TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Mens

Water uit een schedel II

In het Hossoboeddhisme gaat een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd keek hij naast zich en bleek  uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij iets: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? 

Deze korte passage zegt veel over het menselijke bewustzijn. Zij treedt in dit geval op als een remmende factor, geconditioneerd door een veelheid aan factoren. Bewustzijn is mogelijkheden aftasten; een speelveld betreden waarin de werkelijkheid telkens opnieuw wordt herschapen. We vinden de werkelijkheid vanzelfsprekend en ervaren haar vaak zonder dat we daar echt bewust van zijn, maar pas voorbij haar evidentie besef je haar rijkdom. Dat is wat de jonge asceet doet. Bewustzijn is in dat opzicht een werkproject: de aan en door ons opgelegde grensbepalingen verleggen en, indien mogelijk, de wereld op eigen termen verkennen en veroveren. Dé uitdaging is ervoor zorgen dat we van dit werkproject bewust zijn.

Trouwens. Zou de jonge asceet opnieuw van het water durven drinken en er tevreden mee zijn?

P.

Advertenties

Schuld en onschuld van de wil

Het dier is evenwel naïever dan de mens, als de plant naïever is dan het dier. In het dier zien we de wil tot leven als het ware naakter dan in de mens, waar hij met zoveel kennis bekleed en bovendien door het vermogen om te veinzen is verhuld, dat het ware wezen bijna slechts toevallig en gedeeltelijk te voorschijn komt. Geheel naakt, maar ook veel zwakker, manifesteert hij zich in de plant, als pure blinde drang tot bestaan zonder enig doel. Want de plant openbaart haar gehele wezen aan de eerste de beste toeschouwer en met een volmaakte onschuld, die het niet deert dat zij de genitaliën, die bij alle dieren de meest verborgen plaats hebben gekregen, op haar top tentoonstelt. Deze onschuld van de plant berust op kennisloosheid: niet in het willen, maar in het willen met kennis ligt de schuld. Iedere plant vertelt eerst over haar vaderland, het klimaat aldaar en de gesteldheid van de bodem waaruit zij is ontsproten … Maar bovendien verwoordt elke plant nog de speciale wil van haar soort en zegt iets in wat in geen enkele taal kan worden uitgedrukt.

SCHOPENHAUER, Arthur, De wereld als wil en voorstelling (deel I)

Kosmokrator

And the days are not full enough
And the nights are not full enough
And life slips by like a field mouse

Not shaking the grass

~Ezra Pound

To see the world in a grain of sand
and Heaven in a wild flower.
Hold infinity in the palm of your hand,
and eternity in an hour.

William Blake

Op lukrake momenten bevraag je de essentie van het leven. Over wat van belang is. Of we iets waard zijn op een kosmische schaal. Verhullen we ons in een grootsprakig antropocentrisme, waar de mens het centrum, of zelfs het culminatiepunt van het Alleven is, of werpen we ons in het Niets door het bestaan als een loutere toevalligheid te beschouwen? De mens als een organisme dat ontstaat, bestaat en sterft, zonder enig verschil uit te maken? De Tijd is een onverschillige maalstroom, het marcheert verder door en sleurt ons allemaal mee. En iedere druppel Tijd vloeit door je handen, niet meer terug te halen. Voorgoed verloren. In de Yuishiki-doctrine van het Hossoboeddhisme is er een continue flux van bewustzijn, dat de werkelijkheid enkel nu bestaat. Niet daarnet, niet zo meteen, maar op dit eigenste moment is de wereld jouw creatie. Heb je een manier gevonden om je handen te sluiten? Om de Tijd, al is het maar even, meester te zijn? Wanneer heb je voor het laatst een werkelijk roerloze stilte ervaren, waar de levensharmonie weerklinkt? Heb jij de Kosmos al eens gedwongen zich te openbaren?

(Het gonst …)

P.

“Absolute vrijheid in de Tijdsmuur”

“Het eigenlijke probleem is veeleer dat een grote meerderheid de vrijheid niet wil, dat deze er zelfs angstig voor is. Vrij moet men zijn om het te worden omdat vrijheid existentie is – voor alles de bewuste overeenstemming met de existentie en deze met een noodlottig ervaren lust te realiseren. Dan is de mens vrij en de met dwang- en dwangmiddelgevulde wereld moet alleen daarvoor dienen om de vrijheid in haar volle glans zichtbaar te maken, zoals de grote massa van het oergesteente door haar druk kristallen voortbrengt.

De nieuwe vrijheid is het oude, is absolute vrijheid in de Tijdsmuur; om deze, ondanks alle listen van de tijdsgeest, naar haar triomf te voeren: dat is de zin van de historische wereld.”

