TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Literatuur

Mulisch: “Wat ze begrepen, was de liefde waarmee hij het uitlegde”

Ook wat de liefde betreft, liet hij de dingen komen zoals ze kwamen. Elke paar maanden wisselden de meisjes, die op zijn doorgezakte bank gingen zitten, meestal met opgetrokken knieën, – waarna hij voor de zoveelste keer de werking van een sextant moest uitleggen. Maar dat verveelde hem nooit. Op een of andere manier was hij betoverd door die schitterende koperen instrumenten met hun spiegeltjes en de schaalverdeling en kleine kijker, die in hun vorm de nachtelijke aarde en de sterren vasthielden. Vaak begrepen zij het niet; maar wat zij altijd begrepen, was de liefde waarmee hij het uitlegde, en die dus ook hun een beetje gold. Soms bleef de bank een paar weken leeg, wat hem niet al te zeer stoorde: de kroeg in gaan om iemand op te pikken, was zijn stijl niet.

Harry Mulisch, De aanslag

Zelfs de saaiste onderwerpen brengt een toehoorder in vervoering wanneer de boodschapper zijn kunde met passie en liefde overbrengt. Sommige romans of theaterstukken zijn ook van die aard: niet zozeer het verhaal dat interessant is, maar wel de manier waarop de auteur met de taal omgaat. Soms maakt het helemaal niet uit als de personages niet doorgroeien in de roman, omdat de auteur in hen een ideaal vehikel ziet om zijn ideeën op papier te zetten. Misschien belangrijker dan de groei van een romanpersonage is de groei van de lezer. Wanneer ik geconfronteerd wordt met grote ideeën, voel ik de aarde beven.

P.

Charles Dickens: “Sadly, sadly, the sun rose”

When his host followed him out on the staircase with a candle, to light him down the stairs, the day was coldly looking in through its grimy windows. When he got out of the house, the air was cold and sad, the dull sky overcast, the river dark and dim, the whole scene like a lifeless desert. And wreaths of dust were spinning around and round before the morning blast, as if the desert-sand had risen far away, and the first spray of it in its advance had begun the overwhelming of the city.

Waste forces within him, and a desert all around, this man stood still on his way across a silent terrace, and saw for a moment, lying in the wilderness before him, a mirage of honourable ambition, self-denial, and perseverance. In a fair city of this vision, there were airy galleries from which the loves and graces looked upon him, gardens in which the fruits of life hung ripening, waters of Hope that sparkled in his sight. A moment, and it was gone. Climbing to a high chamber in a well of houses, he threw himself down in his clothes on a neglected bed, and its pillow was wet with wasted tears.

Sadly, sadly, the sun rose; and it rose upon no sadder sight than the man of good abilities and good emotions, incapable of their directed exercise, incapable of his own help and his own happiness, sensible of the blight upon him, and resigning himself to let it eat him away.

Charles Dickens, A tale of two cities, “The Jackal”

Plots treft het hoopvolle licht dan de melancholicus, en wakkert in hem een vuur aan dat veel te lang sluimerde in zijn borst. Sydney Carton is een verstokte, cynische alcoholicus die zijn eigen demonen niet aankan. Een moment, echter, steeg hij uit boven de existentiële doolhof van zijn bestaan en vond een uitweg, maar die verdween al snel uit zicht toen hij in zijn kamer kwam en zich met kleren aan neerplofte op zijn verwaarloosde bed. Het kussen van tranen doordrongen.

P.

Snobisme

Sine nobilitate. Snob. Het is een term die in de negentiende eeuw door de adel in het leven is geroepen om  de nouveau riches op een smadelijke toon te categoriseren. Bij mij heeft het begrip, net als bij velen, daarom een bittere nasmaak. Pseudo-verfijndheid, hoog-van-den-toren-blazen, parmantig schapendom. Willen, maar niet kunnen. Hipsters. Onlangs las ik in DS Weekend echter een artikel over snobisme waar ik mezelf voor een deel herkende. Iedereen heeft een snob in zich, maar wil dat niet snel toegeven. Het gaat om een soort nichevorming waarmee die persoon zich wil profileren.

Misschien eens voorbij die negatieve term kijken, niet? Waarin zoek ik verfijning? Onderweg naar het werk besloot ik dat het voor mij literatuur moet zijn. Slechte films kijken is niet zo erg, je verschijt daar hoogstens twee uur mee.

