TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Natuur

Manifest

They’re making the last film

they say it’s the best
And we all helped make it
It’s called the death of the West

Death in June, Death of the West

Van nature uit ben ik een optimist met apocalyptofiele neigingen, iemand die zou kunnen dansen op de muziek van het legendarische orkest op de zinkende Titanic. Daarom voel ik me ontzettend aangetrokken tot een cultuurpessimisme van het principe wat zou moeten zijn is er niet; wat is, zou er niet mogen zijn. Intuïtief voel ik aan dat onze tijd uit haar lood is geslagen. Toch zit in de neergang een vertrouwd gevoel, alsof ik in een vroegere bestaansvorm het allemaal al eens heb meegemaakt. Dit maakt deel uit van een cyclus. De neerval heeft daarom veel weg van de herfst onder een gouden oktoberzon. Dan bewaart de Natuur haar meest verbluffende schoonheid voor de laatste momenten; een belofte voor de lente na de winterse stemmigheid; de neerval als een noodzakelijke voorwaarde voor de hernieuwing.

Ik ben geen kamikazepiloot, maar verschrikkelijker dan de dood van het lichaam is de dood van de ziel. Daarom beangstigt de acedia mij: de ontmoediging die zich meester van je maakt en je fataal verlamt. Een soort verinnerlijkte lobotomie die me meesleurt in een overweldigende maalstroom. Leven op automatische piloot; het vermogen verliezen om te verwonderen; deel uitmaken van een vormeloze massa; zelf vormeloos zijn: dat is levensschennis. Plato verklaarde dat de cultivatie van de eigen ziel de hoofdplicht is van iedere mens. Daarom beschouw ik het Zelf niet als iets vanzelfsprekends, maar als een omvangrijke microkosmos waarvan ik de architect ben.

Net daarom wil ik de wereld begrijpen, zodat ik mezelf een positie kan verschaffen. Mijn wereldopvatting is een symbiose van twee verschillende werelden. De eerste bevindt zich in het praktische, intuïtieve veld: de ervaring van het Immense. Vandaar William Blake: if the doors of perception are cleansed, everything appears as it truly is: infinite. Toch is ook de theoretische, kritische ideeënwereld van mijn academische scholing waardevol gebleken. Deze heeft me de zin voor nuance bijgebracht, waardoor ik mezelf heb bevrijd uit dogmatische, enggeestige denkkaders. Het raakveld van het intuïtieve en het kritische is meermaals zeer vruchtbaar gebleken.

Ja, er knaagt iets aan me, alsof een onderhuidse bacil het einde van haar incubatieperiode heeft bereikt. Een dreigende, fatale acedia die de wereld rondom mij reeds heeft aangetast staat klaar om toe te slaan. Daarom dit essay: mijn voertuig van zelfontdekking; mijn wapen tegen de innerlijke onverschilligheid. Ik schrijf het omdat ik lijd aan de filosofische aandoening bij uitstek: de kritische reflex om in mezelf iets ontoereikends te vinden. Daaruit vertrekt een drang naar absolute actie van binnenuit. Voor mij moet een bijzonder doel zijn weggelegd. Toch vertel ik met veel schroom over mijn Weltschmerz. Weet je, het ligt niet in mijn aard zo open te zijn over een innerlijk groeiproces. Want eerlijk gezegd … weet ik in godsnaam niet wat ik met deze bevreemdende apotheose moet aanvangen.

Losbreken uit de droom

“All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

Lawrence of Arabia, The Seven Pillars of Wisdom

Wanneer ik ontwaak word ik vaak overvallen door een eigenaardig gevoel. Er is dan een subtiele substantie aanwezig die niet uit deze dimensie komt. Het is een geur die me prikkelt of een lang vergeten smaak en altijd dat ene onheimelijk gevoel dat ik terug ben van een lange reis. Het is vreemd in een kamer te zijn die je bekend aandoet, maar tegelijk ook onwerkelijk en vals. Links en rechts verdwijnen droomgestalten even snel als ze verschijnen. Ik ben wakker en kan mezelf niet bewegen, noch heb ik invloed op de omgeving rond mij. Behoorlijk benauwend. Is dit een droom binnen een droom? Een illusie die zich rond mij ontvouwt om mij te misleiden? Een angstwekkende fantasmagorie die me onwrikbaar vastzet in een fort dat tot enig doel heeft de architect ervan op te sluiten? Dit noem ik de schemerzone : een raadselachtige mengeling van illusie en realiteit. En dan breek je er plots uit. Het is dat ene moment waarop ik alles beheers en begrijp, hoewel ik het niet onder woorden kan brengen. Het is een existentieel, intuïtief gevoel bij uitstek.

Hoewel hevig beïnvloed door ideologische processen, onbewust geïnduceerd constructiedenken en andere extra-individuele invloeden, ervaren we de wereld vooral als individu, vanuit ons innerlijke zelf. En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande, maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Het is daarom niet noodzakelijk het ware, het goede, het rechtvaardige of het vrije, maar het is wel het mijne en het enige waarvan ik zekerheid heb. Dat is best een bevrijdende gedachte.

