TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Muziek

Parsifal

Parsifal … ik moet denken aan een groots bouwwerk, dat in het laatste schemerlicht voor zijn nachtelijke ondergang een gouden schijn afwerpt op de wereld, alsof de laatste seconden op de bühne nog eenmaal zijn volle glorie tonen. Na de opvoering gezien te hebben in de Vlaamse Opera, staat dit in mijn geheugen gegrift als een van de meest indrukwekkende muzikale ervaringen. Mond open, geen woord valt nog uit te stoten en kippenvel raast over het lijf. Muziek maakt het onzegbare verstaanbaar, vervoert de mens in een universum dat meer betekenislagen lijkt te hebben dan hij aanvankelijk dacht. Geen wonder dat Nietzsche de muzikale Dionysos aanvoerde als voorvechter van de levenswil.

Het is gek te bedenken dat er amuzikale mensen bestaan op de wereld, die helemaal niet vervoerd geraken door de roes van zulke machtige tonen. Zijn zij de mensen die de dansenden uitlachen omdat zij de muziek niet kunnen horen? Of wordt die amuzikaliteit aangewakkerd door de platgedraaide standaardmuziek op de gemiddelde radiozender? Zijn zij wezenloos aan het ronddwalen in een muzikale woestenij? Iedere avond probeer ik mij die perfide tonen van mij af te schudden, maar morgen zijn ze daar weer …

Ik duik verder mijn boek in, gedragen door de onvergetelijke leitmotieven van dit prachtige stuk:

 

P.

Advertenties

Bach, baby!

Bon, ’t zou er wellicht over zijn te beweren dat de muziek bergaf gegaan is sinds Bach. Ik geloof ook niet in een absolute scheiding tussen “Hoogcultuur” en “Laagcultuur”, waarbij het ene het andere redundant maakt. Ik denk dat beiden de keerzijden zijn van eenzelfde dionysische medaille. Muziek verheft de geest en versterkt het gemoed; zonder zou het leven ondraaglijk zijn. En toch is de muziek van Bach van zo’n merkwaardige kwaliteit dat ik het niet vergelijken kan met de broeierige blues van een John Lee Hooker.

Als ik muziek op een neoplatoonse manier mag indelen behoort Bach tot de hoogste hemelsferen terwijl John Lee Hooker in lagere regionen vertoeft. Hoofd en onderbuik. Dat maakt John Lee Hooker echter niet overbodig, omdat zijn muzikale genialiteit net in de eenvoud ligt. ’t Klinkt cheesy, maar muziek heeft zijn gepaste momenten. Misschien dat ik na de geniale Cantate 82 van Bach zin heb in de ranzige thrash Deströyer 666? Zo’n muzikaal diverse smaak kan alleen maar als analogie van de menselijke ambiguïteit gelden. Ik schuw een klinische, kille vorm van purisme, want waarom zouden rauwe kracht en uiterste verfijning elkaar noodzakelijk hoeven uit te sluiten?

P.

De knaap met drie harten

De deur stond open. Vanuit de wagen zagen we dat de avond rood en goud blonk in het grachtwater langs de weg. Binnen was er schemer, en ik had een kaars in een gekleurde papieren lampion aangestoken – een oude gewoonte uit de tijd toen ik nog alleen was. Dat gaf een zeer genoeglijke stemming: de gezichten hadden in dit licht een wondere glans, en mijn wagen leek wel eens zoo ruim en zoo diep, met geheimzinnige hoeken in de schemering. De dichter lag te bed, de vrouw zat naast hem, de handen gevouwen om haar knieën.

“Er was eens een knaap waarvan verteld werd dat hij drie harten had in plaats van één. Van toen hij nog kind was voelde hij in zijn borst voortdurend een scherpe pijn en een zwaarte; hij voelde zich ook anders dan zijn jonge vrienden die zonder kommer of achterdenken door het leven gingen. Maar al wie vriendschap of hartelijkheid noodig had kwam tot hem: het was bekend dat hij buitengewoon goed was en medelijdend voor de dompelaars van het leven. Maar het werd pas een vreemde geschiedenis wanneer zekeren dag, toen hij ziek was, de geneesheer ontdekte dat die drie harten van goud waren.

De knaap groeide op tot een jonge man en een groot kunstenaar die van God de genade kreeg op het klavier de diepste en geheimste verborgenheden van het menschenhart uit te kunnen spreken. Hij speelde voor zalen vol rijke, edele vrouwen en kunstenaars, voor beroemde meesters, voor edelen en voor koningen.

