TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Mystiek

De vloek van Morpheus

Het is avond en Morpheus lonkt me naar zijn dromenrijk. Ik ‘zink’ weg in een lucide droom, een vreemde toestand waarin ik bewust een droom ervaar. Dat is anders dan een normale droom waarin het dromende subject volledig in een droom wordt opgenomen. Dat dubbele bewustzijn doet je in een schemerzone belanden waarin de werkelijkheid wordt gesluierd met vage droomgestalten. Naast mij ligt mijn vriendin en ik hou mijn hand op haar zij. Dat is wat ik weet en in zekere zin is dat mijn houvast. En dan ontvouwt de droom zich in al haar eenvoud.

Voor mij zie ik twee brandende zwarte kaarsen met weinig andere details daarrond. Een donkere kamer en in de achtergrond een open raam waar de wind met de gordijnen speelt. Een minimalistische setting. Plots grijpt de angst zich plotseling om mij. Samen met een aanzwellende schreeuw voel ik bovenal een ontzettend dreigende atmosfeer me beklemmen. Een donkere onzichtbare aanwezigheid die niet van menselijke aard is stormt  gewelddadig op mij af. Mijn instinct zet me aan om hieruit te ontsnappen, omdat ik voel dat ik hierin eeuwig opgesloten dreig te geraken. De woestijn groeit; wee hem die woestijnen in zich bergt. Ik weet dat ik een dromend subject ben en dat ik in staat ben om mijn ogen te openen om dit te stoppen. Het probleem is dat ik verlamd ben en geen controle uitoefen over mijn lichaam. Ik wil mijn hand verleggen, maar deze reageert niet.

Het is pas later dat ik in staat ben om me uit deze droom te verheffen. Enkele tellen later wil ik terug in slaap vallen, maar dan zie ik dezelfde kaarsen weer voor me staan. Ik wil me verzetten tegen de angst, maar ik voel me totaal machteloos en kan er amper aan ontsnappen. Hetzelfde gebeurt in een andere ligpositie. Pas daarna zink ik weg in een gewone slaaptoestand. Dat beklemmende gevoel blijft me echter achtervolgen. Ik wil me verdiepen in mijn lucide droomervaringen, maar wie weet wat ik daar in het rijk van Morpheus zal vinden?

 

P.

De Wanderlust tussen het profane en het sacrale

“Rönne wanted to go to Antwerp, but how, without corrosion? He could not come to lunch. He had to say he could not come to lunch today; he was going to Antwerp. To Antwerp, the listener would be wondering? Contemplation? Reception? Perambulation? That seemed unthinkable to him. It purported enrichment and construction of the soul“.

Enrichment and construction of the soul – that was what the old world was doing roundabout, unmoved by the far-reaching collapse of the times that enfeebled Rönne. The old world was still sitting in the officers’ mess, eating – as we shall soon see – of a tropical fruit, and waging wars, but he could not longer take part in it. In an age of rockets casually refueling on stars, of Cook’s paving the jungle for guided tours, of polar distance shrinking to short-haul rates and dowagers competing in Himalayan excursions, Rönne’s travel urge met with an inner resistance.

Gottfried Benn, “The way of an intellectualist” in Primal Vision.

 

© Peter Verheyen

De historicus Stephen Kern duidt aan dat het verschil tussen de profane en sacrale ruimte in de negentiende eeuw vervaagde door de secularisering[1]. Deze opmerking verbindt hij met de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, die God doodverklaarde[2]. De bruggen tussen de wereldlijke, profane wereld en de transcendente, sacrale wereld werden hierdoor verbroken. Cultuurfilosoof Julius Evola beaamde eveneens deze ‘ontologische breuk’, voor hem duidde dit zelfs op een onderscheid tussen een moderne en traditionele beschaving[3]. Ook de Vlaamse letterkundige Ernest Van der Hallen merkte deze vervaging op, door in Brieven aan een jonge vriend de cultuur aan te klagen die God en de godsdienst heeft uitgeschakeld in het leven[4]. Een belangrijk gevolg van deze vervaging was de bedreiging van profane inmenging van de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen.