Maar waarom dat benauwde gevoel in die “schemerzone” tussen droom en werkelijkheid? Een aangeboren schaamte voor onze vrijheid, die bij ontwaking ligt te lonken? Misschien is vrijheid wel iets angstaanjagends sinds de dood van God:  we zijn tot de vrijheid veroordeeld (Sartre). De wereld is aan zichzelf overgelaten, zonder transcendente referentiepunten. Het was echter niet voor niets dat Nietzsche het van zich afwerpen van deze schaamte als de lakmoesproef van onze bevrijding beschouwde. De vrijbuiter George Hanson, het personage van Jack Nicholson uit Easy Rider, beschrijft de angst voor vrijheid zeer goed:

“Mensen praten en praten en praten over vrijheid, maar zodra ze een vrij individu zien, krijgen ze er schrik van”

De mens is een wandelende paradox: hij verafschuwt heimelijk wat hij samen met de massa naar verlangt. Daarom stelde Nietzsche’s Zarathoestra wellicht de vraag of de mens het wel verdient om vrij te zijn.

De Pelgrim …

Er waart één oergestalte in mij rond: de Pelgrim. Terwijl stripfiguren bij hun innerlijke jihad al-akhbar links en rechts een zilverzuiver engeltje en een rood latexduiveltje zien verschijnen, duikt in mijn verbeelding de witgepijde Pelgrim met Janusgezicht op. De Kamerfilosoof behoedt je voor het Immense, de Hamerfilosoof wil je erin duwen. De mythe van Odysseus illustreert hun samenspel op een formidabele manier. Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing.

De Pelgrim als gestalte komt in vele gedaanten voor, in iedere sociale laag, beschaving, klasse en tijdsspanne. Ik zie hem op het scherm, kom hem tegen in boeken, ervaar hem op reis of ontdek hem in reisverslagen en briefwisselingen. Hij is Jack Kerouac, Alexander Supertramp en Henry David Thoreau maar ook de oermens die de Beringstraat overstak. In deze gestalte erken en ontdek ik mezelf. Hij schaamt zich niet voor zijn aangevatte pelgrimage, maar is behoedzaam om zijn geheim te delen met anderen. Hij weet hoe de hoi polloi reageert wanneer iemand hen wakker schudt uit vastgeroeste inbeddingen en burgerlijke verwachtingspatronen. Nietzsche’s Zarathoestra leek als een dief in de nacht en als hij niet overkwam als een hansworst, waren zijn eerste redevoeringen meteen de laatste geweest. Zijn geheim behoudt hij slechts voor enkelingen die hij waardig genoeg acht.

Kirilov, een personage uit Boze Geesten van Dostojevski, verklaart dat als God niet bestond hij wel uitgevonden werd. Waar dit op duidt is niet moeilijk: iedereen heeft een centrum nodig, een basiswaarde die als fundament dient. Wie het niet in zichzelf vindt, zoekt het wel buiten zichzelf, projecteert dit op een God of iets anders. Kirilov gaat zelfs verder: zonder God is zelfmoord onvermijdelijk. Met dit tragische personage illustreert Dostojevski op een magistrale wijze hoe een bestaan zonder centrum verloren gaat in betekenisloosheid. Op dat moment overwint de acedia. De Pelgrim heeft een centrum, de axis mundi  van zijn bestaan, ontdekt. Dat is zijn absolute ankerpunt.

… en de gesel des Tijds

De Tijd is de grote motor van de maalstroom die geschiedenis heet. Wie er niet willoos door wil worden meegesleurd, moet de Tijd beheersen. De Pelgrim doet dit via de Mythe, een tijdloze werkelijkheid en het zingevende centrum van zijn bestaan. Waar de Tijd voor de moderne, profane mens homogeen is, betekende de Mythe voor de traditionele mens een belangrijke breuk in de Tijd. Deze “heilige Tijd”, in tegenstelling tot de profane Tijd, komt in ritmische intervallen aanzetten, waarin de Mythe telkens wordt herhaald. Door dit besef heb ik iets belangrijks geleerd: de historische, lineaire tijd is niet noodzakelijk de enige realiteit. Er bestaat een heel andere tijdservaring die helemaal niet homogeen en lineair is. Dat maakt dat Tijd een speelveld is, waarvan de spelregels worden bepaald door wie het spel beheerst. Wie zijn Tijd meester is, beheerst zichzelf. Net als de mens is de Tijd iets wat overkomen moet worden. 

In een van de beginscènes van de cultfilm Easy Rider gooit Henry Fonda, een Pelgrimsgestalte bij uitstek, zijn horloge nonchalant weg na een laatste keer naar het uur te kijken. Deze handeling symboliseert een bevrijding van de homogene Tijd. We hebben onszelf een streng regime opgedrongen. Eén dat alle gevoel voor kwalitatieve tijdsbeleving verdoofde en ons een valse spiegel voorhield. De Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade merkte op dat de Tijd niet alleen seculier geworden is, maar zich ook onafwendbaar naar de dood neigt. Fonda mijdt de acedia en gooit zijn horloge, vertegenwoordiger van deze doorgedreven Tijdsgedachte, weg. Hij bevrijdt zich daardoor van de maalstroom. Het weggooien van de horloge impliceert een terugkeer naar de kwalitatieve, innerlijke tijdservaring, zoals deze door traditionele volkeren werd beleefd.