Maar hij bleef een goed en ootmoedig mensch. Hij verdiende fortuinen met zijn spel; hij kreeg bloemen als een vorst die begraven wordt; vrouwen lagen aan zijn voeten. Maar het goud gaf hij weg aan armen en aan zieken; de koningin zond hem een gouden uurwerk, hij schonk het aan een bedelaar. Waar hij langs kwam kusten de vrouwen zijn handen en de kinderen liepen hem op straat achterna. Dat duurde jaren; hij werd een oud man; zijn oogen werden dof, zijn haar werd wit; zijn handen beefden en er kwamen diepe rimpels boven zijn oogen. Er kwamen dagen dat hij de muziek niet meer kon lezen en zijn handen niet meer zeker waren van hun weg over de witte toetsen. Er kwam een tijd dat de kunstenaar vergeten werd; er kwam een tijd dat hij arm werd.

 Maar hij bleef altijd even mild en vrijgevig: al wie tot hem kwam hielp hij en de armen langs de straat ondervonden niet eens dat de kunstenaar nu minder rijk was dan vroeger. Maar niemand vermoedde ook hoe het kwam dat zijn hand altijd opnieuw gevuld was, en waar hij het goud haalde dat hij zonder meten of tellen zoo royaal rondstrooide. Er was altijd geld, en altijd opnieuw bracht hij de goudsmelter nieuwe stukken goud. Dat duurde zoo jaren.

Dan werd hij ziek, en de dokter die hem onderzocht bevond dat zijn hart bijna heelemaal weggeteerd was; het beetje hart dat hem nog overbleef – ik vergat te zeggen dat deze dokter niets van zijn geheim afwist – moest hij met zorg sparen: het zou hem anders het leven kunnen kosten.

Ja, zoo geschiedde het dat hij zonder bedenken bijna drie keeren zijn hart had weggegeven.

Maar luistert nu: toen hij op zekeren weg morgen voet voor voet en hijgend langs de straatweg ging vond hij op de brug een oud man liggen die gewoon was elke dag van hem een aalmoes te krijgen. Uit gewoonte tastte hij in de zak, maar vond hij niets; zijn laatste stukje goud had hij weggegeven, en het kleine beetje dat hij in zijn borst droeg moest hij met zorg sparen: zijn leven hing er van af.

Hij glimlachte: waarom zou hij nu de eerste keer iemand een aalmoes weigeren? Moest hij weigeren? Wat gaf hij om dat klompje goud daarbinnen? Hij was oud en versleten, en stierf hij vandaag niet, dan toch morgen of een paar dagen later. Wat kwam het er op an?

Het duurde maar een sekond. En een moment later reikte hij de bedelaar een klein stukje goud waaraan bloed hing.

En opeens was er een fel licht rond hem: de morsige bedelaar straalde als een engel; hij nam hem bij de hand en glimlachte. Toen vielen de dingen rond hem weg en de heerlijkheid van het Paradijs omkringde hem.

Wat later vonden twee voorbijgangers de oude kunstenaar en de bedelaar langs de weg liggen: ze waren al koud, en ze hielden elkaar bij de hand.”

VAN DER HALLEN, Ernest, De wind waait, Davidsfonds, Leuven, 1932, 63-65.

Black Mountain en de ziel van vroeger tijden

Verklaar me gek, maar ik loop niet zo op met hedendaagse rockgroepen als Kings of Leon. Iedereen is er gek van, maar bibieke hier begrijpt de hele hetze niet. Zij ontbreken iets cruciaals, iets wat je enkel kan beschrijven als een “gevoel” of een “bezieling”. Als je het allemaal gaat terugbrengen naar de oorsprong van rock ’n roll, zou je misschien kunnen stellen dat er een “degeneratie” aan de gang is. Maar misschien is dat slechts de oude rot in mezelf die humeurig doet. Goede muziek is net als een goed boek of een goed lief: er zijn haast zeven miljard verschillende smaken anno 2011. Behalve misschien daar bij sommige Somalische fundamentalisten die alle muziek willen verbannen. Vaker wel dan niet is de zoektocht naar het Schone, het Ware en het Goede een niet-empirische en niet-rationele, maar totaal-mystieke ervaring. Een pelgrimstocht naar het walhalla van de Goede Smaak, langs gevaarlijke obstakels en verleidelijke sirenen.

Toch hebben sommige hedendaagse bands iets speciaals, waardoor de Vestaalse maagden terug het Heilige Vuur lijken te koesteren. Black Mountain is er een van. De stem van de zangeres doet me ongelofelijk hard denken aan Grace Slick van Jefferson Airplane. Het onderstaande nummer zou zo geschreven kunnen zijn in de golden sixties en gespeeld worden op Woodstock of, voor de avontuurlijken onder ons, Altamont. Geniet!

P.

Lima, 09.08.2010

Nog eens op het vliegtuig naar Lima, maar het verkeer was minder chaotisch dan bij het begin van onze reis. Was het werkelijk zo, of waren we al in een vergaande fase van gewoontevorming beland? Mensen rijden hier nog altijd als zotten en er schijnt bij sommigen een vreemde fascinatie te bestaan voor nummerplaten. Sommige Peruvianen hebben autostickers gemaakt van hun eigen nummerplaten terwijl anderen probleemloos lijken rond te rijden zonder nummerplaat. Vallende sterren in Peru zie je alleen maar aan de hemel, dus daarvoor hoef je het niet te doen.