Opm.: Oké, tijd is misschien het kostbaarste wat je hebt, maar dat besef moet je overvallen. De routineuze tijd wordt hierdoor doorbroken en geeft de mogelijkheid tot een merkwaardige tijdsreflectie en -ervaring. Dat moet Ernst Jünger vast hebben gevoeld toen hij in de Kaukasische aantekeningen op Nieuwjaarsdag het volgende beschreef: “De kleine alledaagse bezigheden op deze eerste dag van het jaar verricht je met meer liefde – wassen, scheren, ontbijten en de aantekeningen in het dagboek: symbolische handelingen die je celebreert.”

Bon. Literatuur, dus.

Een slecht boek lezen kan meerdere dagen verknallen. Ik heb me daarom toegelegd op de grote klassiekers, dagboeken en briefwisselingen van bekende en minder bekende denkers die mij boeiend lijken, schandaalwerken of werken die vandaag amper nog aandacht krijgen. Slechts zelden betrap ik mezelf op het lezen van een boek in het “populaire genre”, wat dat ook moge zijn. Het is gek dat ik dit niet specifiek kan afbakenen, maar ik maak mezelf wijs dat ik het intuïtief kan aanwijzen. Faut le faire.

Populariteit schrikt mij af, maar dat is weer relatief. Een dode schrijver die 50 jaar geleden stierf en wiens oeuvre opnieuw wordt uitgegeven met de nodige bombarie, wel … die kan in mij wel eens een nieuwe lezer vinden, tezamen met duizenden andere geïnteresseerden. Sheeple. Jezelf buiten de kritische massa plaatsen is onmogelijk. Dwangmatig de populariteit mijden getuigt in mijn ogen daarom van een bijzonder naïeve myopie, een vorm van blindheid die, juist, ja, vooral bij snobs voorkomt.

Ben ik een geletterde snob? Ja en nee. Soms wel, soms niet. Ik dans mee op de golven, maar zwem er even gaarne tegenin.

Franky my dear, I don’t give a damn.

P.

Emil Cioran over het dichterschap

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Even tragisch is het geval van de dichter. Deze gevangene van de eigen taal schrijft voor zijn vrienden, voor tien, voor twintig personen hoogstens. Zijn verlangen om gelezen te worden is niet minder dringend dan dat van onze gelegenheidsromancier. Maar hij heeft tenminste het voordeel dat hij zijn verzen kan plaatsen in kleine emigranten-tijdschriftjes die ten koste van bijna onfatsoenlijke offers en zelfverloochening verschijnen. Laten we aannemen dat hij zich opwerpt als redacteur van zo’n tijdschrift. Om het in leven te houden riskeert hij honger, onthoudt hij zich van vrouwen, begraaft zich in een vensterloos kamertje, legt zichzelf onvoorstelbare, ijzingwekkende ontberingen op. Masturbatie en tuberculose, dat is zijn noodlot.

Hoe schaars emigranten ook zijn, ze vormen groepjes, niet om hun belangen te verdedigen, maar om elkaar geld af te troggelen voor de publicatie van hun klaagzangen, hun jammerklachten, hun onbeantwoorde hulpkreten. Hartverscheurender vorm van zinloosheid is niet denkbaar.

Dat ze even goede dichters als slechte prozaschrijvers zijn heeft een eenvoudige reden. Neem de literaire productie van willekeurig welk klein volk dat niet zo kinderachtig is zich een verleden aan te meten: de overvloed aan poëzie springt in het oog. Proza vereist, om zich te ontwikkelen, een zekere discipline, een gedifferentieerde samenleving en een traditie. Proza is iets dat weloverwogen wordt opgebouwd; poëzie daarentegen welt op, ze is spontaan of juist volstrekt gekunsteld. Poëzie is het voorrecht van holbewoners of decadenten, ze ontluikt aan deze of gene zijde van de beschaving, nooit in het centrum. Terwijl proza een bedachtzaam genie en een uitgekristalliseerde taal vereisen, is poëzie volstrekt verenigbaar met een barbaarse geest en een vormloze taal. Een literatuur tot stand brengen wil zeggen proza tot stand brengen.

CIORAN, Emil, Bestaan als verleiding, Groningen: Historische Uitgeverij, 2001, 75-76.

