TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Pelgrim

Marguerite Yourcenar & Zeno de pelgrim

‘Ik ga richting Alpen’, zei Henri-Maximilien.

‘Ik richting Pyreneeën’, zei Zeno.

Ze zwegen. De vlakke, door populieren omzoomde weg, opende voor hen een stukje van het vrije heelal. De avonturier van de macht en de avonturier van de kennis liepen zij aan zij.

‘Kijk’, vervolgde Zeno. ‘Voorbij dat dorp andere dorpen, voorbij die abdij andere abdijen, voorbij dat fort andere forten. En in elk van die gedachtenkastelen, in elk van die wankele bouwsels van persoonlijke meningen die zich verheffen boven de wankele bouwsels van hout en boven de kastelen van steen, sluit het leven van de dwazen op en opent een poortje voor de wijzen. Aan gene zijde van de Alpen, Italië. Aan gene zijde van de Pyreneeën, Spanje. Aan de ene kant het land van Della Mirandola, aan de andere kant dat van Avicenna. En nog verder de zee, en aan de overkant van de zee, aan andere oevers van de onmetelijke vlakte, Arabië, Morea, Indië, de twee Amerika’s. En overal dalen waar men geneeskrachtige kruiden kan plukken, rotsen waar zich de metalen verschuilen die elk voor zich een fase van het Grote Werk symboliseren, toverformules, tussen de tanden der doden gelegd, goden waarvan elk zijn belofte heeft, mensenmassa’s waarvan elk individu zichzelf voor centrum van het heelal houdt. Wie zou zo dwaas zijn te sterven zonder althans zijn gevangenis te hebben verkend? Je ziet, broeder Henri, ik ben werkelijk een pelgrim. De weg is nog lang, maar ik ben jong’.

YOURCENAR, Marguerite, Het Hermetisch Zwart, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1983, 13-14.

Advertenties

Manifest

They’re making the last film

they say it’s the best
And we all helped make it
It’s called the death of the West

Death in June, Death of the West

Van nature uit ben ik een optimist met apocalyptofiele neigingen, iemand die zou kunnen dansen op de muziek van het legendarische orkest op de zinkende Titanic. Daarom voel ik me ontzettend aangetrokken tot een cultuurpessimisme van het principe wat zou moeten zijn is er niet; wat is, zou er niet mogen zijn. Intuïtief voel ik aan dat onze tijd uit haar lood is geslagen. Toch zit in de neergang een vertrouwd gevoel, alsof ik in een vroegere bestaansvorm het allemaal al eens heb meegemaakt. Dit maakt deel uit van een cyclus. De neerval heeft daarom veel weg van de herfst onder een gouden oktoberzon. Dan bewaart de Natuur haar meest verbluffende schoonheid voor de laatste momenten; een belofte voor de lente na de winterse stemmigheid; de neerval als een noodzakelijke voorwaarde voor de hernieuwing.

Ik ben geen kamikazepiloot, maar verschrikkelijker dan de dood van het lichaam is de dood van de ziel. Daarom beangstigt de acedia mij: de ontmoediging die zich meester van je maakt en je fataal verlamt. Een soort verinnerlijkte lobotomie die me meesleurt in een overweldigende maalstroom. Leven op automatische piloot; het vermogen verliezen om te verwonderen; deel uitmaken van een vormeloze massa; zelf vormeloos zijn: dat is levensschennis. Plato verklaarde dat de cultivatie van de eigen ziel de hoofdplicht is van iedere mens. Daarom beschouw ik het Zelf niet als iets vanzelfsprekends, maar als een omvangrijke microkosmos waarvan ik de architect ben.

Net daarom wil ik de wereld begrijpen, zodat ik mezelf een positie kan verschaffen. Mijn wereldopvatting is een symbiose van twee verschillende werelden. De eerste bevindt zich in het praktische, intuïtieve veld: de ervaring van het Immense. Vandaar William Blake: if the doors of perception are cleansed, everything appears as it truly is: infinite. Toch is ook de theoretische, kritische ideeënwereld van mijn academische scholing waardevol gebleken. Deze heeft me de zin voor nuance bijgebracht, waardoor ik mezelf heb bevrijd uit dogmatische, enggeestige denkkaders. Het raakveld van het intuïtieve en het kritische is meermaals zeer vruchtbaar gebleken.

Ja, er knaagt iets aan me, alsof een onderhuidse bacil het einde van haar incubatieperiode heeft bereikt. Een dreigende, fatale acedia die de wereld rondom mij reeds heeft aangetast staat klaar om toe te slaan. Daarom dit essay: mijn voertuig van zelfontdekking; mijn wapen tegen de innerlijke onverschilligheid. Ik schrijf het omdat ik lijd aan de filosofische aandoening bij uitstek: de kritische reflex om in mezelf iets ontoereikends te vinden. Daaruit vertrekt een drang naar absolute actie van binnenuit. Voor mij moet een bijzonder doel zijn weggelegd. Toch vertel ik met veel schroom over mijn Weltschmerz. Weet je, het ligt niet in mijn aard zo open te zijn over een innerlijk groeiproces. Want eerlijk gezegd … weet ik in godsnaam niet wat ik met deze bevreemdende apotheose moet aanvangen.

