TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Perù

Wees gegroet, Juanita

Anderhalf jaar geleden, toen ik het geluk had in Peru te zijn, bezocht ik in het museum van de Universiteit van Arequipa  De IJsmaagd van Ampato. Het betreft Juanita, een kind dat destijds in haar vroege tienerjaren door de Inca’s op de berg Ampato werd geofferd aan de Goden.  Destijds waren mensenoffers aan de zogenaamde Apu’s, berggoden, een manier om de ontstemde Goden te behagen. Voor (post-) modernen is dit waanzin, een onbevattelijke misdaad. Maar tegelijk ook een heel fascinerende denkoefening. Een unieke manier om mens en maatschappij in een radicaal ander perspectief te plaatsen.

Als je erover doordenkt, bestaat er een “logica” achter dit hoogst merkwaardige ritueel. Beeld je een traditionele beschaving in waar de plaats van de mens, ruimte en tijd in de kosmos zeer afgebakend is. Iedere ruimte wordt gecultiveerd op een sacrale wijze en ook de tijdservaring is voor de traditionele mens heel anders. Alles wat van tel is draagt een symbolische geladenheid. Wanneer deze ordening door elkaar wordt geschud, betekende dit dat de goden ontstemt zijn. Hierdoor geraakt ook de maatschappelijke ordening in de war. Een mensenoffer was een manier om deze balans terug te herstellen. Dit is enkel begrijpelijk als je beseft dat de waarde van een mensenleven in die context totaal verschilt dan de waarde van een mensenleven in een hedendaagse westerse maatschappij. Het feit dat Juanita gekozen werd, was een grote eer voor haar familie.

Een voorbeeld van deze kosmische ordening is het graf waarin Juanita geplaatst werd. Daarin werden objecten geplaatst, maar niet zomaar, niet als versiering of verfraaiing. Ieder materieel object droeg een betekenis en verwees naar de kosmische ordening van de Incamaatschappij. Je zou kunnen zeggen dat ieder object een zogenaamde hiërofanie was, een materieel object dat het goddelijke vertegenwoordigde. Niet het object an sich werd aanbeden, maar wel het goddelijke dat in en doorheen het object zich manifesteerde. Op die manier transformeerde het graf zich naar een heilige microkosmos.

Ook Juanita werd niet zomaar gekozen uit de bevolking. Zij was geen Chinese vrijwilliger die van een markt werd geplukt. Net vanwege het belang van een mensenoffer, moest het kind vooral zuiver zijn. En dat wil zeggen dat Juanita een kind was dat uit de hoge adel kwam. Net als het graf, onderging ook Juanita een transformatie. Pachacuti Inca Yupanqui was de Sapa Inca (de Incakeizer) die zijn goddelijkheid overdroeg aan Juanita, waardoor zij een halfgod werd. Ze droeg blauwe araveren op haar hoofd, dure textiel die typisch adellijk was en werd gewikkeld in een aksu, een helder gekleurd begrafenisdoek.

Met de komst van de Spanjaarden is er vanzelfsprekend onnoemelijk veel veranderd in de Nieuwe Wereld. En toch leeft die oude precolombiaanse vlam nog sterk in Zuid-Amerika. Dat voel je instinctmatig aan wanneer je ginds vertoeft. Tijdens een processie in Cuzco viel me op dat er veel aandacht werd gegeven aan de Pachamama, de aardgodin die onder de boerenbevolking in de Incamaatschappij veel aandacht kreeg. Door samen te vallen met de Heilige Maagd Maria, kreeg zij de kans om tot op de dag van vandaag vereerd te worden.

Toen in 1960 de Grote Chileense Aardbeving gebeurde, de meest kolossale aardbeving sinds het begin van de metingen (9.5 op de schaal van Richter), was er iets heel eigenaardigs aan de gang in het Chileense kuststadje Collileufu.  Juana Namuncura Añen, een lokale machi (een traditionele sjamaan), eiste een mensenoffer om de aarde en de oceaan gunstig te stemmen. Het vijfjarige slachtoffer werd ontdaan van zijn ledematen, waarna zijn lichaam door de oceaan werd meegesleurd.

P.

Advertenties

De weg naar Machu Picchu

De ongeplaveide weg naar het heiligdom ging stijl-kronkelend naar omhoog, als een slang die zich moeiteloos voortbewoog naar zijn schuilplaats. Het was ochtend, de vroege ochtend waar het licht schaars was maar waar de dieren voluit hun levenslied zongen. Instinctief wist je dat de dageraad niet lang op zich zou laten wachten. De zonnegeur hing als een belofte in de lucht. Nog een uur, hoogstens anderhalf uur en dan zou de gloed van de eerste zonnestralen het landschap overrompelen. Rondom mij bevindt zich een processie van honderden mensen van verschillend allooi. Ik hoor verscheidene wereldtalen, een Babylon in het klein, maar dan zonder een spraakverwarring omdat iedereen gericht was op hetzelfde doel. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar.

Nog een kwartier wachten en dan begint de trek naar boven. De heilige trek, waar iedereen op te wachten staat. Heilig, want de stad die we bezoeken was het spirituele centrum van een teloorgegaan wereldrijk. Ver voor en achter mij staan geheimzinnige gestalten; het profiel van een jong koppel dat elkaar innig omhelst; een groepje bebaarde mannen dat aanstalten maakt om de groep vrouwen voor hen te benaderen; een avontuurlijk kind loopt ons voorbij in de armen van zijn zorgzame moeder. Het geroezemoes dat hier ontstaat is zacht en onverstaanbaar. In stille eerbied voor de pelgrimsplaats spreekt men met fluisterende stemmen. De razernij en waanzin van het alledaagse ruimt plaats voor een subtiele hint van iets onveranderlijks en eeuwigs.

