TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Lier

Toespraak op Ernest Van der Hallen – volkshulde. Lier, 9.3.2013

Een grafrede heeft iets triomfantelijks. Het staat in schril contrast met de ingetogen schroom van een begrafenistoespraak. Toen aan mij de vraag werd gesteld om een toespraak te geven voor deze gelegenheid kon ik echter niet anders dan denken aan het einde van De Broers Karamazov van Dostojevski. Rondom het graf van het kind Iljoesja staan zijn schoolkameraadjes te luisteren naar de toespraak van Aljosja Karamazov. Hij zegt hen niet bang te zijn van het leven, omdat het zo mooi kan zijn als je doet wat goed en rechtvaardig is. Deze passage past heel sterk bij Nest, want heel zijn leven heeft hij gezocht naar de juiste levenshouding. Het leven van een mens kan ik niet in enkele woorden samenvatten, maar vanuit bepaalde vertrekpunten kunnen hele levensbomen ontspruiten. Dat maakt van de grafrede een interessant medium.

I.

Het crisisbesef was bij de Nest een pertinent aanvoelen, ook persoonlijk. Er was een spanningsveld ontstaan tussen oude zekerheden en nieuwe waarden, waarbij de eersten steeds sneller vaste grond verloren. Het is niet verwonderlijk dat Nest daarom spreekt van een rusteloze tijd in verval, waar essenties verloren gaan. Wat hem opmerkelijk maakt is dat hij niet enkel een diagnose van de beschaving stelde, maar ook een behandeling opstartte. Hij maakt van idee en praktijk een tandem, waartussen een dialoog ontstaat die van Nest een opmerkelijke cultuurcriticus maakt. Ironisch maakt dat hem een kind van zijn tijd. De desintegratie van de oude maatschappij bracht immers ook een productief proces op gang. Nest had een antimoderne houding aangenomen, maar toch haalde hij de noodzakelijke brandstof en inspiratie uit dat ambigue modernisme. Zoals hij zelf besefte in zijn ‘Brieven aan een jonge vriend’, was zijn cultuurkritiek niet ontstaan uit een plotse bevlieging, maar uit de nood en cultuurcrisis van zijn tijd.

 II.

“Geloof me: we zijn zat van deze beschaving!” luidde het oordeel van Nest. Het was ook niet toevallig de titel van mijn thesis, omdat zij zo treffend haar tijd markeerde. Maar een pessimist was hij geenszins. Niet alleen het verval werd gepredikt, maar ook het vooruitzicht op nieuwe horizonten. Luister even mee naar wat hij te zeggen heeft:

“Wie een aandachtig oog en oor heeft voor onze tijd, voor zijn grauwe massabewustzijn, zijn hang naar bezit en stoffelijke welstand, zijn angsten, zijn eenzaamheidsgevoelen, zijn gekeerdheid naar de aarde en zijn schrijnend heimwee naar God, begrijpt dat slechts één ding ons kan redden: levensheroïek”.

Van Nest kan je veel zeggen, maar niet dat hij bij de pakken bleef zitten.

III.

1935. De AKVS, de studentenbeweging waar Nest zich jarenlang in heeft geëngageerd, is gedecimeerd door interne spanningen en sterke politieke polarisering. Hij belandt in een crisis en voelt plots de nood voor een dwaas avontuur. ‘Frans’, zegt hij tegen zijn vriend, de schilder Frans Mertens. ‘Ik ga er voor een tijd tussen uit. Gaat ge mee?’ vraagt Nest. ‘Waar naartoe?’, informeert Frans voorzichtig. ‘Naar Noord-Afrika’, zegt hij, plots beslist. Dit is het begin van de grote reizen die Nest maakt tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

“Adieu, Europa”, schrijft hij tijdens zijn eerste reis, “het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

IV.