Vooral de toeristen moesten het ontgelden. Lieven De Cauter duidt aan dat zij de genius loci, de ziel van een plek, aantastten[5].  Toeristen bevuilden de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen met materialisme en trivialiteit. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem[6]. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’[7]. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land[8]. Ook zijn geliefde begijnhof in Lier liep het gevaar in waarde te dalen tot een typische toeristische trekpleister[9]. Evola meende dat de massale toevloed van toeristen naar de bergen zijn ‘heiligdom’ zou bevuilen met een ‘plebejische kwaliteit’. Dit zou het verlies veroorzaken van de spirituele kwaliteit en de waarde van de ervaring van het bergbeklimmen[10]. Zo degenereerde de existentiële en spirituele ervaring van hun sacrale ruimten naar een condition touristique[11].

Toch deelden Evola en Van der Hallen een aantal gemeenschappelijke kenmerken met toeristen. Lieven De Cauter stelt vast dat de hedendaagse toerist twee elementen heeft geërfd van de Romantiek: de reislust als een spiegel van innerlijke onrust en het geloof dat reizen goed is en noodzakelijk om te bekomen van de stress[12]. Hun vlucht naar de sacrale ruimte is daar een illustratief voorbeeld van. Ernest van der Hallen had het vaak over een droom of sprookje, of dit nu in een oase in de Noord-Afrikaanse woestijn was of onder een boom terwijl hij de geschriften van de middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec[13] aan het lezen was[14]. Door zich voor te doen als zwerver, wilde hij ‘den toerist uit den weg te blijven’[15]. Julius Evola deed zijn best de ‘romantische subjectivistische pathos’ van de moderne mens te ontkennen, omdat hij zich wou spiegelen aan ‘de traditionele mens’ die eerder reële sensaties beleefde in de natuur. In zijn eigen woorden: ‘we may assume that in traditional man the power of imagination was not merely confined to either the material images […] and subjective images, as in the case of the […] dreams of modern man’[16]. Toch onderging hij regelmatig verwondering in de bergen, waar hij net als Van der Hallen een onbeschrijfelijke nostalgie voelde en een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze koesterde[17]. ‘Is het ten slotte toch nog de eeuwige burger in ons’, leek Van der Hallen toe te geven, ‘die ons drijft naar een andere vorm van sensatie […]?’[18].

P.


[1] KERN, Stephen, The culture of time and space 1880-1918., Harvard University Press, Cambridge, 1983, 179.

[2] Zie: NIETZSCHE, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap., Arbeiderspers, Amsterdam, 2007.

[3] EVOLA, Julius, Revolt against the modern world., Inner Traditions, Rochester, 1995, xxxii.

[4] VAN DER HALLEN, Ernest, Brieven aan een jonge vriend., L.V. Tijl, Deurne, 1932, 16.

[5] CAUTER, Lieven de, Archeologie van de kick. Over moderne ervaringshonger. Vantilt, Nijmegen, 2009, 139.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Cheiks, pelgrims en rabbijnen., Het Spectrum, Utrecht, s.d., 68.

[7] Ibidem, 69.

[8] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 76.

[9] VAN DER HALLEN, Ernest, ‘Wat over schoonheid in onze samenleving’, Storm, JG 3, n°11, 1 juni 1921.

[10] EVOLA, Julius, Meditations on the peaks., Inner Traditions, Rochester, 1998, 41.

[11] Archeologie van de kick, 15.

[12] Ibidem, 130.

[13] Jan van Ruusbroec (1293-1381) was een Brabantse priester en kapelaan die in het Middelnederlands mystieke teksten schreef.

[14] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 103; AMVC, R 286/B2, Brief van Ernest van der Hallen aan Flor van Reeth op 23 september 1922.

[15] Oost-Zuid-Oost, 5; Tusschen Atlas en Pyreneeën, 115.

[16] Revolt against the modern World, 151.

[17] Meditations on the peaks, 71.

[18] Tusschen Atlas en Pyreneeën, 10.

“Waarom haastig zijn te Lier?”

Het onderstaande stukje is een relict van vroeger tijden. Omdat de bomen zich in deze tijd in hun gouden tooi kleden en dra hun bladeren zullen afwerpen, vond ik dit onderstaande melancholische stukje passend te zijn voor dit moment. Lier is een stad voor genieters. Een stad waar het tijdloze doorheen alles lijkt te schijnen. En waar kleine verrassingen om iedere hoek te vinden zijn.

