebben meegedaan, het gewoon deden voor de hele sfeer die rond Music For Life hing. Veel muziek,  een hele resem originele acties en je kan op TV komen. En dan nog hippe rondhuppelende en dartelende radiopresentators en -presentatrice. Wat wil een mens nog meer? Een groepje dronken mannen riepen “Tetten For Life!”, maar kregen weinig gehoor.

Ach.

De meeste mensen deden mee voor de sfeer. Ik kan me moeilijk inbeelden dat als Music For Life een minder ‘coole’ aanpak verkoos, er nog altijd zoveel geld opgehaald kon worden. Vijf miljoen euro. Weinig mensen weten waar het eigenlijk allemaal om draait. Zowel het doel als de achterliggende commerciële boodschap van Music For Life ontgaat de meesten. Voor StuBru was dit natuurlijk geen verlieslatende operatie geweest. De kijkcijfers stijgen enorm tijdens zulk een mediagebeuren en Jan Van Biesen gaf toe dat het hele initiatief een uitstekend marketingmodel was. Voor de idealisten jammer, maar langs de andere kant is het wel een uiterst succesvolle formule. Het hele establishment deed daarom ook vrolijk mee. N-VA vond “Frietjes For Life” bijvoorbeeld wel leuk en ter goede zaak van hun P.R.-relaties deden heel wat BV’s ook mee. Onbaatzuchtige idiosyncrasie? Natuurlijk niet.

Of een meer informatieve aanpak zou werken betwijfel ik. Het is de commerciële en emotionele aanpak die mensen aantrekt. En niet het doel op zich, want er is genoeg miserie in de wereld om te kunnen steunen. Aidswezen, IDP’s, slachtoffers van mijnen, … Er staat een hele lijst te wachten op liefdadigheidsinitiatieven. Ieder moment van de dag sterft er wel eens een kind ten gevolge van honger, illegale kinderarbeid of ziekte. StuBru heeft er maar uit te kiezen, ze kunnen verpakt worden als marketingproducten. De campagne kenmerkt zich immers door de creatie van een soort empathie voor het doel: wie zou nu een wees in de steek willen laten? Welke onmens zou dat over zijn hart kunnen laten gaan? Combineer dat met de gezelligheid, grootschalige muziekoptredens met internationale namen en de eindejaarsperiode waarin de melige ‘christmas spirit’ zegeviert en je hebt een sterk marketingconcept. Past perfect binnen het zogenaamde ‘cultuurkapitalisme’ zoals de Sloveense filosoof Slavoj Zizek het omschrijft, waar liefdadigheid en kapitalisme samen zijn gegroeid sinds het keerpunt van ‘68.

Even samenvatten. Het initiatief van Music For Life trekt dus mensen aan wegens het hoge entertainmentgehalte, niet wegens het doel. Dat vormt een aardig kritiekpunt, maar verwachten dat mensen zich volledig zullen informeren is een beetje zoals wachten tot de eerste kip op eigen vleugels een transatlantische vlucht maakt. Mensen willen deel uitmaken van het theater, maar zodra ze achter de coulissen verdwijnen is het gedaan met hun rol in het mediacircus.