“Take a mouse that thinks it’s a cat”

“Don’t look at me like that. I haven’t thought of it all that seriously myself. I don’t like the weak and the sick sort of people that commit suicide. But there is one variety I accept. People who commit suicide to establish themselves”.

“What sort of suicide is that?”

“Are you interested?”

“A little, maybe”.

“Then I’ll tell you.

Take a mouse that thinks it’s a cat. I don’t know how, but it does. It’s gone through all the tests and concluded that it’s a cat. Its view of other mice changes. They are its meat, that’s all, but it tells itself it refrains from eating them just to hid the fact that it’s a cat”.

“A rather large mouse, I suppose”.

“It doesn’t matter. It’s not a question of size but of confidence. It’s sure that the concept ‘cat’ has taken on the guise ‘mouse’, nothing more. It believes in the concept and not the flesh.The idea is enough, the body doesn’t matter. The happiness from the contempt is all the greater.

“But then one day” – Furusawa shoved this glases up and drew a persuasive line beside his hose – “but then one day the mouse meets a real cat.

“‘I’m going to eat you’, says the cat.

“‘You can’t’, replies the mouse.

“‘And why not?’

“‘Cats don’t eat cats. It’s impossible as a matter of instinct and as a matter of principle. I’m a cat myself, whatever else I may look like’.

“The cat rolls over laughing. It laughs so hard it’s clawing the air and its white furry belly is heaving. Then it gets up and starts to eat the mouse. The mouse protests.

“‘What are you eating me for?’

“‘Because you’re a mouse’.

“‘I’m a cat. Cats don’t eat cats’.

“‘You’re a mouse’.

“‘I’m a cat’.

“‘Prove it’.

“So the mouse jumps into the laundry tub, all with suds, and drowns itself. The cat wets a forepaw and has a lick. The suds taste horrible. So it leaves the body floating there. We all know why the cat goes off without eating the mouse. Because it’s not something for a cat to eat.

“That’s what I’m talking about. The mouse commits suicide to establish itself. It doesn’t of course make the cat recognize it as a cat, and it didn’t think when it killed itself that it would. But it was brave and perceptive and filled with self-respect. I saw that there are two parts to mouseness. First is that it is a mouse in every physical detail. Second is that it is, for a cat, worth eating. Those two. It has long ago given up in the first matter, but in the second there is still hope. It dies in front of the cat without being eaten, and it establishes itself as something that cats don’t eat. In those two respects it has proved it wasn’t a mouse. That much. To prove besides that it was a cat is simple. If something that had the form of a mouse wasn’t a mouse, then it can be anything else. And so the suicide is a success. The mouse had established itself. What do you think?”.

MISHIMA, Yukio, The decay of the angel, Vintage Classics, London, 2001, 118-119.

“De dood als de wieg van het leven”

Settembrini strekte zijn hand naar hem uit, terwijl hij zijn hoofd voorover boog en zijn ogen sloot – een zeer fraai en mild gebaar om iemand in de rede te vallen en om nadere aandacht te verzoeken. Hij volhardde enkele seconden in deze houding, ook toen Hans Castorp al lang zweeg en enigszins bedremmeld wachtte op de dingen die komen zouden. Eindelijk sloeg hij zijn zwarte ogen – de ogen van draaiorgelmannen – weer op, en zei:

‘Staat u mij toe – staat u mij toe, ingenieur, u te zeggen en u op het hart te drukken, dat de enige gezonde en hoogstaande, en trouwens ook, laat mij er dit uitdrukkelijk aan toevoegen, de enige religieuze manier om de dood te beschouwen, is hem als een onmisbaar bestanddeel, als een heilige voorwaarde tot het leven te zien en te ervaren, en niet, – wat het tegendeel van gezond, hoogstaand, redelijk en religieus zou zijn – hem er in de geest hoe dan ook van de te scheiden, hem in tegenstelling te plaatsen tot het leven en hem er om zo te zeggen zelfs tegen uit te spelen, wat ronduit weerzinwekkend zou zijn.