Losbreken uit de droom

“All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

Lawrence of Arabia, The Seven Pillars of Wisdom

Wanneer ik ontwaak word ik vaak overvallen door een eigenaardig gevoel. Er is dan een subtiele substantie aanwezig die niet uit deze dimensie komt. Het is een geur die me prikkelt of een lang vergeten smaak en altijd dat ene onheimelijk gevoel dat ik terug ben van een lange reis. Het is vreemd in een kamer te zijn die je bekend aandoet, maar tegelijk ook onwerkelijk en vals. Links en rechts verdwijnen droomgestalten even snel als ze verschijnen. Ik ben wakker en kan mezelf niet bewegen, noch heb ik invloed op de omgeving rond mij. Behoorlijk benauwend. Is dit een droom binnen een droom? Een illusie die zich rond mij ontvouwt om mij te misleiden? Een angstwekkende fantasmagorie die me onwrikbaar vastzet in een fort dat tot enig doel heeft de architect ervan op te sluiten? Dit noem ik de schemerzone : een raadselachtige mengeling van illusie en realiteit. En dan breek je er plots uit. Het is dat ene moment waarop ik alles beheers en begrijp, hoewel ik het niet onder woorden kan brengen. Het is een existentieel, intuïtief gevoel bij uitstek.

Hoewel hevig beïnvloed door ideologische processen, onbewust geïnduceerd constructiedenken en andere extra-individuele invloeden, ervaren we de wereld vooral als individu, vanuit ons innerlijke zelf. En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande, maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Het is daarom niet noodzakelijk het ware, het goede, het rechtvaardige of het vrije, maar het is wel het mijne en het enige waarvan ik zekerheid heb. Dat is best een bevrijdende gedachte.

Maar waarom dat benauwde gevoel in die “schemerzone” tussen droom en werkelijkheid? Een aangeboren schaamte voor onze vrijheid, die bij ontwaking ligt te lonken? Misschien is vrijheid wel iets angstaanjagends sinds de dood van God:  we zijn tot de vrijheid veroordeeld (Sartre). De wereld is aan zichzelf overgelaten, zonder transcendente referentiepunten. Het was echter niet voor niets dat Nietzsche het van zich afwerpen van deze schaamte als de lakmoesproef van onze bevrijding beschouwde. De vrijbuiter George Hanson, het personage van Jack Nicholson uit Easy Rider, beschrijft de angst voor vrijheid zeer goed:

“Mensen praten en praten en praten over vrijheid, maar zodra ze een vrij individu zien, krijgen ze er schrik van”

De mens is een wandelende paradox: hij verafschuwt heimelijk wat hij samen met de massa naar verlangt. Daarom stelde Nietzsche’s Zarathoestra wellicht de vraag of de mens het wel verdient om vrij te zijn.

De Pelgrim …

Er waart één oergestalte in mij rond: de Pelgrim. Terwijl stripfiguren bij hun innerlijke jihad al-akhbar links en rechts een zilverzuiver engeltje en een rood latexduiveltje zien verschijnen, duikt in mijn verbeelding de witgepijde Pelgrim met Janusgezicht op. De Kamerfilosoof behoedt je voor het Immense, de Hamerfilosoof wil je erin duwen. De mythe van Odysseus illustreert hun samenspel op een formidabele manier. Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing.

De Pelgrim als gestalte komt in vele gedaanten voor, in iedere sociale laag, beschaving, klasse en tijdsspanne. Ik zie hem op het scherm, kom hem tegen in boeken, ervaar hem op reis of ontdek hem in reisverslagen en briefwisselingen. Hij is Jack Kerouac, Alexander Supertramp en Henry David Thoreau maar ook de oermens die de Beringstraat overstak. In deze gestalte erken en ontdek ik mezelf. Hij schaamt zich niet voor zijn aangevatte pelgrimage, maar is behoedzaam om zijn geheim te delen met anderen. Hij weet hoe de hoi polloi reageert wanneer iemand hen wakker schudt uit vastgeroeste inbeddingen en burgerlijke verwachtingspatronen. Nietzsche’s Zarathoestra leek als een dief in de nacht en als hij niet overkwam als een hansworst, waren zijn eerste redevoeringen meteen de laatste geweest. Zijn geheim behoudt hij slechts voor enkelingen die hij waardig genoeg acht.

