TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Leven

In perspectief gezet door Thomas Mann

41xew0yfchl-_ux250_

Wat overzien wij maar een onbeduidend stukje van ons eigen leven, als je dat vergelijkt met de diepte van de wereldtijd! En toch, als onze blik zich richt op het individuele en eigene, dan verliest die zich net zo dromerig en omfloerst in eigen vroegten en verten als wanneer we het veel grotere mensheidsleven in beeld proberen te krijgen – ontroerd door de waarneming van een eenheid die zich daarin herhaalt.

Uit: Jozef en zijn broers van Thomas Mann

Wilflingen, 24. Dezember 1968

juenger_ernst_honorarfrei-ba2

Am Weihnachtsabend nach alter Gewohnheit ein Licht auf den Friedhof gebracht. Ich vergrub es zur Hälfte im Schnee, den es durchleuchtete. Oben zog Gewölk am bleichen Mond vorbei, der zur Stunde von einem amerikanischen Team umrundet wird.

Wenn ich ein Licht auf ein Grab stelle, bewirkt es nichts, aber es besagt viel. Es leuchtet für das Universum, bestätigt seinen Sinn.

Wenn sie den Mond umfliegen, bewirkt das viel, doch es bedeutet weniger.

(Ernst Jünger, Siebzig verweht)

“Zu den Sachen selbst”

De wereld is niet zomaar wat ze is, voorbij al wat vanzelfsprekend is zit een waarheid waar we met een eigenaardig besef op stuiten. Of dat nu dé waarheid is, valt aan te twijfelen. Je bent nooit zeker. In een wereld waarin Nietzsche God voor dood heeft verklaard, zijn alle ankerpunten brutaal weggeslagen. Toen de Boeddha in een grot stierf, bleef volgens de legende zijn schaduw daar eeuwenlang hangen. De kaders worden vervangen door surrogaten, het schilderij vervormt zich (degradeert?) continu. Almaar door vallen.

Daarom resteert ons, postmodernen, enkel nog de illusie dat we nog goed bezig zijn en dat is niet eens zo verwonderlijk: we zijn door en door gedisciplineerde wezens die, net als de Belgische staat, blijven functioneren, ook al is de richtingaangevende sturing weggevallen. Het wereld is een speelveld, een theatraal evenement waarin we de reeks gebeurtenissen aan elkaar proberen te weven tot één groot verhaal:

“ONSCHULD IS HET KIND EN VERGETEN, EEN OPNIEUW BEGINNEN, EEN SPEL, EEN UIT ZICHZELF ROLLEND RAD, EEN EERSTE BEWEGING, EEN HEILIG JA ZEGGEN”.

Een van de voornaamste redenen waarom ik filosofie in avondonderwijs ben gaan studeren is een verlangen naar een voller en rijker begrip van het bestaan; het sprokkelen van nieuwe perspectieven om mijn leven richting te geven; mijn weg te vinden tussen de grote woorden; te weten wat voor impact woorden hebben. In de fenomenologie van Husserl, waarvan een samenvatting toevallig naast me ligt, vind ik een perspectief dat ik graag verder wil uitdiepen: dat er helemaal geen sprake is van een strikte scheiding tussen het subject en de wereld daarbuiten, maar dat we altijd betrokken zijn op deze wereld. In die zin is iedere verschijning van die buitenwereld aan ons een onmiddellijk en direct spreken van de werkelijkheid. Het wegslagen van artificiële barrières, zoals we vandaag de zogenaamde comfort zone bijvoorbeeld kennen, leidt tot existeren en niet tot een louter marktconform bestaan.

P.

Spengler: symbolische tegenstellingen

Oben und Unten, Himmel und Erde werden zu wesenhaften Mächten, die sich bekämpfen. Aber diese Gegensätze des ursprünglichsten Sinnesempfindens mischen sich mit denen des grübelnden und wertenden Verstehens: Gut und Böse, Gott und Satan. Der Tod is für den Schöpfer des Johannesevangeliums wie für den strengen Moslim nicht das Ende des Lebens, sondern ein Etwas, eine Kraft neben ihm, und beiden streiten um den Besitz des menschen.

Net als in het spanningsveld tussen microkosmos en macrokosmos bestaan er volgens Spengler in iedere cultuur tegenstellingen die een symbolische betekenis dragen. Een oertegenstelling fundeert geloof en weten, waarneming en begrip. Herakleitos is nooit ver weg geweest.

Bron: SPENGLER, Oswald, Der Untergang des Abendlandes Vol II, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung, 1927, 283.

Gedachten bij de zelfmoord van Dominique Venner

Ik geef toe dat ik weinig had gehoord over de man, maar naar aanleiding van zijn dramatische zelfmoord  vandaag in de Notre Dame van Parijs  kon ik een blogpost niet laten. Een aantal zaken leken me heel frappant, om te beginnen bij Venners’ laatste blogpost voor zijn afscheid van de wereld:

Il faudrait nous souvenir aussi, comme l’a génialement formulé Heidegger (Être et Temps) que l’essence de l’homme est dans son existence et non dans un « autre monde ». C’est ici et maintenant que se joue notre destin jusqu’à la dernière seconde. Et cette seconde ultime a autant d’importance que le reste d’une vie. C’est pourquoi il faut être soi-même jusqu’au dernier instant. C’est en décidant soi-même, en voulant vraiment son destin que l’on est vainqueur du néant. Et il n’y a pas d’échappatoire à cette exigence puisque nous n’avons que cette vie dans laquelle il nous appartient d’être entièrement nousmêmes ou de n’être rien.