———

Zelfs het gure herfstweer ontsiert de Pallieterstad niet van zijn charme

Lier verkoopt zichzelf als een bruisende stad die tegelijk charmant, bourgondisch, historisch, verrassend, veelzijdig en romantisch is. Iets wat niet meer bewezen hoeft te worden. Toch heeft de stad nog meer in petto. Het roemrijke kunstverleden voegt een laatste aspect toe aan de Pallieterstad: tijdloosheid.

“Niet bepaald het weer dat je in gedachten had, zeker?” grapten Berten en Kerstin, een jong koppel dat net in Lier woont, toen we ons in het gure herfstweer begaven. Ik vervloekte eerder die dag de hemelsluizen, die al enkele dagen wagenwijd openstonden. En toch. De melancholische stemming die het gure herfstweer opwekt doet sfeervol aan. “Het heeft iets speciaals en we maken er iets gezellig van” stelt Kerstin ons gerust. Gewapend met paraplu’s gaan we de eindeloze regenbui tegemoet. Wat water kan ons niet deren.

Geen minutieuze planning, maar eerder een soort nonchalance vormt onze leidraad vandaag. Het boekje ‘Schoon Lier’ van Felix Timmermans, dé Lierse schrijver bij uitstek, neem ik mee. En daarmee keer ik niet zozeer terug naar een Lier uit een welbepaald verleden, maar naar een tijdloos Lier. Timmermans schreef geen toeristisch boek met netjes geordende bezienswaardigheden, maar eerder een dromerige evocatie van zijn geboortestad. Op deze manier kan het spontaan ontdekken van een stad een bijzondere ervaring zijn.

We komen aan bij het Lierse begijnhof, ‘d’Amandelboom van Lier’ volgens de schrijver. Hier speelt het boek ‘De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen’ van Timmermans af. Zij is een begijntje dat verliefd wordt op de hovenier Martienus die haar druivelaar verzorgt. In het voorjaar verlaat hij het Begijnhof om bij de Bruine Paters te gaan. Dit zorgt voor veel hartzeer en vragen bij Symforosa. Ze probeert hem zoveel mogelijk te ontwijken en raapt alle moed bij elkaar om afscheid te nemen op de Begijnenvest. Toen ze na lang aandringen bij moeder overste toelating kreeg om hem te bezoeken, besefte ze bij aankomst dat hij gelukkig was en ging ze voldaan terug naar het Begijnhof.

In het korte verhaal legt zij de zogenaamde ‘Kruisweg’ af, langs een reeks schilderijtjes die de lijdensweg van Jezus afbeelden. We volgden als pelgrims deze minibedevaart. Helaas waren deze schilderijtjes in restauratie, dus konden we enkel de afbeeldingen zien met de bijhorende Bijbelteksten. In een kleine zijstraat van de Sint-Margarethastraat zien we een klein standbeeld van een blijmoedige Symforosa. We passeren het oude werkhuis van Timmermans in de Grachtkant. Iets verderop ligt de Hellestraat waarin het verliefde begijntje een roos ontving van Martienus, vlak voor hij vertrok. We herkennen het huis met het gietijzeren hek, waar Martienus een tuintje onderhield.

Over het huis van Martienus bevindt zich het zogenaamde ‘Ruusbroechuisje’, waar Timmermans samen met de Lierse letterkundige Ernest ‘Nest’ Van Der Hallen en de architect Flor Van Reeth ‘stille uren beleefden’ en zich aan kunst wijdden. Het is tevens het kleinste huisje van het Begijnhof, maar is helaas niet toegankelijk. Vooral ‘Nest’ was in de wolken met het huisje, wat bleek uit de brieven die hij schreef:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

Zijn brieven gonzen van lof over het Begijnhof. Hij, Fé en Flor richtten hier de Pelgrimbeweging op, een kunstenaarsgenootschap die de katholieke kunst wilde moderniseren.

 “Hier wandelt de mystiek in burgerkleding rond” schrijft Timmermans.  Vandaag is er echter weinig volk op de been, het weer houdt de brave burgers van Lier binnen. De mystiek zit hem namelijk vooral in de sfeer die hier rondwaart. “Alsof je van het moderne Lier overstapt naar een tijdloos Lier”, voegt Berten eraan toe. Het laatste begijntje is gestorven in 1994. Ze leeft nog in naam verder in taverne Zuster Agnes, juist buiten het Begijnhof.

 

Niet veel verderop schuilen we even voor de regen in het Convent, vlak aan de uitgang aan de Begijnenvest waar Symforosa afscheid nam van Martienus. Hier is een ruime tentoonstellingsruimte ondergebracht. Vandaag zien we de gedichten van Vera Beau, die inzicht geeft op de gevoelswereld van nabestaanden van een zelfdoding  en de schilderijen van Fons Teijssen.