Vraag mij dus om de Nest met 1 woord te beschrijven en ik zeg Pelgrim. Hij is niet enkel een van de stichters van een gelijknamige kunstenaarsgenootschap, maar hij belichaamde het heilige zoeken van een pelgrim. Welnu dan! Lees zijn romans, reis mee naar Noord-Afrika en wandel straks even naar het Ruusbroechuisje in het Begijnhof en je komt Nest in onvervalste vorm tegen. Het Begijnhof is op zijn mooist op druilerige regendagen wanneer je wordt bevangen door de tijdloosheid van Lier. Het is daarom niet verwonderlijk dat Nest juist deze plek uitkoos om stille uren te beleven. Luister en beleef mee:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

P.

Advertenties

“Hoezo? Niet vrij?”

“Vertel natuurlijk niemand dat ze niet vrij zijn, want dan gaan ze heel druk bezig zijn met moorden en verminken om te bewijzen dat ze het wel zijn. O ja, ze gaan tegen je praten en praten en praten over individuele vrijheid. Maar wanneer ze een vrij individu zien, krijgen ze de schrik te pakken”.

Jack Nicholson in Easy Rider (1969)

Niets doet mensen meer op hun stokpaard krijgen dan zeggen dat ze niet vrij zijn. Natuurlijk, in eerste opzicht klinkt het waanzinnig om dat te zeggen. Enkel een dwaas doet dat, niet? Waarom dan die kanttekening? Dankzij zelfkritiek (i.e. het in vraag stellen van alles wat gangbaar is) worden vanzelfsprekendheden gedwongen zichzelf te openbaren. Zo worden mechanismen ontmaskerd die anders achter een sluier verborgen zijn. Sommige beschavingsdenkers hebben geopperd dat de moderne mens in zijn vooruitgangsdenken zichzelf meer en meer onmachtig heeft gemaakt. Vrijheid kent twee gezichten. Je hebt de systeemvrijheid die voor iedere mens wordt gewaarborgd, doch altijd onderhevig aan de grillen van de Tijd. Daarnaast heb je de existentiële vrijheid dat zich op een heel ander niveau bevindt, maar stilaan uitdooft.

Dit vraagt om verduidelijking. Wat de systeemvrijheid kenmerkt is de afhankelijkheid van het maatschappijsysteem waarin een persoon geworpen (i.e. Martin Heideggers’ Geworfenheit) wordt. Zo heb je op deze wereld staatloze maatschappijen waarin extremistische stammen hun willekeurig geweld laten botvieren, maar ook gebetonneerde democratieën waar je pas politicus lijkt te worden na een verregaande lobotomie. Het spreekt voor zich dat een individu meer “mag” in de ene situatie dan in de andere. Dit wordt bepaald in de grondwet.

Dit is echter een erg arbitraire vorm van vrijheid, want onderhevig aan de maalstroom van de Tijd. Tenzij je migreert, heb je een gegeven set aan mogelijkheden, die in je levensloop kunnen veranderen. Vooral dat gegevene is belangrijk, want dit is het meest essentiële verschil met de existentiële vrijheid. Vrijheid moet verworven worden: om vrij te worden, moet je het in eerste plaats zijn (!). Dat is dus een opdracht, voor wie het niet verstaan heeft. De cultivatie van de ziel is de hoofdplicht van iedereen, stelde Plato. Je mag hem saai vinden, maar hij heeft wel een punt. En punten, beste lezer, zijn nooit saai.

Omdat de systeemvrijheid zo afhankelijk is van een maatschappijsysteem, is het van groot belang je eigen positie te handhaven in de maatschappij. Ons vreedzaam bestaan is illusoir omdat de werkelijkheid wordt gebannen uit ons dagelijkse leven. De TV en de computer vormen samen met de media het enge raampje op de wereld, waardoor we de werkelijkheid vanuit een sfeer ervaren (cf. Peter Sloterdijk). Hoewel de realiteit soms onze sfeer binnendringt, zoals op 9/11, sluit deze zich vrij snel opnieuw. Daarom heeft ons bestaan veel weg van de film The Truman Show: we proberen allemaal de idylle na te streven en omdat we onze sociale status verhogen door luxeartikelen voelen we ons vrij. Laat mij het nog eens herhalen op een andere manier: door onze consumptiedrang verhogen we de illusie dat we vrij zijn. Daarom stel ik dat de vrijheid in onze huidige maatschappij peanuts is. Een passieve vrijheid op een bedje van apathie, myopie en inertie.