De Ouden versierden hun sarkofagen met zinnebeelden van het leven en van de voortplanting, met obscene symbolen zelfs – het heilige viel immers in de antieke religiositeit zeer vaak samen met het obscene. Deze mensen wisten de dood te eren. De dood is eerbiedwaardig als wieg van het leven, als moederschoot der vernieuwing. Maar wanneer hij wordt gezien als gescheiden van het leven, dan verandert hij in een spookbeeld, een karikatuur – en in iets nog ergers. Want de dood als zelfstandige geestelijke grootheid is een uiterst verdorven grootheid, welker liederlijke aantrekkingskracht onmiskenbaar zeer sterk is; maar het is evenmin te ontkennen dat het de gruwelijkste dwaling van de geestelijke geest betekent, met deze grootheid te sympathiseren’.

MANN, Thomas, De Toverberg, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2010, 259.

De knaap met drie harten

De deur stond open. Vanuit de wagen zagen we dat de avond rood en goud blonk in het grachtwater langs de weg. Binnen was er schemer, en ik had een kaars in een gekleurde papieren lampion aangestoken – een oude gewoonte uit de tijd toen ik nog alleen was. Dat gaf een zeer genoeglijke stemming: de gezichten hadden in dit licht een wondere glans, en mijn wagen leek wel eens zoo ruim en zoo diep, met geheimzinnige hoeken in de schemering. De dichter lag te bed, de vrouw zat naast hem, de handen gevouwen om haar knieën.

“Er was eens een knaap waarvan verteld werd dat hij drie harten had in plaats van één. Van toen hij nog kind was voelde hij in zijn borst voortdurend een scherpe pijn en een zwaarte; hij voelde zich ook anders dan zijn jonge vrienden die zonder kommer of achterdenken door het leven gingen. Maar al wie vriendschap of hartelijkheid noodig had kwam tot hem: het was bekend dat hij buitengewoon goed was en medelijdend voor de dompelaars van het leven. Maar het werd pas een vreemde geschiedenis wanneer zekeren dag, toen hij ziek was, de geneesheer ontdekte dat die drie harten van goud waren.

De knaap groeide op tot een jonge man en een groot kunstenaar die van God de genade kreeg op het klavier de diepste en geheimste verborgenheden van het menschenhart uit te kunnen spreken. Hij speelde voor zalen vol rijke, edele vrouwen en kunstenaars, voor beroemde meesters, voor edelen en voor koningen.

Maar hij bleef een goed en ootmoedig mensch. Hij verdiende fortuinen met zijn spel; hij kreeg bloemen als een vorst die begraven wordt; vrouwen lagen aan zijn voeten. Maar het goud gaf hij weg aan armen en aan zieken; de koningin zond hem een gouden uurwerk, hij schonk het aan een bedelaar. Waar hij langs kwam kusten de vrouwen zijn handen en de kinderen liepen hem op straat achterna. Dat duurde jaren; hij werd een oud man; zijn oogen werden dof, zijn haar werd wit; zijn handen beefden en er kwamen diepe rimpels boven zijn oogen. Er kwamen dagen dat hij de muziek niet meer kon lezen en zijn handen niet meer zeker waren van hun weg over de witte toetsen. Er kwam een tijd dat de kunstenaar vergeten werd; er kwam een tijd dat hij arm werd.

 Maar hij bleef altijd even mild en vrijgevig: al wie tot hem kwam hielp hij en de armen langs de straat ondervonden niet eens dat de kunstenaar nu minder rijk was dan vroeger. Maar niemand vermoedde ook hoe het kwam dat zijn hand altijd opnieuw gevuld was, en waar hij het goud haalde dat hij zonder meten of tellen zoo royaal rondstrooide. Er was altijd geld, en altijd opnieuw bracht hij de goudsmelter nieuwe stukken goud. Dat duurde zoo jaren.

Dan werd hij ziek, en de dokter die hem onderzocht bevond dat zijn hart bijna heelemaal weggeteerd was; het beetje hart dat hem nog overbleef – ik vergat te zeggen dat deze dokter niets van zijn geheim afwist – moest hij met zorg sparen: het zou hem anders het leven kunnen kosten.

Ja, zoo geschiedde het dat hij zonder bedenken bijna drie keeren zijn hart had weggegeven.

Maar luistert nu: toen hij op zekeren weg morgen voet voor voet en hijgend langs de straatweg ging vond hij op de brug een oud man liggen die gewoon was elke dag van hem een aalmoes te krijgen. Uit gewoonte tastte hij in de zak, maar vond hij niets; zijn laatste stukje goud had hij weggegeven, en het kleine beetje dat hij in zijn borst droeg moest hij met zorg sparen: zijn leven hing er van af.