Dat geeft stof tot nadenken.

Het zou makkelijk zijn te stellen dat hij vlucht van een maatschappij waarin hij niet functioneert. Als je echter zijn afscheidsbrief leest, besef je dat hij niet wegloopt van een maatschappij maar een offer brengt: “J’offre ce qui me reste de vie dans une intention de protestation et de fondation”. Wat me treft is de eerlijkheid die Venner tegenover zichzelf en de buitenwereld etaleert. Die consistentie is merkwaardig.

De Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler gebruikte in Mensch und Technik het beeld van de Romeinse soldaat die nog op wacht bleef staan toen de pyroclastische vulkaanwolk doorheen Pompeii raasde. Historisch kan je dat voorbeeld nog beginnen ontkrachten, maar dat is niet het punt. Het gaat hier over een existentialistisch zinnebeeld dat het open vizier benadrukte; de ontwaakte, zelfbewuste mens die voorbij de schijn kijkt; het authentiek zelf-zijn; Existenzerhellung und Weltorientierung (K. Jaspers). Het zinnebeeld is te bewonderen omdat het om een consistente levenshouding gaat. Dààr gaat het om.

P.

Gelatenheid

Beeld je in dat je heel je leven lang in een boot doorbrengt op een lange rivier. Wanneer is deze rivier echt een rivier? Daar waar zij aan de bron hoog in de bergen ontspringt of ginds aan de verre einders van de horizon waar zij breed uitwaaiert in een broeierig labyrint van woeste mangrovewouden? Of nog verder, zoals de machtige Kongorivier een laatste zwanenzang inzet met een okergele troebelheid die Atlantische Oceaan kleurt zover een mens kan zien? Misschien kies je voor minder drama en beslis je dat de rivier die brede, rustige stroom is waarrond steden ontstaan en een rijke landbouwgrond geniet van haar genereuze slibafzet. Nee. Ook dan niet. Want zij laat zich niet bepalen door ons weten; hoog en laag is ze beslist evenveel rivier dan op die gouden middenweg. Toch heb je het idee dat je wel degelijk over de rivier kan spreken. Het moet, het kan niet anders. Dat is een waarheid die we wel moeten accepteren wanneer we haar van begin tot einde afvaren.

We hebben lang geloofd dat waarheid, net als de rivier, een onveranderlijk iets was. We dachten een raamwerk uitgevonden te hebben waardoor we algemene uitspraken konden doen over alles. We zouden alles kunnen weten. We hebben fundamenten in de grond geslagen die nooit meer ondermijnd konden worden. Met onze redelijkheid wisten we de werkelijkheid te vatten. Dat dachten we. We waren begoocheld zonder het zelf te weten. Onze objectieve benadering was een abstracte constructie: het gevolg van onze dialoog met de Lebenswelt, de enige wereld waarop we betrokken zijn. De waarheid verschuift omdat zij wezenlijk historisch is. De onveranderlijke kern wordt vastgeklonken aan het tijdelijke waardoor de afgrondelijkheid van ons bestaan angstwekkend reëel wordt. Net zoals de rivier is de waarheid op dit moment anders dan gisteren of morgen. De manier waarop zij aan ons verschijnt kunnen wij niet beheersen. We moeten haar dus uit handen durven geven. Het is gegeven, net zoals de levensrivier waar wij ons doorheen moeten waden.

P.

Verwondering en onbehagen

“Dat was adembenemend. Nooit tevoren had ik vermoed wat het betekent, te existeren”. (Sartre, La nausée (1938))

Ik studeer filosofie uit een verlangen om alles in en rond mij te begrijpen. Waar, dat is een pretentieus uitgangspunt: men gelooft al lang niet meer dat de mens alles te weten kan komen. Niet alleen is ons kenvermogen begrensd, maar er bestaat ook een onzekerheidsfactor die veeleer in de natuurlijke processen zelf ligt opgesloten (cf. Mandelbrot, Heisenberg, Gödel e.a.). Hoe dan ook worden we geconfronteerd met de verwondering die ons als metafysisch wezen in al onze nieuwsgierigheid bepaalt. Ik kan dan niet alles weten, maar het vermogen tot mateloze verwondering biedt vertroosting.

Maar hoe kunnen we ook anders zo nieuwsgierig zijn? We worden zonder enige inspraak in de wereld geworpen en worden door onze omgeving verwacht dit vanzelfsprekend te vinden. Is het dan opmerkelijk dat we ons vragen stellen naar de gronden van ons bestaan? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Dat is volkomen normaal, dat ligt in onze aard. Een mens die naar de sterrenhemel staart en zich geen existentiële vragen stelt is geen mens, lijkt me. Toch bekruipt mij een onbehagen wanneer ik mij iedere dag in het maatschappelijke begeef. Zij lijkt zelfgenoegzaam in haar vanzelfsprekendheid verzonken te zijn. Op die manier wordt het moeilijker om tot zichzelf te komen in een maatschappij waar vooruitgang het parool is en stilstand taboe.