Het doel dan. Dit jaar is er gekozen voor structurele hulp. En dat is, op zich, een goede zaak. Onderwijs is erg belangrijk om een land een toekomst te geven, want de jeugd is de toekomst. Laat die in de steek en je laat de toekomst in de steek. Een nijpend probleem in Afrikaanse landen is immers het ontbreken van een academische reserve. En diegenen die (al dan niet in het Westen) hebben gestudeerd zijn meestal diegenen die het volk het meeste uitbuiten. Het probleem daardoor is natuurlijk dat het steunen van kleine lokale projecten één zaak is, maar dat je te maken hebt met corrupte Afrikaanse regeringen die een emanciperende groei van onderuit kunnen fnuiken. Je kan een dorpje nog zo hard steunen, als de regio er niet op vooruit gaat door een repressieve overheid die niet omkijkt naar de bevolking ben je daar weinig mee. En er is een internationale economische situatie waar je met een liefdadigheidsinitiatief helemaal geen vat op hebt. De oorzaken daarvan zijn complex en kunnen niet aangepakt worden met een hele resem liefdadigheidsacties. Het zou ideaal zijn mochten arme landen de kans krijgen om een stabiele economie op te bouwen waar niet alleen grondstoffen worden geëxporteerd (dat is een instabiele markt) maar waar er ook afgewerkte producten op basis van die nationale grondstoffen kunnen worden vervaardigd. Een grootschalige structurele veranderingstendens is daarom noodzakelijk ter aanvulling van kleinschalige structurele veranderingen zoals bijvoorbeeld het onderwijsinitiatief voor aidswezen van Music For Life. Daarom dat ik vrees dat het doel van dit jaar de situatie niet zal veranderen, maar enkel kan verzachten. Music For Life vergelijk ik daarom met morfine. Het verzacht ons geweten en hun lijden, maar geneest niets.

De muskietennetten van vorig jaar zouden door de Afrikanen zelf geproduceerd kunnen worden, maar wellicht zal China die veel goedkoper kunnen produceren en ik betwijfel dat veel Afrikaanse landen geneigd zijn protectionistische maatregelen te heffen tegen China. Dat land investeert immers in veel Afrikaanse landen. Tot de periferie van het internationale kapitalistische netwerk behoren is geen pretje. Dit zijn kwesties die geen enkel liefdadigheidsinitiatief kan oplossen, hoe goedbedoelend die ook zijn.

Waar Music For Life wel een rol in kan spelen is het creëren van bewustzijn. Je zou kunnen denken: na een week intensief “Music-For-Life-en” moet er toch iets zijn doorgesijpeld naar de publieke opinie? Maar daar is het niet in geslaagd. Hoe kan het ook anders? Een roes van een week waar iedereen steun geeft kan misschien mooie beelden en ontroerende initiatieven opleveren, het zorgt allerminst voor een sterker bewustzijn rond de problemen. Aan de andere kant vraag ik me dan af of dat werkelijk hoeft. Het laatste wat we nodig hebben is het in de strot rammen van liefdadigheidsbewustzijn. Het hele punt van liefdadigheid is net een vrijwillige bijdrage. Mensen opzadelen met een schuldgevoel die dan uit sociaal conformisme maar meedoen, “omdat onze buur dat ook heeft gedaan, en dat is een goede mens” is ook niet echt een goed voorbeeld van liefdadigheid. Diegenen die er werkelijk over nagedacht hebben zijn diegenen die buiten liefdadigheidsinitiatieven erover nadenken. Dat is inderdaad niet iedereen. Een positieve noot is wel dat het indrukwekkend is om te zien hoeveel steun zulke initiatieven kunnen verkrijgen op een week tijd. Ik bewonder het zelfs. Al plaats ik er meteen de bedenking bij die ik eerder maakte: de belangrijkste motivatie voor zulke steun was niet het doel van het initiatief, maar de collectieve extase die aangedreven werd door het aantrekkelijke marketingconcept van Music For Life.

Toen ik donderdagavond met een aantal mensen op de Groenplaats arriveerde kwamen we voorbij een oude dakloze man die op zijn knieën zat met een kartonnen bordje waarop stond dat hij geen eten en onderdak had voor de komende nacht. Achter ons weerklonk het donderende geroffel van een Braziliaanse sambagroep die zich eerder gratis lieten inhuren ten behoeve van het Music For Life-initiatief. En op de Groenplaats hoorden we een ‘SuperSchlager’-groep met onder andere Laura Lynn en Kristoff het beste van zichzelf geven. Het gebeuren ontsnapte aan de dakloze man, hij keek wezenloos naar een punt dat enkele meters verder lag. De sneeuw daalde hevig neer. En niemand keek naar hem om, hoewel wellicht de grootste hoop van de mensen die rond hem stonden geld hadden gegeven aan het Music For Life-initiatief. Die eenzame man was een krachtige ontnuchtering voor de enkelingen die hem opmerkten.