We verlaten het Begijnhof langs de Begijnenvest, de ‘groene kathedraal’. Ik haal nog eens de laatste pagina van het verhaal van Symforosa naar boven:

“En het regent nu op zijn zeven gemakken. ’t Zal weer een regen voor vele dagen zijn. De lucht is nat en de verten zijn verdronken. Het regent luie, rechte strepen zonder wind en ’t ruist machtig op de bladeren van de bomen”.

Het verhaal komt tot leven. “Je mag dat verhaal eens komen vertellen wanneer we gaan trouwen, behalve het einde want ik hoop niet dat Berten net als Martienus naar het klooster gaat” lacht Kerstin.

Wanneer we de Lierse sportvelden zijn gepasseerd kunnen we de ‘zilveren knoop’ zien waar Felix Timmermans zo lyrisch over was: de samenkomst van de kleine Nete, die door de stad vloeit en de grote Nete die er omheen vloeit. We gaan door het kleine parkje dat haast verzuipt in de regen. Er hangt een melancholische sfeer naarmate het licht vermindert. De vijver treedt stilaan buiten zijn oevers, elders horen we de Lierse ‘pompiers’ druk heen en weer rijden. Mijn gezelschap klaagt niet over het weer.

We komen voorbij het oude zwembad van Lier, volgens Berten een “schande van de buurt” wegens de erbarmelijke staat ervan en spoedig rijp voor de sloop. “Wanneer het oude zwembad gesloopt wordt, zal er een lange groene zone ontstaan rond het einde van de kleine Nete” zegt hij en wijst me de omgeving aan. De letters van het stedelijke zwembad hangen er nog maar halvelings aan en de ingang van het zwembad waar ik vroeger als kind soms heen ging was afgerasterd.

Het Timmermans-Opsomermuseum, dat nabij ligt, stelt het werk van een hele resem Lierse kunstenaars tentoon. Het gelijkvloers is onderverdeeld in drie grote kamers die gewijd zijn aan Isidoor Opsomer (1878-1967), een schilder die flirtte met realisme en postimpressionisme. Die flirt is duidelijk merkbaar bij verschillende schilderijen. Een afbeelding van De processie in het begijnhof leunt sterk aan bij het postimpressionisme en toont ook hier die sterke affectie van een Lierse kunstenaar voor het Begijnhof. Het indrukwekkende Christus predikend in Lier sluit aan bij het realisme. “Een opmerkelijk stuk”, zegt de aanwezige museumgids, die me wat uitleg geeft. “Het stadje is schoon” schreef Timmermans. “En Opsomer kan het schoon laten zien”. Op de eerste verdieping vinden we een deel toegewijd aan Lierse striptekenaars zoals Gommaar Timmermans, zoon van, lokale componisten en architecten zoals Flor van Reeth. Een groot deel is uiteraard gereserveerd voor Felix Timmermans.

Australian Fine Wines is een lokale wijnhandelaar die regelmatig proeverijen organiseert. Timmermans mag dan gezegd hebben dat Lier rijmt op bier en plezier, de druivelaar kreeg evenveel aandacht. De afsluiter van de dag in een wijnkelder doet ons denken aan zijn weemoedige verhaal van Benedikt Serneels, ‘de pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt’. Timmermans schreef het boek in 1921 aan zijn ‘druivesappige vrienden’. Vandaag wordt de Shirazdruif in de kijker gezet, dominant in de Australische wijnproductie.

“Is het daarbuiten nog altijd zo lelijk bezig? Een wonder dat wij in onze kelder nooit problemen hebben met water” gaat de wijnhandelaar een gesprek aan met de aanwezige gasten. Een koppel dat mee binnen kwam zegt dat het pompen geblazen is aan de Grote Markt. Elders horen we inderdaad de Lierse brandweer door de straten razen. De namen van de wijnen in de kelder waar we vertoeven mogen dan geen oervlaamse klanken hebben, we kunnen ons inleven in de weemoedige sfeer van de verhalen die Timmermans schreef. We besluiten een Grant Burge Cabernet Sauvignon uit 2005 te kopen, een passende karakterwijn in dit gure herfstweer.