Hij glimlachte: waarom zou hij nu de eerste keer iemand een aalmoes weigeren? Moest hij weigeren? Wat gaf hij om dat klompje goud daarbinnen? Hij was oud en versleten, en stierf hij vandaag niet, dan toch morgen of een paar dagen later. Wat kwam het er op an?

Het duurde maar een sekond. En een moment later reikte hij de bedelaar een klein stukje goud waaraan bloed hing.

En opeens was er een fel licht rond hem: de morsige bedelaar straalde als een engel; hij nam hem bij de hand en glimlachte. Toen vielen de dingen rond hem weg en de heerlijkheid van het Paradijs omkringde hem.

Wat later vonden twee voorbijgangers de oude kunstenaar en de bedelaar langs de weg liggen: ze waren al koud, en ze hielden elkaar bij de hand.”

VAN DER HALLEN, Ernest, De wind waait, Davidsfonds, Leuven, 1932, 63-65.

De essentie van kunst

‘[…] Maar vertel eens: afgezien van dit vertwijfelde heen en weer geslingerd worden tussen genot en walging, afgezien van dit schommelen tussen levenslust en doodsbesef – is er afgezien daarvan niet een andere manier waarop je het geprobeerd hebt?’

‘O ja, zeker wel. Ik heb het geprobeerd met de kunst. Ik heb je toch al verteld dat ik onder meer ook kunstenaar geworden ben. Op een dag, misschien was ik drie jaar bij jullie weg, in de wereld, en vrijwel al die tijd had ik een zwervend leven geleid, zag ik ergens in een kloosterkerk een houten Mariabeeld, en dat was zo mooi, het was zo’n aangrijpende ervaring voor me dat ik ernaar geïnformeerd heb wie de meester was die dat gemaakt had en naar hem op zoek ging. Ik heb hem gevonden, het was een beroemd meester; ik ben bij hem in de leer gegaan en ik heb een jaar of wat bij hem gewerkt’

‘Daarover vertel je me later nog maar wat meer. Maar wat bood de kunst jou, wat heeft die jou betekend?’

‘Dat was het overwinnen van de vergankelijkheid. Ik leerde inzien dat er van de klucht, de dodendans die het menselijke leven nu eenmaal is, iets overbleef, dat er iets was wat van duurzame aard was: de kunstwerken. Goed, daar komt ook weleens een einde aan, ze kunnen verbranden, ze kunnen aan slijtage onderhevig zijn of gewoon vernield worden. Maar toch zijn ze van langere duur dan een hele reeks mensenlevens, toch vormen ze voorbij de tijd, voorbij het ogenblik, een verstild rijk van voorstellingen en relikwieën. Ik heb zo het gevoel dat het iets goeds is, iets waar troost van uitgaat, om daaraan je steentje bij te dragen, want je zou bijna kunnen zeggen dat het het vergankelijke vereeuwigt‘.

Gesprek van Narziss en Goldmund in: HESSE, Hermann, Narziss & Goldmund, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2009, 241.

Pjotr leest … Dostojevski (2)

‘Kun je het dan niet raden?’ vroeg hij plotseling met de gewaarwording alsof hij zich van een toren naar beneden stortte.

‘Nee’, fluisterde Sonja nauwelijks hoorbaar.

‘Kijk eens goed’.

En zodra hij dit had gezegd, verkilde hij plotseling tot in zijn ziel door die bekende gewaarwording van toen: hij keek haar aan en plotseling was het alsof hij in haar gezicht het gezicht van Lizaveta zag. Helder zag hij weer de uitdrukking op Lizaveta’s gezicht voor zich toen hij met de bijl op haar afkwam en ze achteruitliep naar de wand, haar arm naar voren gestrekt en met een volslagen kinderlijke angst op haar gezicht, precies zoals kleine kinderen, wanneer ze plotseling ergens bang voor worden, onbeweeglijk en angstig naar het voorwerp staren dat hun schrik aanjaagt, achterwaarts weglopen en met hun armpje naar voren gestrekt elk moment kunnen gaan huilen. Bijna hetzelfde gebeurde nu met Sonja: even machteloos, met dezelfde angst, keek ze hem enige tijd aan om dan ineens haar linkerarm voor zich uit te strekken, nauwelijks, heel licht met haar vingers tegen zijn borst te duwen en langzaam van het bed op te staan waarbij ze steeds verder bij hem vandaan ging en hem steeds onbeweeglijker aanstaarde. Haar ontzetting sloeg plotseling ook op hem over: precies dezelfde schrik tekende zich ook op zijn gezicht af, precies zo begon ook hij naar haar te staren, en bijna zelfs met datzelfde kinderlijke glimlachje.