JÜNGER, Ernst, Der Waldgang, Vittorio Klostermann, Frankfurt Am Main, 1962, 126.

Ganzenpas

Met schuifelende voeten hoorde ik ze aankomen achter mij. “Kom” zei een vrouwenstem,  ik schatte ze in haar tienerjaren, “over drie minuten vertrekt de trein!”. Het schuifelende geluid groeide sterker, terwijl ik in mijn ooghoek drie jonge grieten zag voorbijlopen. “Het is niet verder meer, hop hop!”. Vijf meter voor mij maakten ze een einde aan hun geschuifel en begonnen ze te snelwandelen, met een rare wandelpas die me deed denken aan een stel ganzen, dat al waggelend het station binnenliep. Ik vind het gek om te zien hoe sommige mensen zich voortbewegen om ergens snel te geraken. Al schuifelend lopen moet zowat een van de vermoeiendste manieren zijn om ergens te geraken. Als je ergens snel wil geraken hef je je voeten op, maak je lange passen en lijk je op een gazelle die met een gezwinde tred iemand geruisloos voorbijsnelt. Was het uit een vorm van sociale schaamte? Datzelfde mechanisme dat mensen aanzet tot een vreemde zelfmatiging? Iets dat de mens schuw maakt voor hevige inspanningen met bruuske bewegingen?

P.

“To live deep and suck out all the marrow of life”

“I went to the woods because I wished to live deliberately, to front only the essential facts of life, and see if I could not learn what it had to teach, and not, when I came to die, discover that I had not lived. I did not wish to live what was not life, living is so dear; nor did I wish to practise resignation, unless it was quite necessary. I wanted to live deep and suck out all the marrow of life, to live so sturdily and Spartan-like as to put to rout all that was not life, to cut a broad swath and shave close, to drive life into a corner, and reduce it to its lowest terms, and, if it proved to be mean, why then to get the whole and genuine meanness of it, and publish its meanness to the world; or if it were sublime, to know it by experience, and be able to give a true account of it in my next excursion.”
— Henry David Thoreau, Walden

De zachtmoedige dood

Wanneer een mens met de dood wordt geconfronteerd, wordt hij gelijk getroffen door een eigenaardig soort paroxysme: de totale zachtmoedigheid die in hem opwelt en de hele omgeving overweldigt. Extremen verzwakken naar een onbepaald middelpunt, harde woorden blijven uit en alles lijkt grijs te worden. “Over de doden niets dan goeds”, wordt dan gezegd. En zodoende worden goede herinneringen bovengehaald, om de bittere smaak van de dood weg te denken. Dat helpt, wanneer je een doodsprentje in de handen krijgt, wanneer je voor het eerst de kist ziet waarin de overledene zijn laatste rustplaats vindt en een laatste groet brengt op het kerkhof. Wrede gedachten worden verbannen, omdat de confrontatie met de dood een onbewuste remming veroorzaakt.

Hoe verschillend is die zachtmoedigheid met de bloedige gedachtenstroom die onverwachts op zonnige dagen komt opborrelen? Een mens is in staat de gruwelijkste ideeën te bedenken wanneer de zon straalt en het leven rond hem volop bruist. Het goedlachse kind dat hij voor zich ziet spelen in de zandbak, speelt de hoofdrol in een bloederige fantasie. Dan wordt hij wreed, iets wat hij niet op een begrafenis kan bereiken. Hij gaat zelf niet over tot deze wrede handeling, omdat hij zich geremd voelt door zijn maatschappelijke en sociale status, die hij na veel moeite heeft bereikt en niet wil afstaan. Maar die wens is er wel, want het zit in zijn natuur, en die zoekt hij te kanaliseren in een sociaal aanvaardbare activiteit. Hij hoort graag slecht nieuws over anderen, omdat hij zich daardoor veiliger voelt. “Liever hen dan ik!”.

Dit wisselende hunkeren naar bloed en zachtmoedigheid behoort volgens mij tot een van de duizelingwekkende paradoxen van de menselijke geest. Die dialectiek tussen zachtmoedigheid in het aanschijn van de dood en gruwelijkheid in het aanschijn van het bruisende leven. Wat zou dit ons zeggen over de aard van de mens? Dat de mens een schizofreen wezen is? Of dat de mens – uit een onbewuste drang naar absurde compensatie – zwart en wit, hemel en aarde, wil doen samenvallen? Dat daar een schijnbaar heroïsch streven achterzit, die hij zo nu en dan wil sublimeren en dan weer naar boven wil brengen?

 

Eerder heb ik al over die menselijke problematiek gesproken: zie dit bericht (link).

 

P.