Kirilov, een personage uit Boze Geesten van Dostojevski, verklaart dat als God niet bestond hij wel uitgevonden werd. Waar dit op duidt is niet moeilijk: iedereen heeft een centrum nodig, een basiswaarde die als fundament dient. Wie het niet in zichzelf vindt, zoekt het wel buiten zichzelf, projecteert dit op een God of iets anders. Kirilov gaat zelfs verder: zonder God is zelfmoord onvermijdelijk. Met dit tragische personage illustreert Dostojevski op een magistrale wijze hoe een bestaan zonder centrum verloren gaat in betekenisloosheid. Op dat moment overwint de acedia. De Pelgrim heeft een centrum, de axis mundi  van zijn bestaan, ontdekt. Dat is zijn absolute ankerpunt.

… en de gesel des Tijds

De Tijd is de grote motor van de maalstroom die geschiedenis heet. Wie er niet willoos door wil worden meegesleurd, moet de Tijd beheersen. De Pelgrim doet dit via de Mythe, een tijdloze werkelijkheid en het zingevende centrum van zijn bestaan. Waar de Tijd voor de moderne, profane mens homogeen is, betekende de Mythe voor de traditionele mens een belangrijke breuk in de Tijd. Deze “heilige Tijd”, in tegenstelling tot de profane Tijd, komt in ritmische intervallen aanzetten, waarin de Mythe telkens wordt herhaald. Door dit besef heb ik iets belangrijks geleerd: de historische, lineaire tijd is niet noodzakelijk de enige realiteit. Er bestaat een heel andere tijdservaring die helemaal niet homogeen en lineair is. Dat maakt dat Tijd een speelveld is, waarvan de spelregels worden bepaald door wie het spel beheerst. Wie zijn Tijd meester is, beheerst zichzelf. Net als de mens is de Tijd iets wat overkomen moet worden. 

In een van de beginscènes van de cultfilm Easy Rider gooit Henry Fonda, een Pelgrimsgestalte bij uitstek, zijn horloge nonchalant weg na een laatste keer naar het uur te kijken. Deze handeling symboliseert een bevrijding van de homogene Tijd. We hebben onszelf een streng regime opgedrongen. Eén dat alle gevoel voor kwalitatieve tijdsbeleving verdoofde en ons een valse spiegel voorhield. De Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade merkte op dat de Tijd niet alleen seculier geworden is, maar zich ook onafwendbaar naar de dood neigt. Fonda mijdt de acedia en gooit zijn horloge, vertegenwoordiger van deze doorgedreven Tijdsgedachte, weg. Hij bevrijdt zich daardoor van de maalstroom. Het weggooien van de horloge impliceert een terugkeer naar de kwalitatieve, innerlijke tijdservaring, zoals deze door traditionele volkeren werd beleefd.

Fonda’s personage creëert een breuk in de Tijd door de Mythe aan te wenden. Zij geldt eveneens als een transcendent referentiepunt van binnenuit. In de jaren ‘30 klom de Italiaanse traditionalist en alpinist Julius Evola vaak in de Alpen. Op een van zijn expedities verbouwde hij samen met een aantal kameraden een oude berghut naar een kleine nachtclub, waar hij op een grammofoon jazzplaten speelde. Rum en kirsch worden bovengehaald en in een dronken roes besluiten ze naar buiten te gaan. Wanneer ze het bevroren bergmeer betreden worden zij getroffen door iets subliems, dat de meest primordiale aard van hun bestaan doet ontwaken. Op deze onverbiddelijke plek, waar het tweeëntwintig graden vriest, de vallei diep-zwart afsteekt tegen de witte kronen van de bergreuzen en het krakende bergmeer onder zijn voeten angst en verwondering verwekt, ervaart de Italiaan een moment dat het leven overstijgt. Door grenservaringen op te zoeken wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren aan het individu.

In 1935 zag de Lierse letterkundige Ernest Van der Hallen zich genoodzaakt om het verstikkende Europa te verlaten en reisde als moderne pelgrim doorheen Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar zocht en vond hij het gevoel het leven te beheersen. Toch laat hij in zijn reisverslagen regelmatig teleurstellingen optekenen, wanneer hij in de voetsporen treedt van Christus in het Heilige Land. Wanneer hij in de kapel van Sint-Helena aan de Golgothaheuvel een misviering bijwoont, wordt deze ruw verstoort door “een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd”. Door deze ervaring legt hij zeer nadrukkelijk de vinger op de wonde: de genius loci, de ‘ziel’ van de plek, wordt aangetast door de profane wereld. De dood van God heeft de Mythe fragiel gemaakt. Zij valt niet meer structureel te ervaren, enkel existentieel. 