‘Heb je het geraden?’ fluisterde hij ten slotte.

DOSTOJEVSKI, Fjodor M, Misdaad en Straf, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam, 2007, 428-429.

Pjotr leest … Dostojevski

‘Hoezo? Wat wil dat zeggen? Het recht op misdaad? Maar toch niet ‘door inwerking van het milieu’?’ wilde Razoemichin zelfs enigszins geschrokken weten.

‘Nee, nee, niet alleen daardoor,’ antwoordde Porfiri. ‘Het komt er helemaal op neer dat alle mensen in mijnheers artikel in “gewone” en in “buitengewone” kan worden verdeeld. Gewone mensen behoren in gehoorzaamheid te leven en hebben niet het recht de wet te overtreden omdat ze, ziet u, gewone mensen zijn. Maar buitengewone mensen hebben het recht allerlei misdaden te begaan en de wet op allerlei manieren te overtreden, alleen al daarom omdat ze buitengewone mensen zijn. Zo zegt u het toch als ik me tenminste niet vergis?’.

‘Hoe kom je erbij? Dat kan hij toch nooit zo gezegd hebben!’ mompelde Razoemichin verbaasd.

Raskolnikov grinnikte weer. Hij had meteen begrepen waarom het ging en waar men hem wilde hebben; hij herinnerde zich zijn artikel. Hij besloot de uitdaging te aanvaarden.

‘U hebt mij niet helemaal juist geciteerd,’ begon hij eenvoudig en bescheiden. ‘Trouwens, ik moet toegeven dat u het bijna getrouw hebt weergegeven, zelfs, zo u wenst, volmaakt getrouw … (Hij leek het plezierig te vinden om toe te geven dat het volmaakt getrouw was). Het verschil ligt slechts hierin dat ik helemaal niet met nadruk stel dat buitengewone mensen beslist gehouden en verplicht zijn om altijd allerlei onoorbare handelingen te verrichten zoals u zegt. Het komt mij zelfs voor dat een dergelijk artikel ook niet in druk had mogen verschijnen. Ik heb er slechts heel eenvoudig op gezinspeeld dat een “buitengewoon” mens het recht heeft … Dat wil zeggen, niet het formele recht, maar dat hij het recht met zijn geweten overeen te komen om over … bepaalde obstakels heen te stappen, en dan alleen nog in dat geval wanneer het verwezenlijken van zijn idee (dat soms misschien wel heilzaam kan zijn voor de gehele mensheid) dit eist. U meende te moeten zeggen dat mijn artikel vaag was; ik ben bereid om het u zo goed mogelijk uit te leggen. Ik vergis me misschien niet wanneer ik veronderstel dat dit ook uw wens lijkt te zijn; staat u mij dus toe.

Ik ben van mening dat, indien de ontdekkingen van Kepler en Newton ten gevolge van bepaalde combinaties de mensheid niet anders bekend hadden kunnen worden dan door het opofferen van één, tien, honderd, enzovoort mensen die deze ontdekking in de weg hadden gestaan of verhinderd, Newton het recht en zelfs de plicht zou hebben gehad … om deze tien of honderd mensen uit de weg te ruimen om zijn ontdekkingen aan de gehele mensheid te openbaren. Dit wil trouwens helemaal niet zeggen dat Newton het recht zou hebben om iedereen, de eerste de beste, naar goeddunken te vermoorden of elke dag op de markt te gaan stelen. Verder, herinner ik me, ontwikkel ik in mijn artikel de gedachte dat alle … wel, bijvoorbeeld, wetgevers en grondleggers van de beschaving, te beginnen bij de alleroudste en vervolgens mensen zoals Lycurgus, Solon, Mohammed, Napoleon, enzovoort, allemaal stuk voor stuk misdadigers waren, alleen al daarom omdat ze bij het uitvaardigen van een nieuwe wet juist door deze uitvaardiging de oude door de gemeenschap als heilig beschouwde en door hun vaderen overgeleverde wet schonden  en natuurlijk geen halt hielden wanneer het tot bloedvergieten kwam, indien het vergieten van dat bloed (soms geheel onschuldig en roemrijk vergoten voor de oude wet) hen helpen kon. Het is zelfs opvallend dat een groot deel van deze weldoeners en grondleggers van de mensheid verschrikkelijke bloedvergieters waren.