Fonda’s personage creëert een breuk in de Tijd door de Mythe aan te wenden. Zij geldt eveneens als een transcendent referentiepunt van binnenuit. In de jaren ‘30 klom de Italiaanse traditionalist en alpinist Julius Evola vaak in de Alpen. Op een van zijn expedities verbouwde hij samen met een aantal kameraden een oude berghut naar een kleine nachtclub, waar hij op een grammofoon jazzplaten speelde. Rum en kirsch worden bovengehaald en in een dronken roes besluiten ze naar buiten te gaan. Wanneer ze het bevroren bergmeer betreden worden zij getroffen door iets subliems, dat de meest primordiale aard van hun bestaan doet ontwaken. Op deze onverbiddelijke plek, waar het tweeëntwintig graden vriest, de vallei diep-zwart afsteekt tegen de witte kronen van de bergreuzen en het krakende bergmeer onder zijn voeten angst en verwondering verwekt, ervaart de Italiaan een moment dat het leven overstijgt. Door grenservaringen op te zoeken wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren aan het individu.

In 1935 zag de Lierse letterkundige Ernest Van der Hallen zich genoodzaakt om het verstikkende Europa te verlaten en reisde als moderne pelgrim doorheen Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar zocht en vond hij het gevoel het leven te beheersen. Toch laat hij in zijn reisverslagen regelmatig teleurstellingen optekenen, wanneer hij in de voetsporen treedt van Christus in het Heilige Land. Wanneer hij in de kapel van Sint-Helena aan de Golgothaheuvel een misviering bijwoont, wordt deze ruw verstoort door “een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd”. Door deze ervaring legt hij zeer nadrukkelijk de vinger op de wonde: de genius loci, de ‘ziel’ van de plek, wordt aangetast door de profane wereld. De dood van God heeft de Mythe fragiel gemaakt. Zij valt niet meer structureel te ervaren, enkel existentieel. 

Harmonie van Pen en Zwaard

In de Tantrafilosofie is theorie zonder actie (kriya) waardeloos, ijdel en vaag. De Wang Yangmingschool uit het vijftiende eeuwse China gaat zelfs verder. Actie was geen gevolg van de theorie, maar een noodzakelijke voorwaarde om kennis te verwerven. Iedere kennis die pas later werd omgezet in actie was vals en waardeloos: “weten en niet handelen is niet-weten”. Over consistent denken en handelen gesproken! Zoroaster, de Perzische wijsgeer, stelt het heel eenvoudig: “Juist denken, juist spreken, juist handelen”. Niet zo eenvoudig als het lijkt. Een idee ondergaat heel wat invloeden en tegenwind wanneer het in de praktijk wordt omgezet. Soms lukt het gewoon niet om een idee te actualiseren, omdat de omstandigheden er op dat moment niet – en misschien zelfs nooit – naar zijn. In zulke situaties overvalt de neerslachtigheid je. Je denkt misschien dat je in de verkeerde tijd bent geboren, dat je deel uitmaakt van een generatie die vele jaren of zelfs eeuwen geleden bestond. Het noodzakelijke draagvlak ontbreekt om iets voor jezelf te betekenen. En zo lijkt de wereld om je heen de uiteindelijke overwinnaar.

Maar wat als de wereld om een ideaal heen kan worden gebogen? Wat als het ideaal een onbewogen beweger was, het centrum van de wereld? Zou dat geen wonder zijn? In het Hossoboeddhisme is er een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd bleek hij uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij het: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? Als je ervan uitgaat dat de wereld zoals wij die kennen een subjectieve creatie van onze eigen geest is, lijken de mogelijkheden van het proces van idee naar praktijk plots minder nadelig voor het idee te zijn. De menselijke geest geeft de wereld een betekenis.

Hierbij heb ik de grenzen aardig verlegt, maar waar stopt het? Als er een ding is dat ik heb geleerd in mijn zoektocht, dan is dat blindheid je grootste vijand is. Je moet nuance kunnen aanbrengen zonder daarom noodzakelijk water in de wijn te doen. Je kan grenzen verleggen, maar daarbij verleg je ook een aantal verantwoordelijkheden. Net daarom is zelfkennis zo belangrijk. De subjectieve waarneming van de wereld maakt niet dat je deze volledig naar je hand kan omzetten. Conventies bestaan bijvoorbeeld om de onderlinge handelingen tussen mensen te vereenvoudigen. Het is niet omdat de wereld een creatie is van je eigen geest dat geld plots geen waarde meer heeft, dat verkeerslichten zinloze dingen zijn en dat geweld een middel is om aan anderen je wil op te leggen. Dat is waanzin. Wie continu tegen de stroom ingaat, bevindt zich snel in een tragische affaire. Een andere optie moet mogelijk zijn.