Na de aankomst gingen we iets eten in de Barrancowijk aan de kust. Ons oog viel op het restaurant Songoro Cosongo. Op de menukaart stond interessante informatie over de wijk. Het is een ‘Bohemische’ en traditionele wijk met oude huizen, parken, kapellen, romantische plaatsen, de zee en de bekende Brug der Zuchten die de dichters lokten. De familie die het restaurant openhoudt vertoeft al sinds 1930 in de wijk en het gebouw is deel van het culturele patrimonium van Lima. De keuken is Afroperuviaans, wat volgens de eigenaar wil zeggen dat de gerechten goed zijn afgekruid.

Dat belooft.

Een heerlijk-pikante ceviche verraste mijn smaakpapillen, uiteraard vergezeld met een goed glas witte wijn. Een huiswijn dit keer, heerlijk sec. De eigenaar trakteerde ons, nuja, eigenlijk eerder de jarige gasten een tafel verder, op een kleine sonate. Dan overtuigden we hem een stukje te spelen op de piano die bij ons stond, hoewel die niet goed gestemd was.

 

De eigenaar en bard van het bewuste restaurant.

Dan gingen we naar het strand waar de woeste golven van de Pacifische Oceaan uitnodigde om even stil te staan bij de vele indrukken van deze reis. Het stille geruis, afgewisseld met plotsklaps rollende golven, zogen mij op en ledigden mijn verstand. Ik nestelde me en liet me doorheen de spreekwoordelijke Tao voeren. Het einde is nabij, maar het moment leek eeuwig te duren.  Heerlijke stilte, slechts het rollende water bleef over. De oceaan riep tot ons, bood ons een blik op haar eindeloosheid.

 

 

De oprijzende oceaan in Lima.

De volgende halte was Miraflores, waar het liefdespark veel tijd in beslag nam. Ik vond het op Park Güell in Barcelona lijken. Het kleine park had een groot standbeeld met twee geliefden in een innige omhelzing. Interessant waren ook de mozaïeken muren en banken met Spaanse zegswijzen rond de liefde. Het werd echter snel laat, waardoor we nog een keer de spits van Lima doorstonden om terug te geraken naar het centrum waar we iets gingen eten.

We aten, na een taxirit naar het centrum, in een lokaal Italiaanse restaurantje waar ik van de gelegenheid gebruik nam om van een ossobucco te genieten met een heerlijke fles Concha y toro (deze keer de merlotversie, maar de carbernet sauvignon was net iets meer karaktervol). Daarna volgde een splitsing: vijf mensen die iets wilden gaan drinken omdat het de laatste avond was en de andere vijf die wilden gaan slapen. We dronken iets in een lokale cocktailbar die er vrij louche uitzag. De bazin van dit ‘kot’ deed daar overigens niet veel goed aan door aan paniekzaaierij te doen. We moesten oppassen voor mogelijke dieven, maar de enige mensen die er waren buiten ons was zijzelf en de barman. De Pisco Sour werd gemaakt met wodka, wat op zijn minst opmerkelijk was aangezien Pisco zowat het hoofdbestanddeel is van een Pisco Sour. Wodka Sour dan maar? Vreemd. Maar al te vreemd. Daarna gingen we rustig naar het hotel toe. Er bleken geen pillen in onze cocktails gedraaid te zijn. Daar gaat onze sjamanistische ervaring. Iets wat je in Peru blijkbaar ook kan doen. Een andere keer dan maar.

Toen gebeurde datgene wat elke reiservaring zoveel rijke maakte: een spontane ontmoeting met de lokale bevolking. Niet dat we dat eerder niet hebben kunnen meemaken. Maar toch niet zo spontaan als deze keer. Dit kwam door het nemen van de foto’s waar enkele lokale voetballende kinderen mee op stonden. We deden mee met hen en vermaakten ons voor een lange tijd door tegen de bal te trappen. Dat het half twee ’s nachts was en dat deze kinderen nog volop aan het voetballen waren vonden we vreemd. En meer zelfs aangezien zij de dag erna naar school moesten gaan maar blijkbaar was er een familiefeest in de lokale buurtwinkel. We mochten meegenieten van de verjaardagstaart en een donkere Cusqueña, die een lichte fruitige toets had maar wel bitter smaakte. De dames van ons illustere gezelschap dansten met de jongens en de enige man in het gezelschap, ondergetekende, trok de foto’s en genoot van de gemoedelijke sfeer. We gingen laat slapen, nagenietend van deze uitbarsting van spontaniteit. Het is dit soort onverwachte situaties die een werkelijke meerwaarde bieden aan reizen. En dan komt de onvermijdelijke vraag: waarom morgen al vertrekken? Waarom blijf ik hier niet een paar dagen, een paar weken of een paar maanden langer?