Existentiële vrijheid gaat om levensbeheersing. Het is een concept dat moeilijk uit te leggen valt, maar wellicht illustreert de confrontatie van Odysseus en de Sirenen dit het beste. Toen Odysseus en zijn bemanning huiswaarts voerden kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in hun oren te doen, waardoor ze de aanlokkelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen konden weerstaan. Menig schipper liep op de vervaarlijke klippen zijn ondergang tegemoet omdat hij niet kon weerstaan aan de Sirenen. Odysseus doet geen bijenwas in de oren maar draagt aan zijn mannen op hem vast te binden, zodat hij de dramatische Sirenenzang kon aanhoren. Daar toont hij een knap staaltje van levensbeheersing: het Immense aanhoren zonder zichzelf erdoor te laten meesleuren. Grenservaringen zijn misschien de meest existentieel vrije momenten die je als mens kan meemaken: op dat sublieme moment wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren.

Toch gaat existentiële vrijheid om veel meer dan het opzoeken van grenservaringen. Volgens mij is het zelfs perfect mogelijk om vanuit een degelijke (!) inbedding existentieel vrij te zijn. Daardoor hoef je niet noodzakelijk een volgzaam schaap te zijn. Bekijk nu bijvoorbeeld eens Ernest Van der Hallen, een Lierse letterkundige die vanuit zijn katholieke inbedding een heel eigenzinnige aard had en zich niet wilde conformeren aan de krachten van zijn tijd. Wat de ‘Nest’ kenmerkte is iets wat vele andere pelgrimgestalten – voor, tijdens en na zijn tijd – met hem deelden: een tegenstroom in een uit haar lood geslagen Tijd. Je zou iemand als hem een “chronokraat” kunnen noemen: iemand die de maalstroom van de Tijd wist te beheersen; iemand die de Tijger kan bereiden. Net als de mens is Tijd iets wat overkomen kan worden.

Toch vraag ik het me af: zou er een voorwaarde zijn om te bestaan? Maar dan werkelijk bestaan, waarvoor een tweede geboorte moet plaatsvinden? Zelf voel ik me het meeste leven bij grenservaringen, waarbij het “gewone” burgerlijke leven eerder lijkt op een niet-leven. Het zijn die ervaringen die me doen twijfelen over de menselijke vrijheid, waaruit dan bovenstaande hersenriedels ontstaan die een poging zijn om mijn positie te markeren in het wereldveld. En jij? Beheers jij de Tijd? Beheers jij jezelf? Ben jij jezelf?

P. 

Adieu!

“Adieu, Europa, het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën, Davidsfonds, Leuven, 1938, 10-11.

“Waarom haastig zijn te Lier?”

Het onderstaande stukje is een relict van vroeger tijden. Omdat de bomen zich in deze tijd in hun gouden tooi kleden en dra hun bladeren zullen afwerpen, vond ik dit onderstaande melancholische stukje passend te zijn voor dit moment. Lier is een stad voor genieters. Een stad waar het tijdloze doorheen alles lijkt te schijnen. En waar kleine verrassingen om iedere hoek te vinden zijn.

———

Zelfs het gure herfstweer ontsiert de Pallieterstad niet van zijn charme

Lier verkoopt zichzelf als een bruisende stad die tegelijk charmant, bourgondisch, historisch, verrassend, veelzijdig en romantisch is. Iets wat niet meer bewezen hoeft te worden. Toch heeft de stad nog meer in petto. Het roemrijke kunstverleden voegt een laatste aspect toe aan de Pallieterstad: tijdloosheid.