De Tijger

 

“De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”

Nietzsche, Zarathustra

“Dit is een strijd voor de moderne mens, die geen wortels meer heeft in de heilige grond van de traditie en weifelt in zijn zoektocht naar zichzelf tussen de pieken van beschaving en de afgronden van de barbarij, om een bevredigende betekenis te vinden voor een bestaan dat volledig aan zichzelf overgelaten is”.

Robert Reininger

Wie erin slaagt een tijger te berijden voorkomt niet alleen dat hij erdoor wordt aangevallen, maar krijgt ook een kans om deze te verslaan, zo luidt een Oosters gezegde. De tijger symboliseert de maalstroom, die te krachtig is om frontaal te worden geconfronteerd. Op basis hiervan kan een gedragslijn ontstaan voor mensen in een wereld die, na de dood van God, aan zichzelf is overgelaten. Voor de moderne mens, in de wereld geworpen (i.e. Geworfenheit),  komt het erop aan om een positie te vinden waar hij in zichzelf vaste grond vindt. De innerlijke migratie rechtvaardigt een autonoom bestaan. De negatieve anomie van de maatschappij kan daardoor worden omgebogen naar een positieve anomie voor de persoon: de moraal vernietigen om moreel te kunnen leven. Op een dialectische wijze kan de negatie van een negatie immers iets positiefs opleveren, bij wijze van een vrije ruimte voor ontwikkeling.

Dat is dan de aard van mijn levensspel, maar het vragen houdt niet op. Hoe ga ik om met de uitdagingen die het leven mij biedt? Hoe blijf ik trouw aan mezelf? Hoe behoud ik mezelf zonder te worden gestandaardiseerd of geconditioneerd? Hoe word ik mezelf? Al die vragen zijn existentieel van aard. Er bestaat geen algemene handleiding die me daarbij kan helpen. Dit essay markeert mijn positie in het veld, maar is verre van een zaligmakend Schrift. Het is veeleer een momentopname, een palimpsest dat regelmatig moet worden bijgesteld. Toch biedt het houvast tijdens de weifelende zoektocht naar mezelf; biedt manieren om de tijger te bereiden en mezelf te kunnen worden en zijn. Om geen slapend wezen te zijn dat willoos wordt meegesleurd door de maalstroom, maar iemand die zijn Tijd en zijn leven kan beheersen. Daarin ligt mijn nakende apotheose. Ironisch lijkt de zoektocht naar betekenis dus de zin van mijn bestaan te zijn.

Wind en rook

“Adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Ik bevind me in het Letterenhuis van Antwerpen. Verderop een eenzame oudere baliebediende die een krant doorneemt, maar verder niemand. Er hangt een nostalgische zoete houtgeur die typisch is aan plaatsen waar oude boeken en manuscripten rusten. Voor mij ligt de briefwisseling van Ernest Van der Hallen verspreid over de tafel, waar hij aan een vriend zijn ervaringen in het Ruusbroechuisje in het Lierse Begijnhof toevertrouwt. Hij schreef over de winterse stemmigheid van het Begijnhof, waar hij wilde ‘schreeuwen van weelde’. In zijn brieven herken ik dezelfde vragen, dezelfde grieven en dezelfde verlangens die ik heb. Van der Hallen was een Pelgrim, net als ik. Evenveel als Jack Kerouac, Alexander Supertramp, Thoreau en Henry Fonda in Easy Rider. Zij gingen het gevecht met de tijger aan. De ene won. De andere verloor. Maar allen kunnen werkelijk zeggen dat ze hebben geleefd.

De Pelgrim is de voorouderlijke zwerver die uit de oertijden tot mij is gekomen en tot mij spreekt. Wie ooit de eindeloze woestijn of de eeuwige sneeuw heeft gezien, kan bij thuiskomst plots zo worden gegrepen door de lust naar het avontuur dat hij alles laat vallen ter wille van zijn Fernweh. Hij heeft daarginds ‘iets’ ontdekt en indrukken opgedaan die hij voordien nergens vond. Noem het een melancholisch verlangen, maar ik heb een stille wens naar eenzame landwegen, waar de Natuur kan worden ervaren in zowel haar metafysisch oergeweld als haar overweldigende rust en vertrouwdheid. Dan ontwaken de levensgeesten met kracht en voel ik zowel bruisende levensbeheersing als eenvoudige Gelassenheit. Deze magische grenservaring heb ik nergens duidelijker beschreven gezien als in Op de Marmerklippen van de Duitse schrijver Ernst Jünger, waar ik eindig in schoonheid en verwondering:

“Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes […]. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotse rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen in hen de wijnbergen, met schrik én diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook’.

P.

“Tot het bittere eind”.

“Iedere menselijke arbeid is artificieel en onnatuurlijk, zowel het aanwakkeren van een vuur tot de verwezenlijkingen die door hogere culturen als “artistiek” worden beschouwd.  Het privilege van de schepping werd van de Natuur ontnomen. De “vrije wil” op zich is een verzetsdaad en niets anders. De creatieve mens overschrijdt de grenzen van de Natuur en met iedere nieuwe creatie verwijdert hij zich verder en verder van haar en wordt meer en meer haar vijand. Dat is zijn “wereldgeschiedenis”, de geschiedenis van een stilaan groeiende, noodlottige scheiding tussen de menselijke wereld en het universum – de geschiedenis van een rebel die opgroeit om zijn hand op te heffen tegen zijn moeder.

