TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Mysterie

26

Het is vaak op verjaardagen dat je stilstaat bij de toestand van je entropie. De wanorde die tot de onvermijdelijke lichamelijke en mentale aftakeling zorgt komt almaar dichterbij en je beseft iedere keer dat je weer eens minder tijd hebt om iets zinvols en waardevols uit het leven te halen. Een getal zegt natuurlijk niets over een mens. Absoluut niets. En toch is onze maatschappij gericht op kwantiteit, dat is een grondstroom waaraan we moeilijk kunnen ontsnappen. Bedankt, meneer Descartes. Dat gegeven voelt aan als verpletterend, want het benadrukt de onomkeerbaarheid van ons tijdelijke bestaan. We hebben de neiging alles te reduceren tot wat rekenbaar is. In zekere zin is dat handig gebleken in dagelijkse omgang, maar om de ware volheid van het leven te appreciëren heb je toch meer nodig dan enkel een berekenende gedachte. De grote tragedie is dat ons geen tijd vergund wordt om hierbij stil te staan. Toch blijven we in de grond metafysische wezens, zoekend naar iets wat ons, al is het maar even, naar een tijdloze toestand kan brengen. Dus wat leren we ieder jaar bij? Veel. En veel ook niet, omdat we beseffen dat er nog veel is dat we niet begrijpen. De kans bestaat dat we het op het einde van ons leven niet eens begrijpen. We offeren onze jeugd op om dieper te graven in het levensmysterie, maar we worden er maar niet wijzer uit. Hoe meer we erover ontdekken, hoe groter haar wonder en raadselachtigheid. Maar … is het leven daarom een wereldomspannend drama?

P.

Advertenties

De mens? “Een midden tussen niets en alles”

“Als ik besef hoe blind en ellendig de mens is, wanneer ik heel het zwijgende heelal aanschouw en zie hoe de mens zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf overgelaten is, zonder te weten wie hem daar heeft neergezet, wat hij er komt doen, wat er van hem zal worden als hij sterft, zonder in staat te zijn ook maar iets te weten, dan bevangt me een gevoel van ontzetting, zoals iemand die men in zijn slaap naar een afschrikwekkend en onbewoond eiland heeft vervoerd en die wakker wordt zonder ergens van af te weten en zonder een mogelijkheid om daar weg te komen. En dan verbaast mij, dat men niet vertwijfeld raakt door zo’n ellendige toestand”.

Blaise Pascal, Pensées, °198.

Filosofie heeft de neiging een mens te vereenzamen in zijn eigen gedachten. Als je er echt eens over nadenkt, wat doen we dan eigenlijk op deze verdomde bol? Wij, toevallige organismen die op kosmische termijn niets meer zijn dan een fluisterend geluid tussen twee machtige stiltes? “Zelf er de zin van maken” is een weinig interessant antwoord. Voor iemand als Blaise Pascal moet deze vraag wel heel erg pertinent zijn geweest, omdat in zijn tijd het oude wereldbeeld, waarin alles duidelijk was en alles zijn plaats had, kraakte. Copernicus was al een schok, maar het was Galileo Galilei die in de eerste helft van de zeventiende eeuw de eerste barst in de muur sloeg. Het kon niet langer worden volgehouden dat de aarde het centrum was van een harmonische kosmos zoals Dante in de dertiende eeuw had verbeeld in zijn Divina Commedia. Dat besef moet in die tijd wereldschokkend zijn overgekomen, meer nog dan de Colombiaanse uitwisseling die een eeuw daarvoor een hele resem vastgeroeste denkbeelden aan diggelen heeft geslagen.