Kortom, mijn gevolgtrekking is dat alle mensen, en niet slechts de groten maar ook zij die nauwelijks het rechte spoor verlaten, die dus zelfs nauwelijks in staat zijn iets nieuws te zeggen, van nature, in meer of mindere mate vanzelfsprekend, beslist misdadigers moeten zijn. Anders zou het moeilijk voor hen zijn om het rechte spoor te verlaten en ook zouden ze er zich natuurlijk niet bij neerleggen, wederom van nature, om in het rechte spoor te blijven, en volgens mij hebben ze zelfs die plicht om zich daar niet bij neer te leggen. Kortom, u ziet: er is hier tot nu toe niets dat bijzonder nieuw is. Dit is al duizend maal gedrukt en gelezen.

Wat betreft mijn indeling van de mensen in gewone en buitengewone, ik moet toegeven dat die enigszins willekeurig is, maar ik sta immers niet op exacte cijfers. Ik geloof alleen in mijn belangrijkste gedachte. Die behelst namelijk dat de mensen volgens de wet van de natuur over het algemeen in twee categorieën worden verdeeld: in een lagere (van de gewone), dus zogezegd in materiaal dat alleen maar dient tot het voortbrengen van zijn eigen soort, en in eigenlijke mensen, dat wil zeggen in hen die de gave of het talent bezitten om in hun milieu iets nieuws te verkondigen. Er zijn hierbij vanzelfsprekend eindeloze onderverdelingen, maar beide categorieën zijn nogal scherp afgebakend: de eerste categorie, het materiaal dus in het algemeen gesproken, is die van de van nature conservatieve en keurige mensen, die in gehoorzaamheid leven en ervan houden om gehoorzaam te zijn. Volgens mij is het ook hun plicht om gehoorzaam te zijn omdat dit hun bestemming is, en hierin steekt voor hen absoluut niets vernederends. De mensen van de tweede categorie overtraden allen de wet; het zijn omverwerpers of gezien hun kwaliteiten daartoe geneigd. Het spreekt vanzelf dat de misdaden van deze mensen betrekkelijk en zeer verschillend zijn; zij eisen merendeels, in uitingen van velerlei vorm, de omverwerping van het bestaand ein naam van het betere; Maar indien hij voor zijn ideaal over lijken zou moeten gaan of bloed moeten vergieten, dan kan hij zichzelf volgens mij, innerlijk, met een zuiver geweten, veroorloven om bloed te vergieten; echter, bedenk dit wel: met inachtneming van het ideaal en zijn maatstaven. Het is dan ook slechts in deze zin dat ik in mijn artikel over hun recht op misdaad spreek. (u herinnert zich toch dat we van het juridische vraagstuk uitgingen?)

Er is trouwens weinig reden tot ongerustheid: de massa zal hun bijna nooit dat recht toekennen; die stelt hen terecht en hangt hen op (min of meer) en vervult daarmee geheel rechtmatig haar conservatieve bestemming, met het voorbehoud echter dat deze zelfde massa in de volgende generaties de terechtgestelden op een voetsutk plaatst en hen (min of meer) vereert. De eerste categorie is altijd heer van het heden, de tweede categorie is heer van de toekomst. De eersten behoeden de gemeenschap en zorgen voor getalsmatige vermeerdering; die van de tweede houden de gemeenschap in beweging en leiden haar naar haar bestemming. Zowel dezen als genen hebben een volkomen gelijkelijk recht om te bestaan. Kortom, bij mij zijn allen gelijkberechtigd en, vive la guerre éternelle, tot het Nieuwe Jeruzalem, dat spreekt vanzelf’.

DOSTOJEVSKI, Fjodor M, Misdaad en Straf, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam, 2007, 269-271