Dat is het begin van de menselijke tragedie – omdat de Natuur de sterkste is van de twee. De mens blijft afhankelijk van haar, omdat zij hem ondanks alles, net als al het andere, omhelst. Alle grote culturen zijn nederlagen. Gehele mensenrassen blijven achter als lijken op het veld, innerlijk vernietigd en gebroken, gevallen in dorheid en in spiritueel verval. Het gevecht tegen de Natuur is hopeloos en toch wordt deze tot op het bittere eind uitgevochten.”

SPENGLER, Oswald, Man and technics, Historical Review Press, Sussex, 2006, 35. (eigen vert.)

“To live deep and suck out all the marrow of life”

“I went to the woods because I wished to live deliberately, to front only the essential facts of life, and see if I could not learn what it had to teach, and not, when I came to die, discover that I had not lived. I did not wish to live what was not life, living is so dear; nor did I wish to practise resignation, unless it was quite necessary. I wanted to live deep and suck out all the marrow of life, to live so sturdily and Spartan-like as to put to rout all that was not life, to cut a broad swath and shave close, to drive life into a corner, and reduce it to its lowest terms, and, if it proved to be mean, why then to get the whole and genuine meanness of it, and publish its meanness to the world; or if it were sublime, to know it by experience, and be able to give a true account of it in my next excursion.”
— Henry David Thoreau, Walden

Californische Capriolen II: eekhoorngekte en huppelende kindersnacks

“Shut up and sit down!” maant de verbolgen vader zijn zoon aan, die, zichtbaar gloeiend als een overhitte Fukushimareactor, zijn jacht op de koortsige eekhoorn staakt. Iets verderop rust het schalkse beest, zich bewust dat het geen prooi meer is. De jongen zet zich stuurs neer naast zijn vader, terwijl de eekhoorn onder de ogen van de jongen verder zoekt naar eten en aandacht. De vader richt zijn blik op de Liberty Capmonoliet die voor hem opdoemt en lijkt erdoor bevangen te zijn. Het is warm buiten, maar de donkere sparren werpen een koele schaduw waar hij zit. Kalm ruist de wind door de bomen en glijden langs zijn armen naar de vallei. Enkele meters verder raast de Mercedrivier onder een kristalheldere lucht naar beneden. De sneeuw smolt laat dit jaar, het waterniveau staat op een recordniveau in 34 jaar. De monoliet is als een schilderij van abstracte aard. Het is een gehavend gezicht met ervaring en biedt beschutting en geborgenheid. Het lijkt een kwade wereld dat zich daarachter manifesteert te willen tegenhouden. Eenzame bomen en struiken staan her en der opgesteld als een teken van leven. En tegelijkertijd komt de Liberty Cap dreigend, allesomvattend en dominant over. Het dringt zich op aan de omgeving en lijkt onoverkomelijk te zijn. Dit is zijn machtig amfitheater, vervaardigd door krachten die mens en dier te boven gaan. Dat mythische indianenverhalen werden geschapen rond deze kolossen, verwondert niet. Deze natuurlijke tempel nodigt uit voor de creatie van een haast allesomvattende zingevende kosmologie.

Nevada Falls & Liberty Cap

“Alles vloeit” merkte John Muir, een Schots-Amerikaanse natuurvorser, tijdens zijn verblijf in Yosemite Valley op. Alles gaat wel ergens heen: de mensen, het water, de dieren en zelfs de schijnbaar onwrikbare rotsen die de machtige Mercedrivier trotseren. Ieder jaar opnieuw verandert de Mercedrivier in een woeste razernij die zijn omgeving beïnvloedt. Ik sta bovenaan de “Giant Staircase”. De Nevada Falls en Vernal Falls werpen het water op een dramatische wijze honderden meters naar beneden, terwijl het verandert in een dikke en vochtige mist die voor de nodige afkoeling zorgt. Hun namen ontlenen zij aan de geschriften van Lafayette Bunnell, lid van de negentiende eeuwse Mariposabrigade en ontdekkingsreiziger: “The Nevada Fall was so called because it was the nearest to the Sierra Nevada, and because the name was sufficiently indicative of a wintry companion for our spring (Vernal Fall) … The white, foaming water, as it dashed down Yo-wy-we from the snowy mountains, represented to my mind a vast avalanche of snow”. Binnen deze mistige lawine migreren ontelbare waterdruppels stroomafwaarts en voorzien de rijkelijk begroeide groene oever van leven. Het water speelt een cruciale rol in de geologische processen die het landschap vormgeven. Wat als we een unieke waterdruppel konden vangen, identificeren en terug vrijlaten? Waar zou het ons heen leiden?