“Niet bepaald het weer dat je in gedachten had, zeker?” grapten Berten en Kerstin, een jong koppel dat net in Lier woont, toen we ons in het gure herfstweer begaven. Ik vervloekte eerder die dag de hemelsluizen, die al enkele dagen wagenwijd openstonden. En toch. De melancholische stemming die het gure herfstweer opwekt doet sfeervol aan. “Het heeft iets speciaals en we maken er iets gezellig van” stelt Kerstin ons gerust. Gewapend met paraplu’s gaan we de eindeloze regenbui tegemoet. Wat water kan ons niet deren.

Geen minutieuze planning, maar eerder een soort nonchalance vormt onze leidraad vandaag. Het boekje ‘Schoon Lier’ van Felix Timmermans, dé Lierse schrijver bij uitstek, neem ik mee. En daarmee keer ik niet zozeer terug naar een Lier uit een welbepaald verleden, maar naar een tijdloos Lier. Timmermans schreef geen toeristisch boek met netjes geordende bezienswaardigheden, maar eerder een dromerige evocatie van zijn geboortestad. Op deze manier kan het spontaan ontdekken van een stad een bijzondere ervaring zijn.

We komen aan bij het Lierse begijnhof, ‘d’Amandelboom van Lier’ volgens de schrijver. Hier speelt het boek ‘De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen’ van Timmermans af. Zij is een begijntje dat verliefd wordt op de hovenier Martienus die haar druivelaar verzorgt. In het voorjaar verlaat hij het Begijnhof om bij de Bruine Paters te gaan. Dit zorgt voor veel hartzeer en vragen bij Symforosa. Ze probeert hem zoveel mogelijk te ontwijken en raapt alle moed bij elkaar om afscheid te nemen op de Begijnenvest. Toen ze na lang aandringen bij moeder overste toelating kreeg om hem te bezoeken, besefte ze bij aankomst dat hij gelukkig was en ging ze voldaan terug naar het Begijnhof.

In het korte verhaal legt zij de zogenaamde ‘Kruisweg’ af, langs een reeks schilderijtjes die de lijdensweg van Jezus afbeelden. We volgden als pelgrims deze minibedevaart. Helaas waren deze schilderijtjes in restauratie, dus konden we enkel de afbeeldingen zien met de bijhorende Bijbelteksten. In een kleine zijstraat van de Sint-Margarethastraat zien we een klein standbeeld van een blijmoedige Symforosa. We passeren het oude werkhuis van Timmermans in de Grachtkant. Iets verderop ligt de Hellestraat waarin het verliefde begijntje een roos ontving van Martienus, vlak voor hij vertrok. We herkennen het huis met het gietijzeren hek, waar Martienus een tuintje onderhield.

Over het huis van Martienus bevindt zich het zogenaamde ‘Ruusbroechuisje’, waar Timmermans samen met de Lierse letterkundige Ernest ‘Nest’ Van Der Hallen en de architect Flor Van Reeth ‘stille uren beleefden’ en zich aan kunst wijdden. Het is tevens het kleinste huisje van het Begijnhof, maar is helaas niet toegankelijk. Vooral ‘Nest’ was in de wolken met het huisje, wat bleek uit de brieven die hij schreef:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

Zijn brieven gonzen van lof over het Begijnhof. Hij, Fé en Flor richtten hier de Pelgrimbeweging op, een kunstenaarsgenootschap die de katholieke kunst wilde moderniseren.

 “Hier wandelt de mystiek in burgerkleding rond” schrijft Timmermans.  Vandaag is er echter weinig volk op de been, het weer houdt de brave burgers van Lier binnen. De mystiek zit hem namelijk vooral in de sfeer die hier rondwaart. “Alsof je van het moderne Lier overstapt naar een tijdloos Lier”, voegt Berten eraan toe. Het laatste begijntje is gestorven in 1994. Ze leeft nog in naam verder in taverne Zuster Agnes, juist buiten het Begijnhof.