 

P.

 

(Zie ook dit opiniestuk op Stampmedia).

Zwarte Piet op het matje.

Hommeles in Nederland, meldt Gijsbert Oonk, docent niet-Westerse geschiedenis aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam in de weekendeditie van De Standaard (20-21 november 2010). Er is een debat ontstaan tussen de ‘erfgoedfundamentalisten’ van PVV en ‘antiracisten’ als Kamerlid Harry van Bommel (SP). Lees even mee. “De erfgoedfundamentalisten vinden dat Sinterklaas en Zwarte Piet bij elkaar horen en een wezenlijk onderdeel zijn van de Nederlandse traditie. Sinterklaas zonder Zwarte Piet? Dat kan toch niet! De antiracisten vinden dat Zwarte Piet niet meer past in de hedendaagse multiculturele samenleving. Zwarte Piet zou racistisch zijn en hij zou uit de traditie moeten verdwijnen. Beide kampen vergeten dat tradities altijd aan verandering onderhevig zijn. Een koninklijke oplossing lijkt me om de Amerikaanse Santa Claus te omarmen en op die manier afscheid te nemen van Zwarte Piet”. Die koninklijke oplossing is niets meer dan een slaafse toegeving aan de globalisering van de samenleving. Dat geeft Oonk overigens onbewust toe: “Onder invloed van de middenstand, de commercie en de verdere globalisering doet Santa Claus die gedachte [van het geschenken geven] eer aan”. Tradities zijn dan wel aan verandering onderhevig, maar wat de heer Oonk voorstelt sluit die tradities eerder uit.

 Zwarte Piet is een Germaan.

 Laten we even het verhaal van de herkomst van Sinterklaas terug afgaan en aanvullen. Sinterklaas is gebaseerd op de Byzantijnse bisschop Nicolaas van Myra, die op 6 december 342 werd aangesteld. Veel eerder was hij aanwezig op het Concilie van Nicea en gaf de dissidente Arius een dreun in het gezicht. Hij zou een aantal wonderen verricht hebben, zoals het terug tot leven wekken van drie theologiestudenten die door een herbergier vermoord werden. In Frankrijk werd ditzelfde verhaal ook verteld, maar gaat het over drie kinderen. Hij werd vereerd door zijn armoedebestrijding en liefde voor kinderen. Het idee dat hij uit Spanje komt heeft te maken met de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die in de zestiende eeuw suikergoed uit India verscheepten met een tussenstop in Spanje. Zwarte Piet deed zijn intrede pas in de negentiende eeuw, maar wordt gekoppeld aan een oude voorchristelijke traditie. Wodan was in de Wilde Jacht, een jaarlijks terugkeer evenement tijdens de donkere wintermaanden, de aanvoerder van de zogenaamde Perchten. Dat waren de voorouders die in het Wilde Heir werden opgenomen. De roede, waarmee Zwarte Piet vandaag de kinderen zou straffen, was destijds een vruchtbaarheidssymbool om terug nieuw leven te wekken na het Midwinterfeest. De twee raven, Huginn en Muninn, waren de onafscheidelijke raadgevers van de Germaanse god. Het syncretische karakter van de volksreligie zorgde voor een vermenging van christelijke en voorchristelijke invloedssferen. Oude volksgeloven werden gekerstend. St.-Nicolaas werd in het verleden vaak afgebeeld met de duivel naast hem, een zwarte figuur uit de onderwereld die doet denken aan de Perchten. De witte schimmel doet denken aan Sleipnir, het heilige achtbenige paard van Wodan en zijn staf doet dan weer denken aan Gungir, zijn speer. Het is dan ook zeer aannemelijk dat de Sinterklaas- en Zwarte Pietfiguur afkomstig zijn uit een veel ouder volksgeloof.