Met paraplu’s in de aanslag, stuiten we op het moderne Lier op het Zimmerplein. De najaarsfoor zal vandaag niet veel volk ontvangen. Een enkeling betreedt het geruisloze Lunapark, dat er stil bijligt. Net achter de hoek bevindt zich het Begijnhof, waar onze tocht begon. De Gevangenpoort doemt op. Even lijkt de tijdloosheid van ‘d’Amandelboom” zich meester te hebben gemaakt van het moderne Lier. Ik dacht aan wat Fé eens schreef: “waarom haastig zijn te Lier”?


 

P.

Het geheim van Jakob Böhme

Ik onthul je een geheim. De tijd is gekomen wanneer de Bruidegom de Bruid zal kronen. Maar waar is de kroon? In het Noorden … En waarvan komt de Bruidegom? Van het Centrum, waar de warmte het Licht genereert en naar het Noorden richt … waar het Licht stralend wordt. Wat doen de mensen die in het Zuiden leven? Zij zijn in slaap gevallen in de warmte; maar zij zullen ontwaken in de storm en velen onder hen zullen doodsbang zijn.

Jakob Böhme (1575-1624), Aurora, 2.11.43

Een snuifje Ruusbroec …

“Hij is hongherig ende dorstig, want hi siet der ingelen spise en de hemelschen dranc. Hi arbeit sere in minnen, want hij siet sine raste. Hi is pelgrim, ende hi siet zijn lantscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone. Troest, vrede, vroude, ende scoenheit, ende rijcheit, ende al dat verbliden mach, dat wert vertoent der verlichter redene in Gode”.

“Over de plaats van afkomst blijft het voorlopig nog gissen. Sommige wetenschappers verwijzen naar Ruisbroek, een dorp tussen Brussel en Halle, anderen situeren de kindertijd van Ruusbroec in de gelijknamige wijk van Brussel. Op elfjarige leeftijd wordt hij toevertrouwd aan zijn oom en priester Jan Hinckaert, kapelaan van de St. Goedelekathedraal – de huidige St. Michielskathedraal. Na een opleiding van vier jaren aan de Brusselse kapittelschool wordt hij in 1317 tot priester gewijd. Gedurende 25 jaren bekleedt hij de functie van kapelaan of plaatsvervangend priester in de kathedraal. Het jaar 1343 is een belangrijke wending in zijn leven: samen met zijn oom en een ander inwonende priester, Vrank van Coudenbergh, verlaat hij de stad voor het Zoniënwoud. Zij vestigen zich in Groenendaal, in het vroegere verblijf van een kluizenaar. Men vermoedt dat zij het drukke Brussel ruilen voor een plaats waar zij voor God kunnen leven in een geestelijk geschikt klimaat. Aanvankelijk leven zij zonder regel en zonder overste. Ofschoon deze kleine religieuze gemeenschap niet de bedoeling heeft een klooster te stichten, neemt zij in 1350 de Regel van Reguliere Kanunniken van de Heilige Augustinus aan. Van dan af wordt de gemeenschap een proostdij met Vrank van Coudenbergh als proost en Ruusbroec als prior. Omwille van zijn hoge leeftijd besluit Jan Hinckaert de Regel van de Orde niet te volgen. Verbonden met de gemeenschap woont hij zijn verdere leven als kluizenaar in een afzonderlijke woning.

Wat het literaire aspect van Ruusbroecs leven betreft: in Groenendaal zet hij het werk voort dat hij in Brussel is begonnen. In de drukte van de stad schrijft hij vijf werken, in de stilte van het Zoniënwoud breidt hij zijn oeuvre uit met zes traktaten en enkele brieven. Het valt echter op dat zijn gezamenlijke literaire werk van één en dezelfde grondgedachte getuigt: de liefdesontmoeting tussen God en mens in dit leven. Ruusbroecs mystiek is liefdesmystiek. Hij beschrijft Gods liefdesinitiatief en de gevolgen van het menselijke antwoord hierop. Het resultaat van deze gerichtheid op God is een goddelijke omhelzing die tot stand komt in levensgemeenschap met Christus en die de ziel opneemt in Gods trinitaire liefdesleven. Hier gaat de hemel open voor de ziel: dankzij Gods genade voelt zij niet alleen dat en hoe God liefde is, zij wordt ook gewaar dat ze één is met Beeld waartoe ze is geschapen. De innerlijke gewaarwording van eenheid moet men echter niet op het zijnsniveau verstaan. Ruusbroec heeft het over een “eenheid in liefde”; de mens blijft mens en wordt niet God. Dat alle werken een variante zijn op deze fundamentele intuïtie doet vermoeden dat Ruusbroec van bij de aanvang uit een persoonlijke beleving schrijft en dat zijn “mystieke” periode niet tot Groenendaal is beperkt. Ofschoon niet bedoeld voor een breed publiek zijn Ruusbroecs mystieke geschriften tijdens en na zijn leven verschillende malen gekopieerd. Enkele zijn nog vóór 1381 in het Latijn vertaald wat de verspreiding op ruimere schaal in de hand heeft gewerkt.”