Harmonie van Pen en Zwaard

In de Tantrafilosofie is theorie zonder actie (kriya) waardeloos, ijdel en vaag. De Wang Yangmingschool uit het vijftiende eeuwse China gaat zelfs verder. Actie was geen gevolg van de theorie, maar een noodzakelijke voorwaarde om kennis te verwerven. Iedere kennis die pas later werd omgezet in actie was vals en waardeloos: “weten en niet handelen is niet-weten”. Over consistent denken en handelen gesproken! Zoroaster, de Perzische wijsgeer, stelt het heel eenvoudig: “Juist denken, juist spreken, juist handelen”. Niet zo eenvoudig als het lijkt. Een idee ondergaat heel wat invloeden en tegenwind wanneer het in de praktijk wordt omgezet. Soms lukt het gewoon niet om een idee te actualiseren, omdat de omstandigheden er op dat moment niet – en misschien zelfs nooit – naar zijn. In zulke situaties overvalt de neerslachtigheid je. Je denkt misschien dat je in de verkeerde tijd bent geboren, dat je deel uitmaakt van een generatie die vele jaren of zelfs eeuwen geleden bestond. Het noodzakelijke draagvlak ontbreekt om iets voor jezelf te betekenen. En zo lijkt de wereld om je heen de uiteindelijke overwinnaar.

Maar wat als de wereld om een ideaal heen kan worden gebogen? Wat als het ideaal een onbewogen beweger was, het centrum van de wereld? Zou dat geen wonder zijn? In het Hossoboeddhisme is er een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd bleek hij uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij het: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? Als je ervan uitgaat dat de wereld zoals wij die kennen een subjectieve creatie van onze eigen geest is, lijken de mogelijkheden van het proces van idee naar praktijk plots minder nadelig voor het idee te zijn. De menselijke geest geeft de wereld een betekenis.

Hierbij heb ik de grenzen aardig verlegt, maar waar stopt het? Als er een ding is dat ik heb geleerd in mijn zoektocht, dan is dat blindheid je grootste vijand is. Je moet nuance kunnen aanbrengen zonder daarom noodzakelijk water in de wijn te doen. Je kan grenzen verleggen, maar daarbij verleg je ook een aantal verantwoordelijkheden. Net daarom is zelfkennis zo belangrijk. De subjectieve waarneming van de wereld maakt niet dat je deze volledig naar je hand kan omzetten. Conventies bestaan bijvoorbeeld om de onderlinge handelingen tussen mensen te vereenvoudigen. Het is niet omdat de wereld een creatie is van je eigen geest dat geld plots geen waarde meer heeft, dat verkeerslichten zinloze dingen zijn en dat geweld een middel is om aan anderen je wil op te leggen. Dat is waanzin. Wie continu tegen de stroom ingaat, bevindt zich snel in een tragische affaire. Een andere optie moet mogelijk zijn.

De Tijger

 

“De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”

Nietzsche, Zarathustra

“Dit is een strijd voor de moderne mens, die geen wortels meer heeft in de heilige grond van de traditie en weifelt in zijn zoektocht naar zichzelf tussen de pieken van beschaving en de afgronden van de barbarij, om een bevredigende betekenis te vinden voor een bestaan dat volledig aan zichzelf overgelaten is”.

Robert Reininger

Wie erin slaagt een tijger te berijden voorkomt niet alleen dat hij erdoor wordt aangevallen, maar krijgt ook een kans om deze te verslaan, zo luidt een Oosters gezegde. De tijger symboliseert de maalstroom, die te krachtig is om frontaal te worden geconfronteerd. Op basis hiervan kan een gedragslijn ontstaan voor mensen in een wereld die, na de dood van God, aan zichzelf is overgelaten. Voor de moderne mens, in de wereld geworpen (i.e. Geworfenheit),  komt het erop aan om een positie te vinden waar hij in zichzelf vaste grond vindt. De innerlijke migratie rechtvaardigt een autonoom bestaan. De negatieve anomie van de maatschappij kan daardoor worden omgebogen naar een positieve anomie voor de persoon: de moraal vernietigen om moreel te kunnen leven. Op een dialectische wijze kan de negatie van een negatie immers iets positiefs opleveren, bij wijze van een vrije ruimte voor ontwikkeling.

Dat is dan de aard van mijn levensspel, maar het vragen houdt niet op. Hoe ga ik om met de uitdagingen die het leven mij biedt? Hoe blijf ik trouw aan mezelf? Hoe behoud ik mezelf zonder te worden gestandaardiseerd of geconditioneerd? Hoe word ik mezelf? Al die vragen zijn existentieel van aard. Er bestaat geen algemene handleiding die me daarbij kan helpen. Dit essay markeert mijn positie in het veld, maar is verre van een zaligmakend Schrift. Het is veeleer een momentopname, een palimpsest dat regelmatig moet worden bijgesteld. Toch biedt het houvast tijdens de weifelende zoektocht naar mezelf; biedt manieren om de tijger te bereiden en mezelf te kunnen worden en zijn. Om geen slapend wezen te zijn dat willoos wordt meegesleurd door de maalstroom, maar iemand die zijn Tijd en zijn leven kan beheersen. Daarin ligt mijn nakende apotheose. Ironisch lijkt de zoektocht naar betekenis dus de zin van mijn bestaan te zijn.