Een nationaal park in de Verenigde Staten van dit kaliber trekt jaarlijks vier miljoen bezoekers. Dat is hetzelfde als het totale inwonersaantal van Wallonië. Vooral de vallei trekt een massa aan bezoekers aan, waardoor je een breed spectrum aan archetypische Amerikanen ziet pelgrimeren. De typische Amerikaanse vader uit een middelmatige Hollywoodfilm die met baseballpet, snor en buikje zijn dochter bij de hand neemt en haar als een prinsesje beschouwt bestaat wel degelijk. Je ziet ze in hordes aankomen, evenals de meer zwaarlijvige Amerikanen die met moeite een paar trappen nemen om een waterval te zien en dan terug afdruipen naar de frequent rijdende shuttledienst om naar een volgend gemakkelijk bereikbaar uitkijkpunt te gaan. Je hebt ze in alle soorten en maten, en het zou verkeerd zijn iedere Amerikaan in een clichématig doosje te willen stoppen. Dé clichéamerikaan bestaat, wees daar maar zeker van. Maar hij overheerst niet. Hij steekt er alleen boven uit omdat je hem verwacht en zelfs naar hem uitkijkt. Dat de overgrote meerderheid van de parkbezoekers eruit zien als de gemiddelde Europeaan, valt dan minder op.

Vernal Falls

Ranger Jeff is zijn naam. Een jonge man van 30 jaar, een rossige baard en volledig uitgedost. “The best office in the World!”, zegt hij, terwijl hij rondkijkt in de “Sequoia Grove”. Ik kan hem best geloven, terwijl ik nogmaals de frisse boslucht inadem en hoop dat ik het over een maand nog steeds kan ruiken. De man wil beroemd worden op Facebook en wil op termijn hét aanspreekpunt zijn in Yosemite National Park. “Ask me anything you want!” zegt hij dolenthousiast terwijl hij zich vooral tot de dames van de groep richt en knipoogt. Iemand vraagt hem over het “beergevaar” in dit gebied. Iedereen wil een beer zien, maar niemand staat te popelen om het snoezige knuffeldier op enkele meters van zich verwijderd te zien. Volgens Ranger Jeff is het eenvoudig: zie gewoon dat je iemand bij hebt die trager loopt dan jij of gooi een kind naar de beer en ga dan lopen. Succes gegarandeerd. Dat kunnen we altijd proberen. We laten Jeff achter ons, want hij was bezig met een sluipweg af te dekken. Snode toeristen. Iets verderop zien we mensen voorbijgangers aanmanen om stil te zijn, terwijl ze richting het dichte bos gapen. Blijkbaar loopt daar een zwarte beer rond, die, zich onbewust van een tiental voyeurs, rond de boomstammen zoekt naar eten. De beren houden van deze habitat. Er zijn de zachte groene “meadows” in de hooglanden waar ze in de zomer van het groene gras eten, ze zijn verzot op de vruchten van zwarte eiken en er zijn zwarte bessen waar ze een moord voor zouden begaan. Het onbegrip rond het concept “beerprobleem” bevangt me plots. Alsof de aanwezigheid van beren in Yosemite Valley een schande zou zijn. Een woekerende kanker die uitgeroeid zou moeten worden. Het zijn de mensen die gevaarlijker zijn en verwoestender van aard dan de beren. Vooral de onwetende mensen die zichzelf in de nesten werken door geen aandacht te schenken aan een aantal belangrijke voorzorgsmaatregelen. Regelmatig worden beren aangereden door snelle chauffeurs of mensen aangevallen door beren omdat ze hen uitdagen. Ik kijk rond me en zoek naar een kind om Ranger Jeffs’ theorie te testen. Helaas, ik vang bot. De beer zal het vandaag zonder een kindersnack moeten doen.

 

P.

Piktors Verwandlungen

Piktors Verwandlungen [1]

Schilderij aan de hand van Hermann Hesse

Die avond las ik in het hotel van Signor Ceccarelli het boekje dat [Hermann] Hesse mij had gegeven. Het was het verhaal van een jongeman, genaamd Piktor, die het Paradijs was binnengekomen en daar een boom ontwaarde die tegelijk man en vrouw was. Hij beschouwde die met verwondering en vroeg: ‘Zijt gij de Boom des Levens?’. De Boom antwoordde niet, maar in plaats daarvan kwam de Slang tevoorschijn; en Piktor vervolgde zijn weg. Hij bekeek alles nauwkeurig en was verrukt over wat hij zag.

 

Toen hij doorwandelde, zag hij een andere boom die tegelijk zon en maan was. ‘Misschien zijt gij de Boom des Levens?’. Lachend bevestigde de Zon dit; de Maan deed het met een glimlach. Overal om Piktor in het rond groeiden bossen met bloemen. Zij schenen mensengezichten te hebben; sommigen lachten uitbundig, andere brutaal; nog andere zwaaiden luchtig heen en weer. Er waren er ook die niet bewogen of lachten; zij waren somber en in zichzelf verzonken, als waren zij dronken van hun eigen geur. Sommige bloemen zongen Piktor toe: één zong een weemoedig lied der seringen, een ander een donkerblauw wiegelied. Eer was een bloem met ogen die hard als saffier leken; een ander herinnerde hem aan zijn eerste liefde: weer een ander deed hem denken aan de stem van zijn moeder, wanneer hij als kind met har door de tuin liep. De meeste bloemen lachten vrolijk en één stak de tong naar hem uit, een klein roze tongetje. Piktor bukte zich en stak de zijne uit om het aan te raken en toen hij dit deed, ervoer hij een smaak die wrang was en bitter-zoet, als van druivensap en wilde honing en ook als de kus van een vrouw.