 

Niet veel verderop schuilen we even voor de regen in het Convent, vlak aan de uitgang aan de Begijnenvest waar Symforosa afscheid nam van Martienus. Hier is een ruime tentoonstellingsruimte ondergebracht. Vandaag zien we de gedichten van Vera Beau, die inzicht geeft op de gevoelswereld van nabestaanden van een zelfdoding  en de schilderijen van Fons Teijssen.

We verlaten het Begijnhof langs de Begijnenvest, de ‘groene kathedraal’. Ik haal nog eens de laatste pagina van het verhaal van Symforosa naar boven:

“En het regent nu op zijn zeven gemakken. ’t Zal weer een regen voor vele dagen zijn. De lucht is nat en de verten zijn verdronken. Het regent luie, rechte strepen zonder wind en ’t ruist machtig op de bladeren van de bomen”.

Het verhaal komt tot leven. “Je mag dat verhaal eens komen vertellen wanneer we gaan trouwen, behalve het einde want ik hoop niet dat Berten net als Martienus naar het klooster gaat” lacht Kerstin.

Wanneer we de Lierse sportvelden zijn gepasseerd kunnen we de ‘zilveren knoop’ zien waar Felix Timmermans zo lyrisch over was: de samenkomst van de kleine Nete, die door de stad vloeit en de grote Nete die er omheen vloeit. We gaan door het kleine parkje dat haast verzuipt in de regen. Er hangt een melancholische sfeer naarmate het licht vermindert. De vijver treedt stilaan buiten zijn oevers, elders horen we de Lierse ‘pompiers’ druk heen en weer rijden. Mijn gezelschap klaagt niet over het weer.

We komen voorbij het oude zwembad van Lier, volgens Berten een “schande van de buurt” wegens de erbarmelijke staat ervan en spoedig rijp voor de sloop. “Wanneer het oude zwembad gesloopt wordt, zal er een lange groene zone ontstaan rond het einde van de kleine Nete” zegt hij en wijst me de omgeving aan. De letters van het stedelijke zwembad hangen er nog maar halvelings aan en de ingang van het zwembad waar ik vroeger als kind soms heen ging was afgerasterd.

Het Timmermans-Opsomermuseum, dat nabij ligt, stelt het werk van een hele resem Lierse kunstenaars tentoon. Het gelijkvloers is onderverdeeld in drie grote kamers die gewijd zijn aan Isidoor Opsomer (1878-1967), een schilder die flirtte met realisme en postimpressionisme. Die flirt is duidelijk merkbaar bij verschillende schilderijen. Een afbeelding van De processie in het begijnhof leunt sterk aan bij het postimpressionisme en toont ook hier die sterke affectie van een Lierse kunstenaar voor het Begijnhof. Het indrukwekkende Christus predikend in Lier sluit aan bij het realisme. “Een opmerkelijk stuk”, zegt de aanwezige museumgids, die me wat uitleg geeft. “Het stadje is schoon” schreef Timmermans. “En Opsomer kan het schoon laten zien”. Op de eerste verdieping vinden we een deel toegewijd aan Lierse striptekenaars zoals Gommaar Timmermans, zoon van, lokale componisten en architecten zoals Flor van Reeth. Een groot deel is uiteraard gereserveerd voor Felix Timmermans.

Australian Fine Wines is een lokale wijnhandelaar die regelmatig proeverijen organiseert. Timmermans mag dan gezegd hebben dat Lier rijmt op bier en plezier, de druivelaar kreeg evenveel aandacht. De afsluiter van de dag in een wijnkelder doet ons denken aan zijn weemoedige verhaal van Benedikt Serneels, ‘de pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt’. Timmermans schreef het boek in 1921 aan zijn ‘druivesappige vrienden’. Vandaag wordt de Shirazdruif in de kijker gezet, dominant in de Australische wijnproductie.