Wind en rook

“Adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Ik bevind me in het Letterenhuis van Antwerpen. Verderop een eenzame oudere baliebediende die een krant doorneemt, maar verder niemand. Er hangt een nostalgische zoete houtgeur die typisch is aan plaatsen waar oude boeken en manuscripten rusten. Voor mij ligt de briefwisseling van Ernest Van der Hallen verspreid over de tafel, waar hij aan een vriend zijn ervaringen in het Ruusbroechuisje in het Lierse Begijnhof toevertrouwt. Hij schreef over de winterse stemmigheid van het Begijnhof, waar hij wilde ‘schreeuwen van weelde’. In zijn brieven herken ik dezelfde vragen, dezelfde grieven en dezelfde verlangens die ik heb. Van der Hallen was een Pelgrim, net als ik. Evenveel als Jack Kerouac, Alexander Supertramp, Thoreau en Henry Fonda in Easy Rider. Zij gingen het gevecht met de tijger aan. De ene won. De andere verloor. Maar allen kunnen werkelijk zeggen dat ze hebben geleefd.

De Pelgrim is de voorouderlijke zwerver die uit de oertijden tot mij is gekomen en tot mij spreekt. Wie ooit de eindeloze woestijn of de eeuwige sneeuw heeft gezien, kan bij thuiskomst plots zo worden gegrepen door de lust naar het avontuur dat hij alles laat vallen ter wille van zijn Fernweh. Hij heeft daarginds ‘iets’ ontdekt en indrukken opgedaan die hij voordien nergens vond. Noem het een melancholisch verlangen, maar ik heb een stille wens naar eenzame landwegen, waar de Natuur kan worden ervaren in zowel haar metafysisch oergeweld als haar overweldigende rust en vertrouwdheid. Dan ontwaken de levensgeesten met kracht en voel ik zowel bruisende levensbeheersing als eenvoudige Gelassenheit. Deze magische grenservaring heb ik nergens duidelijker beschreven gezien als in Op de Marmerklippen van de Duitse schrijver Ernst Jünger, waar ik eindig in schoonheid en verwondering:

“Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes […]. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotse rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen in hen de wijnbergen, met schrik én diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook’.

P.

Adieu!

“Adieu, Europa, het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën, Davidsfonds, Leuven, 1938, 10-11.

Ernest Van der Hallen, Dostojevski en Wanderlust

‘Dit zal mij bijblijven, nu de roep naar Vlaanderen in mij zo luid is, dat ik besloten ben niet meer terug te keren naar deze landen. Maar heimelijk weet ik dat, wanneer de vlakten mij weer sterk en dringend zullen wenken, ik opstaan zal, en gaan naar waar het zand gespreid ligt over de eindeloze vlakte en de kamelen schommelen langs de rand der lage heuvels; waar de luchtspiegelingen bedrieglijk wenken en de donkere nomaad zijn tenten spant onder een verschrompelde dadelpalm; waar de schamele Fellah de negen-en-negentig deugden van Allah aftelt aan de kralen van zijn bidsnoer of, evenals zijn voorouders zesduizend jaar terug, het rad trapt dat het water met kleine gulpen beurt uit de zandige put, want de Fellah denkt minstens zevenmaal zeven eeuwen na, eer hij iets verandert aan zijn gewoonten’.

VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije, Davidsfonds, Leuven, 1941, 168.

 

Het citaat doet me heel sterk denken aan de contemplatieve boer die Dostojevski bij monde van Smerdjakov, de bastaardzoon van Fjodor Karamazov, beschreef in De Broers Karamazov. Zomaar op een lukrake dag getroffen worden door een ongelofelijke drang om te reizen. Of te zwerven. Niet noodzakelijk met een doel, soms gewoon om onderweg te zijn, zoals Jack Kerouac, indrukken vergarend. Of net wel met een Groot Doel, een existentiële reis die het ganse leven bepaalt. Als pelgrim geef je je identiteit op bij de aanvang, je verliest jezelf in het geheel. En vanuit die rotsige bodem waar geen Ik bestaat, zoek je onderweg een nieuw pad naar boven toe. Naar je nieuwe Ik. Om jezelf te vinden, moet je jezelf soms verliezen.