Maar zoals Pascal in bovenstaande citaat vaststelt liggen weinig mensen wakker van de “ellendige toestand” waarin de wereld werd overgelaten. De ‘Geworpenheid’, die de mens dwingt te existeren, moet hem onderweg murw hebben geslagen. Ik vermoed dat het komt omdat de mens zich graag in cocons nestelt; hapklare sferen waarin een kant-en-klaar referentiekader klaarligt om alles vanzelfsprekend te vinden. Door het “trickle-down”-effect komen die filosofische schokken pas later en daardoor minder hard aan. Vanuit die beperking blijft er wel een mate van verwondering en vrijheid mogelijk, maar veel verder reikt de verbeelding niet, omdat ze geen vruchtbare voedingsbodem biedt. Net zoals schipbreukelingen zonder perspectief blijven ze achter op het eiland waarop ze worden geworpen en zullen daar dan ook in alle onwetendheid sterven. Pascal strekte de zeilen en stelde een filosofisch probleem vast dat nazindert tot in postmoderne tijden:

“Want wat is de mens tenslotte in de natuur? Een niets vergeleken met het oneindige, een Al in vergelijking met het niets, een midden tussen niets en alles, oneindig verre ervan de uitersten te bevatten; het begin en het einde der dingen blijven onverbiddelijk verborgen in een onoplosbaar mysterie”

Pensées, °199

En toch: wie is het meest gelukkig? Diegene die rusteloos wroet naar de wortels van het bestaan om zich van zijn sluiers te ontdoen of diegene die vrede neemt met zijn geprefabriceerde illusies?

P.

Eleuspinion

Kleine donk’re beige, traag-schrijdende, spin,

Verfijnd menselijk gezicht, geniepig niettemin

door acht poten tot het Eleusinion gebracht,

Wervelende fakkeldans, een visioen in de nacht,

Kieskeurigheid troef, wegtripp’lende schabbenboef

Verdwenen uit het oog, en geruisloos

het web der mensheid ontrafeld

P.

De tijger berijden

“Carrièretijger”. Een virtueel Hollands beestje dat je aan je eerste job zal helpen, zo blijkt. Leren solliciteren is een vervloekte bezigheid voor zij die aan dit ritueel begonnen zijn. De schone studentenjaren zijn voorbij, het is tijd om op onze eigen poten te staan. Geen frisse pinten meer om tien uur ’s morgens, terwijl je een kaartje legt met een paar vrienden en je afvraagt of je zo meteen nog naar de les gaat of toch maar eens voor die blauwe Rochefort gaat en na enkele glazen meer heerlijk-dronken gaat verwonderen over het mysterie van de kosmos. In deze dronken roes denk je dat je alles hebt ontrafeld, maar de tijd dringt. De eindtijd van dit korte Gouden Tijdperk komt sneller dichterbij. “Het is mijn Lot”. Hierna volgt in snelheidstempo de onvermijdelijke stap van rebellerende jeugd naar een kortgehouden kleinburger met een kersverse lobotomie, een net tuintje, een proper huisje en een kuis vrouwtje, drachtig van een koddig kind of twee. Het totale, weerzinwekkende einde van de vrijheid, die je misschien niet genoeg hebt weten te koesteren. De schuld lijkt verpletterend te zijn; onherroepelijk lijk je te weinig van die vrijheid geproefd te hebben en nu doemen die ketens van het werkleven op. Een verkwanselde kans, verspild geluk. Het verwoest je innerlijk. De hand van de Dood. Fortuna verlaat deze contreien.

Nee, nee, ik doe het niet, ik laat me niet sollen door zulk een soort defaitisme. Die frisse pinten gaan niet lopen en ik ga nog vele mooie uren beleven met het doorgronden van het Grote Mysterie van het Al. Het leven gaat door. En daarbij komt die Hollandse tijger misschien wel van pas. “Wie de tijger berijdt, kan zelf niet door hem worden aangevallen”, zo luidt een oud oosters gezegde. Het is de enige manier om de grote verwoestingen van Kali Yuga te overleven. En dan is het wachten tot die tijger bijgestuurd kan worden, tot hij uiteindelijk neervalt. Het innerlijke leven begint nu écht.

P.