“Is het daarbuiten nog altijd zo lelijk bezig? Een wonder dat wij in onze kelder nooit problemen hebben met water” gaat de wijnhandelaar een gesprek aan met de aanwezige gasten. Een koppel dat mee binnen kwam zegt dat het pompen geblazen is aan de Grote Markt. Elders horen we inderdaad de Lierse brandweer door de straten razen. De namen van de wijnen in de kelder waar we vertoeven mogen dan geen oervlaamse klanken hebben, we kunnen ons inleven in de weemoedige sfeer van de verhalen die Timmermans schreef. We besluiten een Grant Burge Cabernet Sauvignon uit 2005 te kopen, een passende karakterwijn in dit gure herfstweer.

Met paraplu’s in de aanslag, stuiten we op het moderne Lier op het Zimmerplein. De najaarsfoor zal vandaag niet veel volk ontvangen. Een enkeling betreedt het geruisloze Lunapark, dat er stil bijligt. Net achter de hoek bevindt zich het Begijnhof, waar onze tocht begon. De Gevangenpoort doemt op. Even lijkt de tijdloosheid van ‘d’Amandelboom” zich meester te hebben gemaakt van het moderne Lier. Ik dacht aan wat Fé eens schreef: “waarom haastig zijn te Lier”?


 

P.

En donker zingt mijn bloed …

De kern van alle dingen

is stil en eindeloos

Alleen de dingen zingen

Ons lied is kort en broos

 

En donker zingt mijn bloed

van heimwee zwaar doorwogen

Ik zeil langs regenbogen

Gods stilte tegemoet

– Felix Timmermans.

Een pelgrimage naar …

‘In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee in ‘nen droom van grond:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …’. (Briefwisseling Ernest van der Hallen)

Het Ruusbroechuisje waarover de schrijver spreekt kan men nog steeds vinden in het Lierse begijnhof, in de Hellestraat, waarin een aantal lokale kunstenaars en schrijvers terugtrokken om zich met kunst in te laten en ‘stille uren’ te beleven. Morgen ga ik er heen, althans niet in het Ruusbroechuisje omdat dat niet meer mogelijk is.

Het huisje werd in de jaren ’20 door de Lierse letterkundige Ernest van der Hallen en zijn kompaan en architect Flor van Reeth opgeknapt en gebruikt. Ook de bekende Lierse schrijver Felix Timmermans was van de partij: “Laten wij gedrieën ermee beginnen, vandaag, en pelgrimeren naar de ideale schoonheid“. Hij heeft zelf een roman geschreven, dat ging over het begijntje Symforosa en haar geliefde Martienus, een onbereikbare liefde. Waarom die drang naar het Begijnhof? En wat is dat pelgrimeren juist? De sleutel ligt in het begrip ‘ruimte’.

Ruimte vormde in traditionele beschavingen de basis voor de karakteristieke uitdrukkingen van de metafysische dimensie. De Roemeense religiehistoricus Mircea Eliade duidde deze uitdrukkingen aan als ‘hiërofanieën’: manifestaties van het sacrale, die zowel natuurlijke als door mensen vervaardigde objecten of ruimten konden zijn. De ontwikkelingen van de negentiende en twintigste eeuw deden een vervaging ontstaan tussen profane en sacrale ruimten. Om deze vervaging tegen te gaan zochten velen zoals Ernest van der Hallen naar plaatsen ‘waar men zich alleen kon voelen, waar nog verwondering is, ruimte en afstanden’ zijn. Van der Hallen pelgrimeerde volgens de historicus Rajesh Heynickx van de wereldse stad Lier naar het eeuwige in het Begijnhof. Deze ruimte, ‘waar men heerlijk-zacht wegdoezelt’ (van der Hallen) was losgeweekt uit de profane tijd. Hier kon men de kracht vinden ‘om te creëren in een onttoverde wereld’. Zo kon een ideaal van middeleeuwse vroomheid worden geïncarneerd zonder daarmee wereldvreemd te zijn.

Daar ga ik heen. De droom van drie pelgrims. Morgen ga ik naar het mystieke Begijnhof, vergezeld van Symforosa & Martienus, Nest, Fé en Flor.