Dat onbehagen heb ik al uitgebreid aan bod laten komen in mijn manifest. Ik zou me onbeschaamd als een cultuurpessimist durven omschrijven. Toen de Lierse “pelgrim” Ernest Van der Hallen in de jaren ’30 afscheid nam van zijn omgeving en de wijde wereld introk, beschreef hij Europa zeer treffend als

“het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies.”

Toch zie ik iets constructiefs ontstaan uit dat cultuurpessimisme. Het verval prediken zonder hoop in het vooruitzicht te stellen is een houding die me niet goed past, hoezeer ik ook neig naar de avondlandcultuur van het interbellum. Geef mij maar dan het morgenrood van Nietzsche, die net als Kierkegaard een sprong durfde te wagen boven de inerte redelijkheid die zo verweven is met de moderne maatschappij.

De existentiefilosoof Karl Jaspers duidde met het begrip grenssituatie momenten aan waarin de existentie zich onmiddellijk verwerkelijkt. Op deze momenten, die je niet kan ontlopen, zal het geheel van de existentie zich verwerkelijken en worden wij geheel onszelf. Het project van het existentialisme,  de zoektocht naar authenciteit en het zelf-zijn, vindt hier zijn praktische uitlaatklep. Op deze manier wordt de kosmos gedwongen zich te openbaren en weet het avondland zich te herenigen met het morgenrood.

Odysseus blijft hier een geniale illustratie van:

Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing. (uit Manifest)

P.

Parijs, 28 maart 1942

Luchtalarm. We zaten met het licht aan bij elkaar en dronken champagne uit 1911, waarbij de vliegtuigden zoemden en de echo van de kanonnen de stad deed schokken. Klein als mieren. Daarbij gesprekken over de dood. Over dit thema maakte madame Gould een paar goede opmerkingen – bijvoorbeeld dat de ervaring van de dood een van de zeer weinige was die niemand van ons kon afnemen, en dat wij zelfs daardoor verrijkt worden, juist door toedoen van degenen die ons de grootste schade willen berokkenen. Het lot kon ons alle grote ontmoetingen ontnemen – die met de dood nooit.

JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941 – 1943, De Arbeiderspers (Privé-domein n°123), Amsterdam, 1986, 99-100.

Bestaan

Is het leven niet het meest angstaanjagende wat er bestaat? We worden zomaar gegooid in een bestaan zonder erom te vragen, krijgen vanaf de eerste levenskreet noodgewongen een moreel keurslijf aangemeten en als je er even stil bij wil blijven staan krijg je op een afkeurende toon te horen dat je geen aandacht schenkt aan de dingen “die belangrijk zijn in het leven”. Het leven is een groot theater en als we even achter de coulissen durven duiken staan we er verwilderd bij en vragen we af waar al dit drama vandaan komt. Doe het maar eens, bevraag de dingen die je iedere dag doet. Is dat allemaal wel normaal? Waarom moeten we alles vanzelfsprekend beschouwen? Als je er de kans toe krijgt, tenminste. We worden zo doorheen het leven opgejaagd dat reflectie erover een luxe dreigt te worden. Komaan! Naar de volgende horde! De afgrond in!

P.

26

Het is vaak op verjaardagen dat je stilstaat bij de toestand van je entropie. De wanorde die tot de onvermijdelijke lichamelijke en mentale aftakeling zorgt komt almaar dichterbij en je beseft iedere keer dat je weer eens minder tijd hebt om iets zinvols en waardevols uit het leven te halen. Een getal zegt natuurlijk niets over een mens. Absoluut niets. En toch is onze maatschappij gericht op kwantiteit, dat is een grondstroom waaraan we moeilijk kunnen ontsnappen. Bedankt, meneer Descartes. Dat gegeven voelt aan als verpletterend, want het benadrukt de onomkeerbaarheid van ons tijdelijke bestaan. We hebben de neiging alles te reduceren tot wat rekenbaar is. In zekere zin is dat handig gebleken in dagelijkse omgang, maar om de ware volheid van het leven te appreciëren heb je toch meer nodig dan enkel een berekenende gedachte. De grote tragedie is dat ons geen tijd vergund wordt om hierbij stil te staan. Toch blijven we in de grond metafysische wezens, zoekend naar iets wat ons, al is het maar even, naar een tijdloze toestand kan brengen. Dus wat leren we ieder jaar bij? Veel. En veel ook niet, omdat we beseffen dat er nog veel is dat we niet begrijpen. De kans bestaat dat we het op het einde van ons leven niet eens begrijpen. We offeren onze jeugd op om dieper te graven in het levensmysterie, maar we worden er maar niet wijzer uit. Hoe meer we erover ontdekken, hoe groter haar wonder en raadselachtigheid. Maar … is het leven daarom een wereldomspannend drama?

P.