‘Van de schilder Kramskoj bestaat een opmerkelijk schilderij met de naam Contemplatie: daarop is een winters bos afgebeeld en in dat bos, op een weg, staat moederziel alleen, in diepe eenzaamheid een boertje met een gescheurde kaftan en met bastschoenen aan, hij staat daar diep in gedachten verzonken, maar hij denkt niet, hij ‘contempleert’. Als je hem een duw zou geven, zou er een rilling door hem heen gaan en hij zou je aankijken alsof hij net wakker was geworden, maar er niets van begrijpen. Wel zou hij meteen bij zijn positieven zijn, en op de vraag waarom hij daar stond te denken, zou hij zich niets meer herinneren, maar toch zou hij de indrukken opgedaan tijdens zijn contemplatie nooit meer kwijtraken. Die indrukken zijn hem dierbaar, ongemerkt en zelfs onbewust zal hij ze opzamelen, waarvoor en waarom, dat weet hij natuurlijk zelf niet: misschien zal hij na jarenlang indrukken te hebben verzameld opeens alles in de steek laten en naar Jeruzalem gaan, op een pelgrimage ter redding van zijn ziel, of misschien zal hij opeens zijn geboortedorp in de hens steken, of misschien doet hij het zowel het een als het ander. Er zijn in het volk tamelijk veel van zulke contemplatieve figuren’.

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 156.

P.

De eindeloze ruimte

De vlakte neemt ons op; de vlakte, de zon, de onafzienbare ruimte van licht en vuur. Door de oneindige effenheid slingert de schommelgang van twee eenzame reizigers die geen ander doel hebben dan zich onder te dompelen in het sprookje van ruimte en licht. Het zand glanst mat, het zand knespert onder den zwaren voet der kameelen en ver weg glinstert een glasscherf of een stukje kristal scherp in de zon; daarboven staat hard en strak het witte licht gespannen; het omvangt de aarde als een kristallen koepel, het is tyranniek en geweldig, zonder schaduwen of spel van kleur. Men zoekt tevergeefs een lijn, een kontoer, een punt; iets waar de oogen rust aan hebben, iets waarnaar men kan kijken, een punt waarnaar men zich kan oriënteeren. Aan den einder vervaagt de kim in een aarzeling van sidderend diafaan licht waarin de raaklijn van hemel en aarde oplost. Eindeloos strekt zich de okergele vlakte zonder duinen, met enkel hier en daar de lichte deining die een koele nachtwind teekende als een vochtig zeestrand bij ebbe.

 

~Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën, 95-96 (1938)

Een snuifje Ruusbroec …

“Hij is hongherig ende dorstig, want hi siet der ingelen spise en de hemelschen dranc. Hi arbeit sere in minnen, want hij siet sine raste. Hi is pelgrim, ende hi siet zijn lantscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone. Troest, vrede, vroude, ende scoenheit, ende rijcheit, ende al dat verbliden mach, dat wert vertoent der verlichter redene in Gode”.

“Over de plaats van afkomst blijft het voorlopig nog gissen. Sommige wetenschappers verwijzen naar Ruisbroek, een dorp tussen Brussel en Halle, anderen situeren de kindertijd van Ruusbroec in de gelijknamige wijk van Brussel. Op elfjarige leeftijd wordt hij toevertrouwd aan zijn oom en priester Jan Hinckaert, kapelaan van de St. Goedelekathedraal – de huidige St. Michielskathedraal. Na een opleiding van vier jaren aan de Brusselse kapittelschool wordt hij in 1317 tot priester gewijd. Gedurende 25 jaren bekleedt hij de functie van kapelaan of plaatsvervangend priester in de kathedraal. Het jaar 1343 is een belangrijke wending in zijn leven: samen met zijn oom en een ander inwonende priester, Vrank van Coudenbergh, verlaat hij de stad voor het Zoniënwoud. Zij vestigen zich in Groenendaal, in het vroegere verblijf van een kluizenaar. Men vermoedt dat zij het drukke Brussel ruilen voor een plaats waar zij voor God kunnen leven in een geestelijk geschikt klimaat. Aanvankelijk leven zij zonder regel en zonder overste. Ofschoon deze kleine religieuze gemeenschap niet de bedoeling heeft een klooster te stichten, neemt zij in 1350 de Regel van Reguliere Kanunniken van de Heilige Augustinus aan. Van dan af wordt de gemeenschap een proostdij met Vrank van Coudenbergh als proost en Ruusbroec als prior. Omwille van zijn hoge leeftijd besluit Jan Hinckaert de Regel van de Orde niet te volgen. Verbonden met de gemeenschap woont hij zijn verdere leven als kluizenaar in een afzonderlijke woning.