 

Alleen tussen al die bloemen werd Piktor overstelpt door een gemengd gevoel van heimwee en angst. Zijn hart klopte hevig alsof het verlangde samen te stemmen met de ritmen van die omgeving. Toen zag Piktor op een korte afstand een vogel in het gras zitten. De vogel had veren gelijk een pauw, waarop alle kleuren van het spectrum weerkaatsten. Piktor was verbijsterd door de schoonheid van de vogel. Hij trad naderbij en vroeg:

 

‘Vogel, waar kan men het geluk vinden?’

‘Geluk’, antwoordde de vogel, ‘geluk is overal – in de bergen en in de dalen, in elke bloem en kristal’.

 

De vogel strekte zijn hals en schudde zijn veren alvorens weer bewegingsloos te gaan zitten. Plotseling bemerkte Piktor dat de vogel zich in een bloem veranderd had. De veren waren bladeren, de klauwen wortels geworden. Verwonderd zag Piktor toe en bijna onmiddellijk hierna begon de bloem haar blad te bewegen. Zij was het alweer moet een bloem te zijn en ze begon langzaam zich in de licht te verheffen. Zij had zich in een vlinder veranderd en was toen een vlam van zuivere, zwevende kleur.

 

Tot Piktors stijgende verbazing begon deze vrolijke vogel-bloem-vlinder hem fladderend te omcirkelen. Doch na een poosje zweefde hij ter aarde als een sneeuwvlok en bleef trillend voor zijn voeten zitten.  Nog even fladderden de vleugels, toen was hij plotseling veranderd in een kristal dat een diep rood licht uitstraalde. Het glinsterde tussen het gras met een fantastische glans.

 

Terwijl Piktor het nog aanstaarde, leek het langzamerhand in de grond te verdwijnen, alsof het werd aangetrokken door het hart van de aarde. Maar juist toen het op het punt van verdwijnen was, reikte Piktor omlaag en greep het. Hij hield het stevig in zijn hand, want het leek hem een talisman bij alles wat hem in de wereld nog kon overkomen.

 

Op dit ogenblik gleed de slang van een boom in de nabijheid en fluisterde in Piktors oor: ‘Dit juweel kan u doen veranderen in alles wat ge wenst te worden. Maar spreek uw verlangen vlug uit, voordat ge verdwijnt’. Uit vrees dat hij de kans zou missen fluisterde Piktor het geheime woord tot de steen en plotseling was hij veranderd in een boom. Hij had altijd gewenst een boom te zijn omdat hij de kracht van de bomen, hun rust en hun waardigheid zo bewonderde. Al gauw voelde hij dat zijn wortels in de aarde drongen en zijn takken hemelwaarts reikten. Nieuwe bladeren en takken ontsproten aan zijn stam en hij was voldaan. Zijn dorstige wortels namen het vocht uit de aarde op en zijn takken verkwikten zich in de luchtige wind van het woud. Insecten woonden in zijn schors en een egel vond een schuilplaats aan zijn voet.

 

Staande in het Paradijswoud nam hij de voortdurende metamorfose waar, die rondom hem geschiedde. Hij bemerkte hoe bloemen tot edelstenen werden of zich in vogels veranderden. Hij zag een boom in zijn omgeving plotseling in een beek overgaan. Een andere werd krokodil, een derde veranderde zich in een vis die blij en gelukkig wegzwom. Heel de schepping nam deel aan dit spel der veranderingen; olifanten werden rotsen, giraffen geweldige, bloeiende bomen.

 

Te midden van al die verandering bleef alleen Piktor steeds dezelfde. Toen hij zijn toestand begon te beseffen, week zijn geluk en langzamerhand begon hij oud te worden en kreeg dat vermoeide, afwezige voorkomen dat men bij menige oude boom bespeuren kan. Overigens is dit verschijnsel niet tot bomen beperkt; paarden en honden en zelfs menselijke wezens verliezen de samenhang met de tijd en daarmee hun schoonheid doordat zij de gave der verandering zijn kwijtgeraakt. Dan eindigen zij hun dagen in zorg en leed.