 Zwarte Piet is een Afrikaan?

 De Zwarte Pietfiguur geraakte vervolgens vermengd met koloniale denkbeelden, wat het typische beeld opleverde van een zwarte man met kroezelhaar en dikke lippen, die dom maar goedhartig was. Het is dit beeld waarop de antiracisten zich baseren om Zwarte Piet af te doen als ‘een symbool van de onderdrukking van de Derde Wereld door het westerse imperialisme’. De Zwarte Piet die niets met Afrika te maken heeft kreeg een Afrikaans uiterlijk. Op basis hiervan zegt de antiracistische vleugel: “ho maar!”. Er werd aan de alarmbel getrokken, want er mochten wel eens mensen gekwetst worden door die Zwarte Pieten. Wie ligt daar nu wakker van? Bange blanke mannen aan de linkerzijde blijkbaar. De rest geeft er geen moer om. Hun alternatief? Aanzienlijk politiek correct. Geen Zwarte Piet meer maar een Gele, Groene of Paarse Piet. Of godbetert een clown. Zucht. Dan zie ik Zwarte Piet nog liever evolueren naar de oorspronkelijke ‘zwarte duivel’ van weleer, die zal tenminste relevant zijn voor het kinderfeest.

Oonk stelt voor om de strijd tussen het pro- en contrakamp te beslechten via een derde optie: de versmelting van Sinterklaas met Santa Claus, een afgeleide van de Nederlandse Sinterklaas die eeuwen geleden naar Amerika is gekomen en niet op 6 december maar op 25 december zijn geschenken uitdeelt. De Kerstman is echter pas werkelijk in zwang geraakt dankzij de Coca Cola Company. In principe zijn zij inderdaad een en dezelfde persoon. Alleen zijn de vliegende rendieren, de Noordpoolbasis en de elfjes uitgevonden verhaaltjes voor de jonge Coca Colaconsumenten. Vandaag bestaan ze naast elkaar. Soms hoor je winkeliers klagen dat de Kerstman te vroeg aanwezig is waardoor het Sinterklaasfeest in het gedrang komt, maar toch is Sinterklaas stevig verankerd in onze volkscultuur. Wie het eerste toegeeft aan de oproep van de heer Oonk, heeft de zwakste ruggengraat.

 $anta Clau$

We moeten het nutteloze Zwarte Pietdebat en vooral het pleidooi van de heer Oonk vanuit een bredere invalshoek bekijken.  De versmelting van Sinterklaas met Santa Claus beantwoordt eerder aan een culturele globalisering. Santa Claus is een dominant cultuurbeeld in het Westen geworden. Binnen een aantal weken zien de de Coca Colakaravaans op het scherm verschijnen en zetten onze commerciële TV-zenders de films op die de zogenaamde ‘Christmas Spirit’ moeten bevorderen. Gezelligheid troef, maar daar gaat het voor die ‘Santa Claus marketeers’ helemaal niet om. ‘Hij’, onze dikke bebaarde vriend met rode manteljas, symboliseert een duidelijk doel. Pakjes kopen, en het liefst van die dure nutteloze spullen, om te laten zien dat je je naasten graag ziet! En Sinterklaas zit met Zwarte Piet in de weg. 

Het debat of Zwarte Piet al dan niet racistisch zou zijn is niet belangrijk. Gerommel in de marge en verspilling van tijd. Waar we ons wel over zouden moeten bezinnen is het volgende: hoeven we die continue toegiften aan de globalisering en commercialisering te slikken? Wat voor nut heeft het bijvoorbeeld om in onze contreien Halloween te vieren? Dat feest is niets meer dan een geïmporteerde commerciële hoogdag uit de VS. Wat zijn we dan meer dan kooplustige consumenten die dorstig snakken naar een volgende commerciële hoogdag?

 Wanneer volgt Thanksgiving? Free Coca Cola and Turkey for you!

 

P.