(Bron (klik))

De flarde tekst van de Middeleeuwse mysticus vormde in 1931 het openingsmotto van de periodiek De Pelgrim van de gelijknamige kunstenaarsgenootschap, waartoe onder andere de priester Léonce Reypens, de architect Flor Van Reeth, de letterkundige Ernest Van der Hallen en de schrijver Felix Timmermans behoorden. De aandacht naar Ruusbroec is veelbetekenend, omdat de naamgeving van De Pelgrim duidde op een streven naar spirituele herbronning in de Middeleeuwen, in een tijd die door velen als decadent en in acute crisis werd beschouwd. De volkstaal die Ruusbroec hanteerde, zonder zich te wenden tot het Latijn, betekende dat de “hemel reeds kan beginnen op aarde”. Het citaat beschrijft enerzijds het lijden en de noodzakelijke opofferingen om het geloof te belijden, maar stelt anderzijds wel ‘troest, vrede, vroude, ende scoenheit, ende rijcheit, ende al dat verbliden mach’ in het vooruitzicht.

P.

Literatuur:

HEYNICKX, R., Meetzucht en mateloosheid. Kunst, religie en identiteit in Vlaanderen tijdens het interbellum, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2008.

De Pelgrim (1929-1931)

Sterrenstof

Ik koos een citaat met een bijzonder poëtisch gehalte. Zo een van de dingen die je aanhaalt wanneer je met je geliefde naar de helderste sterrenhemel van je leven kijkt. Of wanneer je dat alleen doet. Of met vrienden. Je weet wel: wanneer je die brede melkwitte nevel boven je hoofd ziet als een allesomvattende band die onwrikbaar lijkt te zijn. Waar het sterrenfirmament in alle schoonheid en schittering in het diepste van je eenzame ziel gaapt. Een grondige en diepgaande verbinding met het Al maakt zich van je meester. En dan plots, al was het maar een kort moment, voel je dat je het “begrijpt”, dat je een druppel van de kelk der wijsheid hebt kunnen proeven.

Het vage besef van de totale omvang van de kosmos doet je nietig voelen. Maar tegelijk ook alomvattend. Het grootste en het kleinste wezen bestaan uit dezelfde sterrenstof. Alles werd vervaardigd in de magische smeedoven van de sterren. Alsof Hephaestos zelf de hamer slaagt en nieuwe elementen schept waar wij uit bestaan. En wanneer zelfs een theoretische fysicus, beoefenaar van de zogenaamde “harde wetenschappen”, dit besef van de gemeenschappelijke oorsprong van alles bevestigt, creëert de onverwachtse wending van dit mysterieuze mijmeren een soort van zekerheid. En toch dringt het verdere vragen zich aan. Wat als het Melkwegstelsel slechts een zandkorrel is in een schijnbaar onmetelijke woestijn? Men “weet” ongeveer hoe groot het heelal zou kunnen zijn, al beperkt men zich tot het meetbare heelal. Wie weet ligt daarbuiten nog een veel grotere ruimte. Wie weet … waarom?

“Every atom in your body came from a star that exploded. And the atoms in your left hand probably came from a different star than your right hand. It really is the most poetic thing I know about physics.

You are all stardust.

You couldn’t be here if stars hadn’t exploded. Because the elements, the carbon, nitrogen, oxygen, iron, all the things that matter for evolution weren’t created at the beginning of time. They were created in the nuclear furnaces of stars. And the only way they could get into your body is if the stars were kind enough to explode.

So forget Jesus. The stars died so you could be here today.”