 

Lange tijd daarna geraakte een jong meisje met blond haar in het Paradijs doordat zij al dansend haar weg kwijtraakte. Zij droeg een blauw kleedje en zong vrolijk terwijl zij voorthuppelde. Al de schepselen in het bos namen haar verschijnen met gretigheid waar; de struiken strekten hun takken naar haar uit en vele bomen lieten hun vruchten voor haar vallen. Maar het jonge meisje lette niet op hun vriendelijkheden. Tenslotte kwam zij ook bij het open plekje waar Piktor stond als een boom. Toen hij uit de hoogte naar haar keek, overviel hem een diep gevoel van heimwee en een onmetelijk verlangen om het geluk te grijpen vóór het te laat was. Het was hem of geheel zijn wezen die hem gebood zich op de zin van zijn bestaan te concentreren en die met geweld te laten doordringen tot zijn open bewustzijn. Hij herinnerde zich zijn vroeger leven, zijn jaren als mens voordat hij het Paradijs binnentrad. En bovenal heugde hem het ogenblik dat hij het toverjuweel in zijn hand hield, want juist toen, met àlle mogelijkheden tot verandering, was het leven het machtigst in hem geweest. Toen dacht hij ook weer aan de vogel en aan de vrolijke boom die tegelijk Zon en Maan was en bij dit alles besefte hoe noodlottig de raad van de Slang geweest was.

 

Het meisje voelde de rusteloze beweging van Piktors bladeren en takken en toen zij omhoog keek werd zij door een vreemde onrust vervuld. Zij begon, zittend in de schaduw van de boom, te gevoelen hoe droevig en eenzaam hij was en tegelijkertijd besefte zij dat zijn volkomen afzondering iets edels betekende.  Terwijl zij tegen de ruwe stam leunde, voelde zij iets van de beroering die Piktor geheel en al doortrok en ook zij zelf begon te sidderen in een onverklaarbare passie. Spoedig brak zij in wenen uit, de tranen bevochtigden haar kleed en zij vroeg zich af waarom dit lijden moest bestaan. In haar eigen verlatenheid voelde zij zich in medelijden aangetrokken tot de eenzame boom.

 

Toen Piktor haar gevoelens bespeurde verzamelde hij al zijn levenskrachten en richtte die op het jonge meisje. Het was hem nu heel duidelijk hoe schandelijk het bedrog van de Slang was geweest en hoe dwaas hij had gehandeld. Als de enkele boom die hij nu was, overweldigde hem het beeld van de boom die man en vrouw tegelijk was.

 

Op dit ogenblik vloog een groene vogel met rode vleugels naderbij en omcirkelde de boom. Het meisje keek naar zijn vlucht en zag iets dat een stralend licht gaf, uit zijn snavel op het gras vallen. Zij bukte zich om het op te rapen en ontdekte dat het een kostbare karbonkel was. Nauwelijks had zij de steen een ogenblik in de hand, of de verwarde gedachten die haar verontrust hadden, verdwenen en nog slechts één verlangen heerste haar. In een vlaag van vervoering werd zij één met de boom; zij veranderde zich in een nieuwe tak die naar de hemel toe groeide.

 

Nu was alles volmaakt, er was weer orde in de wereld. Op dat ogenblik was het Paradijs waarlijk gevonden. Niet langer was Piktor een eenzame, oude boom; hij was nu geheel vervuld en droeg een nieuwe naam, Piktoria. Luid en helder zong hij het: ‘Piktoria, Victoria’. Uiteindelijk had hij ook zijn nieuwe gestalte gevonden en de waarheid ervaren van de eeuwige metamorfose, nu hij immers van een half tot een geheel wezen geworden was. Van toen af wist hij dat hij in staat was zich te veranderen zo vaak hij wilde. De kracht der bestendige schepping was nu in hem op gang gebracht: hij wist dat hij zichzelf nu kon vernieuwen als ster of vis of wolk of vogel. Hij was zich echter ook bewust dat, welke vorm hij ook zou aannemen, deze steeds een geheel zou zijn en dat hij in iedere gestalte een paar zou zijn. Hij droeg zowel de Zon als de Maan in zich, hij was tegelijk Man en Vrouw.

 

De verstrengeling der geliefden.

De sleutel tot dit ogenschijnlijk sprookjesachtig verhaal is een zin die door Hermann Hesse werd uitgesproken:‘In hun ouderdom hebben sommige mensen de gave nog eens de paradijselijke staat van hun kindertijd te ondervinden’[1]. Het verhaal is het visioen van het herwonnen Paradijs, naar de terugkeer naar de pure vorm, de totaliteit. Hermann Hesse vergeleek deze terugkeer als het vallen in het ‘collectief onbewuste’ van Carl Gustav Jung.

 

“Under the influence of C.G. Jung, with whom he underwent psychoanalysis, Hesse entered fully into the Germanico-alchemical dream of the Androgyne – which is the opposite of homosexuality – whose aspiration is totality and the fusion of the opposites, the unity of Nietzsche’s ‘Self,’ the inner homo, of coelo, Demian, beloved and admired by Sinclair; that is to say, by Hesse. His most intimate ego. Narcissus and Goldmund. In the original German version of Steppenwolf, the female protagonist is called Hermina, which is the feminine of Hermann. And this is the same alchemical-tantrio game as in Mozart’s Magic Flute: Pamino and Pamina. Hermann Hesse, like the great Germans of the grand tradition, was steeped in the music of Mozart and Bach”.

Uit een brief van Don Miguel Serrano Fernandez, juni 1991.


[1] Integraal over genomen uit: SERRANO, Miguel, De Hermetische Cirkel. Jung en Hesse., Leminiscaat, Rotterdam, 1975

[2] De Hermetische Cirkel., 27