Wat het literaire aspect van Ruusbroecs leven betreft: in Groenendaal zet hij het werk voort dat hij in Brussel is begonnen. In de drukte van de stad schrijft hij vijf werken, in de stilte van het Zoniënwoud breidt hij zijn oeuvre uit met zes traktaten en enkele brieven. Het valt echter op dat zijn gezamenlijke literaire werk van één en dezelfde grondgedachte getuigt: de liefdesontmoeting tussen God en mens in dit leven. Ruusbroecs mystiek is liefdesmystiek. Hij beschrijft Gods liefdesinitiatief en de gevolgen van het menselijke antwoord hierop. Het resultaat van deze gerichtheid op God is een goddelijke omhelzing die tot stand komt in levensgemeenschap met Christus en die de ziel opneemt in Gods trinitaire liefdesleven. Hier gaat de hemel open voor de ziel: dankzij Gods genade voelt zij niet alleen dat en hoe God liefde is, zij wordt ook gewaar dat ze één is met Beeld waartoe ze is geschapen. De innerlijke gewaarwording van eenheid moet men echter niet op het zijnsniveau verstaan. Ruusbroec heeft het over een “eenheid in liefde”; de mens blijft mens en wordt niet God. Dat alle werken een variante zijn op deze fundamentele intuïtie doet vermoeden dat Ruusbroec van bij de aanvang uit een persoonlijke beleving schrijft en dat zijn “mystieke” periode niet tot Groenendaal is beperkt. Ofschoon niet bedoeld voor een breed publiek zijn Ruusbroecs mystieke geschriften tijdens en na zijn leven verschillende malen gekopieerd. Enkele zijn nog vóór 1381 in het Latijn vertaald wat de verspreiding op ruimere schaal in de hand heeft gewerkt.”

(Bron (klik))

De flarde tekst van de Middeleeuwse mysticus vormde in 1931 het openingsmotto van de periodiek De Pelgrim van de gelijknamige kunstenaarsgenootschap, waartoe onder andere de priester Léonce Reypens, de architect Flor Van Reeth, de letterkundige Ernest Van der Hallen en de schrijver Felix Timmermans behoorden. De aandacht naar Ruusbroec is veelbetekenend, omdat de naamgeving van De Pelgrim duidde op een streven naar spirituele herbronning in de Middeleeuwen, in een tijd die door velen als decadent en in acute crisis werd beschouwd. De volkstaal die Ruusbroec hanteerde, zonder zich te wenden tot het Latijn, betekende dat de “hemel reeds kan beginnen op aarde”. Het citaat beschrijft enerzijds het lijden en de noodzakelijke opofferingen om het geloof te belijden, maar stelt anderzijds wel ‘troest, vrede, vroude, ende scoenheit, ende rijcheit, ende al dat verbliden mach’ in het vooruitzicht.

P.

Literatuur:

HEYNICKX, R., Meetzucht en mateloosheid. Kunst, religie en identiteit in Vlaanderen tijdens het interbellum, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2008.

De Pelgrim (1929-1931)

Aldus sprak Narziss …

‘Kijk’, zei hij, ‘er is maar één punt, niet meer, waarin ik jou de baas ben: ik ben wakker, en jij bent niet meer dan half wakker, soms zelfs slaap je helemaal. Ik noem iemand wakker als hij met zijn verstand, zijn bewustzijn weet wie hij is, weet welke zijn meest fundamentele, irrationele vermogens, drijfveren en zwakke punten zijn, en er rekening mee weet te houden. Het feit dat je mij hebt leren kennen kan voor jou juist betekenen dat je die dingen leert. Bij jou, Goldmund, staan de geest en de natuur, het bewustzijn en de wereld van je dromen, erg ver van elkaar af. Je hebt je kinderjaren uit je geheugen gewist, vanuit de diepten van je ziel doen ze moeite om je weer voor zich te winnen. Ze zullen je laten lijden, net zolang tot je hen verhoort. – Genoeg hierover! Zoals ik zei: wakker zijn, daarin ben ik beter dan jij, in dat opzicht ben ik je meerdere en daarom kan ik je van nut zijn. maar in alle andere opzichten, mijn beste, ben jij mij de baas, en niet andersom – of liever: dat zul je zijn zodra je jezelf gevonden hebt’.

Narziss in: HESSE, Hermann, Narziss & Goldmund, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009, 42.

“Wakker zijn”. Het wroet in je, het broeit vanuit de diepste krochten van je ziel. Het is weten wie je bent, wat je doet en met welk doel je op deze planeet “geworpen” bent. Het volle bewustzijn borrelt in je op en wie kan er zich op beroepen dat hij zich bij zijn volle bewustzijn is? Wie kan zeggen, waarlijk zeggen voor het aanschijn van het Al, dat hij weet wat hij van plan is? En is dat plan, indien hij het weet, voldoende? Is het bereikbaar? Of dient het niet bereikbaar te zijn? Is het “plannen” slechts een afleiding van wat waarlijk telt? Is het leven niets anders dan een eindeloze pelgrimage naar een onbereikbaar geluk? Wekt dat doel je in slaap? Of is net de reis naar het doel datgene wat je wakker dient te maken? En hoe weet je dat dan?

Ben jij wakker?

P.