~ Lawrence Krauss

De mystieke vervoering van Aljosja

Er brandde iets in Aljosja’s hart, dat zich opeens ergens mee vulde zodat het bijna pijn deed, tranen van vervoering welden op uit zijn hart … Hij wreef in zijn handen, slaakte een kreet en werd wakker …

Weer de kist, het openstaande raam en het zachte, gewichtige, afgemeten lezen van het Evangelie. Maar Aljosja luisterde al niet meer naar wat er gelezen werd. Vreemd, hij was ingeslapen terwijl hij op de knieën lag, maar nu stond hij op zijn benen, en opeens rukte hij zich als het ware los van zijn plek en liep met drie ferme snelle passen tot vlak bij de kist. Hij raakte vader Paisi zelfs eventjes met zijn schouder aan zonder er erg in te hebben. Vader Paisi keek heel even op uit het boek, maar sloeg zijn ogen meteen weer neer, omdat hij begreep dat er iets vreemds met de jongeman gaande was. Aljosja keek een kort moment naar de kist, naar het afgedekte, onbeweeglijke, uitgestrekte lichaam in de kist, met de icoon op de borst en de kap met het achtpuntige kruis op het hoofd. Daarnet had hij zijn stem gehoord, en die stem klonk hem nog steeds in de oren. Hij luisterde nog eens goed, hij verwachtte nog meer geluiden … maar opeens draaide hij zich resoluut om en liep de cel uit.

Ook op het bordes bleef hij niet staan, hij liep snel naar de treetjes af naar beneden. Zijn hart was in vervoering en dorstte naar vrijheid, ruimte, weidsheid. Boven hem was onafzienbaar, weids, de hemelkoepel gekapseisd, vol van stil stralende sterren. De Melkweg, nog onhelder, verdubbelde zich van het zenit tot de horizon. Een frisse, bijna roerloos stille nacht had de aarde omvat. De witte torens en gouden koepels van de kerk fonkelden aan de robijnen hemel. De overvloedige herfstbloemen in de bloembeden bij het huis waren tot de ochtend in slaap. De stilte op aarde leek over te vloeien in de hemelse stilte, het mysterie van de aarde raakte aan dat van de sterren … Aljosja stond daar en opeens viel hij neer alsof iemand hem had beentje gelicht.

Hij wist niet waarom hij de aarde omhelsde, hij gaf zichzelf geen rekenschap waarom hij zo’n onbedwingbare drang voelde de aarde te kussen, met kussen te bedekken, maar hij deed het wenend, snikkend, de aarde met zijn tranen drenkend, en buiten zichzelf zwoer hij haar lief te hebben leief te hebben tot in de eeuwigheid. “Drenk de aarde met uw vreugdetranen en heb uw tranen lief …” klonk het in zijn hart. Waarom huilde hij? O, hij huilde in zijn vervoering zelfs om de sterren die vanuit het uitspansel naar hem straalden en “hij schaamde zich niet voor zijn vervoering”. Alsof de draden van al die talloze werelden Gods tegelijk in zijn ziel samenkwamen, en zijn ziel beefde “bij de aanraking van andere werelden”. Hij wilde alles en iedereen vergeven en vergiffenis vragen, o! niet voor zichzelf maar voor alles en iedereen op de wereld , “en anderen vragen voor mij vergiffenis”, klonk het weer in zijn hart. Hij voelde steeds duidelijker, bijna tastbaar, dat er iets even vast en onwankelbaar als het uitspansel in zijn ziel neerdaalde. Het was of zijn verstand beheerst werd door een bepaald idee – en dit voor zijn hele verdere leven en tot in alle eeuwigheid. Als een zwakke jongeling was hij ter aarde gevallen, als een voor de rest van zijn leven onverzettelijk strijder stond hij op, dat besefte en voelde hij opeens, op ditzelfde moment van vervoering. En nooit, nooit in zijn latere leven zou Aljosja dit moment vergeten. “Toen is mijn ziel door iemand bezocht” zei hij later, vast overtuigd van zijn eigen woorden …

Drie dagen later verliet hij het klooster voorgoed, wat in overeenstemming was met de woorden van wijlen de starets, die hem had opgedragen “in de wereld te verkeren”.

Bernini. De extase van Theresa (1652)

 

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 442-443

En donker zingt mijn bloed …

De kern van alle dingen

is stil en eindeloos

Alleen de dingen zingen

Ons lied is kort en broos

 

En donker zingt mijn bloed

van heimwee zwaar doorwogen

Ik zeil langs regenbogen

Gods stilte tegemoet

– Felix Timmermans.