De weg naar Machu Picchu

De ongeplaveide weg naar het heiligdom ging stijl-kronkelend naar omhoog, als een slang die zich moeiteloos voortbewoog naar zijn schuilplaats. Het was ochtend, de vroege ochtend waar het licht schaars was maar waar de dieren voluit hun levenslied zongen. Instinctief wist je dat de dageraad niet lang op zich zou laten wachten. De zonnegeur hing als een belofte in de lucht. Nog een uur, hoogstens anderhalf uur en dan zou de gloed van de eerste zonnestralen het landschap overrompelen. Rondom mij bevindt zich een processie van honderden mensen van verschillend allooi. Ik hoor verscheidene wereldtalen, een Babylon in het klein, maar dan zonder een spraakverwarring omdat iedereen gericht was op hetzelfde doel. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar.

Nog een kwartier wachten en dan begint de trek naar boven. De heilige trek, waar iedereen op te wachten staat. Heilig, want de stad die we bezoeken was het spirituele centrum van een teloorgegaan wereldrijk. Ver voor en achter mij staan geheimzinnige gestalten; het profiel van een jong koppel dat elkaar innig omhelst; een groepje bebaarde mannen dat aanstalten maakt om de groep vrouwen voor hen te benaderen; een avontuurlijk kind loopt ons voorbij in de armen van zijn zorgzame moeder. Het geroezemoes dat hier ontstaat is zacht en onverstaanbaar. In stille eerbied voor de pelgrimsplaats spreekt men met fluisterende stemmen. De razernij en waanzin van het alledaagse ruimt plaats voor een subtiele hint van iets onveranderlijks en eeuwigs.

De glanzende poort opent zich, met daarachter de onbekende en toch vertrouwde kronkeling naar boven. Het machtige hemelgesternte begint stilaan plaats te ruimen voor een vreemde schijn achter de heuvels. Week wordt de maan en haar witte licht taant. Mild ruist een vochtige bergwind over onze hoofden naar de richting van de poorten, terwijl de aarde lichter wordt en zich scherper aftekent tegen de hemel. Het is helder, de karakteristieke mist die ons dagenlang heeft achtervolgd heeft de wilde jacht opgegeven. Plots ontstaat er beweging in de processie. De aarde beeft en terwijl wij naar boven gaan, stijgen wij gezamenlijk met de zon. En weet gij, beste lezer, hoe verrukkelijk het kan zijn om het aanstormende licht tegemoet te treden op de top van een berg?

P.

Een pelgrimage naar …

‘In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee in ‘nen droom van grond:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …’. (Briefwisseling Ernest van der Hallen)

Het Ruusbroechuisje waarover de schrijver spreekt kan men nog steeds vinden in het Lierse begijnhof, in de Hellestraat, waarin een aantal lokale kunstenaars en schrijvers terugtrokken om zich met kunst in te laten en ‘stille uren’ te beleven. Morgen ga ik er heen, althans niet in het Ruusbroechuisje omdat dat niet meer mogelijk is.

Het huisje werd in de jaren ’20 door de Lierse letterkundige Ernest van der Hallen en zijn kompaan en architect Flor van Reeth opgeknapt en gebruikt. Ook de bekende Lierse schrijver Felix Timmermans was van de partij: “Laten wij gedrieën ermee beginnen, vandaag, en pelgrimeren naar de ideale schoonheid“. Hij heeft zelf een roman geschreven, dat ging over het begijntje Symforosa en haar geliefde Martienus, een onbereikbare liefde. Waarom die drang naar het Begijnhof? En wat is dat pelgrimeren juist? De sleutel ligt in het begrip ‘ruimte’.

Ruimte vormde in traditionele beschavingen de basis voor de karakteristieke uitdrukkingen van de metafysische dimensie. De Roemeense religiehistoricus Mircea Eliade duidde deze uitdrukkingen aan als ‘hiërofanieën’: manifestaties van het sacrale, die zowel natuurlijke als door mensen vervaardigde objecten of ruimten konden zijn. De ontwikkelingen van de negentiende en twintigste eeuw deden een vervaging ontstaan tussen profane en sacrale ruimten. Om deze vervaging tegen te gaan zochten velen zoals Ernest van der Hallen naar plaatsen ‘waar men zich alleen kon voelen, waar nog verwondering is, ruimte en afstanden’ zijn. Van der Hallen pelgrimeerde volgens de historicus Rajesh Heynickx van de wereldse stad Lier naar het eeuwige in het Begijnhof. Deze ruimte, ‘waar men heerlijk-zacht wegdoezelt’ (van der Hallen) was losgeweekt uit de profane tijd. Hier kon men de kracht vinden ‘om te creëren in een onttoverde wereld’. Zo kon een ideaal van middeleeuwse vroomheid worden geïncarneerd zonder daarmee wereldvreemd te zijn.

Daar ga ik heen. De droom van drie pelgrims. Morgen ga ik naar het mystieke Begijnhof, vergezeld van Symforosa & Martienus, Nest, Fé en Flor.