De glanzende poort opent zich, met daarachter de onbekende en toch vertrouwde kronkeling naar boven. Het machtige hemelgesternte begint stilaan plaats te ruimen voor een vreemde schijn achter de heuvels. Week wordt de maan en haar witte licht taant. Mild ruist een vochtige bergwind over onze hoofden naar de richting van de poorten, terwijl de aarde lichter wordt en zich scherper aftekent tegen de hemel. Het is helder, de karakteristieke mist die ons dagenlang heeft achtervolgd heeft de wilde jacht opgegeven. Plots ontstaat er beweging in de processie. De aarde beeft en terwijl wij naar boven gaan, stijgen wij gezamenlijk met de zon. En weet gij, beste lezer, hoe verrukkelijk het kan zijn om het aanstormende licht tegemoet te treden op de top van een berg?

P.

Lima, 09.08.2010

Nog eens op het vliegtuig naar Lima, maar het verkeer was minder chaotisch dan bij het begin van onze reis. Was het werkelijk zo, of waren we al in een vergaande fase van gewoontevorming beland? Mensen rijden hier nog altijd als zotten en er schijnt bij sommigen een vreemde fascinatie te bestaan voor nummerplaten. Sommige Peruvianen hebben autostickers gemaakt van hun eigen nummerplaten terwijl anderen probleemloos lijken rond te rijden zonder nummerplaat. Vallende sterren in Peru zie je alleen maar aan de hemel, dus daarvoor hoef je het niet te doen.

Na de aankomst gingen we iets eten in de Barrancowijk aan de kust. Ons oog viel op het restaurant Songoro Cosongo. Op de menukaart stond interessante informatie over de wijk. Het is een ‘Bohemische’ en traditionele wijk met oude huizen, parken, kapellen, romantische plaatsen, de zee en de bekende Brug der Zuchten die de dichters lokten. De familie die het restaurant openhoudt vertoeft al sinds 1930 in de wijk en het gebouw is deel van het culturele patrimonium van Lima. De keuken is Afroperuviaans, wat volgens de eigenaar wil zeggen dat de gerechten goed zijn afgekruid.

Dat belooft.

Een heerlijk-pikante ceviche verraste mijn smaakpapillen, uiteraard vergezeld met een goed glas witte wijn. Een huiswijn dit keer, heerlijk sec. De eigenaar trakteerde ons, nuja, eigenlijk eerder de jarige gasten een tafel verder, op een kleine sonate. Dan overtuigden we hem een stukje te spelen op de piano die bij ons stond, hoewel die niet goed gestemd was.

 

De eigenaar en bard van het bewuste restaurant.

Dan gingen we naar het strand waar de woeste golven van de Pacifische Oceaan uitnodigde om even stil te staan bij de vele indrukken van deze reis. Het stille geruis, afgewisseld met plotsklaps rollende golven, zogen mij op en ledigden mijn verstand. Ik nestelde me en liet me doorheen de spreekwoordelijke Tao voeren. Het einde is nabij, maar het moment leek eeuwig te duren.  Heerlijke stilte, slechts het rollende water bleef over. De oceaan riep tot ons, bood ons een blik op haar eindeloosheid.

 

 

De oprijzende oceaan in Lima.

De volgende halte was Miraflores, waar het liefdespark veel tijd in beslag nam. Ik vond het op Park Güell in Barcelona lijken. Het kleine park had een groot standbeeld met twee geliefden in een innige omhelzing. Interessant waren ook de mozaïeken muren en banken met Spaanse zegswijzen rond de liefde. Het werd echter snel laat, waardoor we nog een keer de spits van Lima doorstonden om terug te geraken naar het centrum waar we iets gingen eten.

We aten, na een taxirit naar het centrum, in een lokaal Italiaanse restaurantje waar ik van de gelegenheid gebruik nam om van een ossobucco te genieten met een heerlijke fles Concha y toro (deze keer de merlotversie, maar de carbernet sauvignon was net iets meer karaktervol). Daarna volgde een splitsing: vijf mensen die iets wilden gaan drinken omdat het de laatste avond was en de andere vijf die wilden gaan slapen. We dronken iets in een lokale cocktailbar die er vrij louche uitzag. De bazin van dit ‘kot’ deed daar overigens niet veel goed aan door aan paniekzaaierij te doen. We moesten oppassen voor mogelijke dieven, maar de enige mensen die er waren buiten ons was zijzelf en de barman. De Pisco Sour werd gemaakt met wodka, wat op zijn minst opmerkelijk was aangezien Pisco zowat het hoofdbestanddeel is van een Pisco Sour. Wodka Sour dan maar? Vreemd. Maar al te vreemd. Daarna gingen we rustig naar het hotel toe. Er bleken geen pillen in onze cocktails gedraaid te zijn. Daar gaat onze sjamanistische ervaring. Iets wat je in Peru blijkbaar ook kan doen. Een andere keer dan maar.

Toen gebeurde datgene wat elke reiservaring zoveel rijke maakte: een spontane ontmoeting met de lokale bevolking. Niet dat we dat eerder niet hebben kunnen meemaken. Maar toch niet zo spontaan als deze keer. Dit kwam door het nemen van de foto’s waar enkele lokale voetballende kinderen mee op stonden. We deden mee met hen en vermaakten ons voor een lange tijd door tegen de bal te trappen. Dat het half twee ’s nachts was en dat deze kinderen nog volop aan het voetballen waren vonden we vreemd. En meer zelfs aangezien zij de dag erna naar school moesten gaan maar blijkbaar was er een familiefeest in de lokale buurtwinkel. We mochten meegenieten van de verjaardagstaart en een donkere Cusqueña, die een lichte fruitige toets had maar wel bitter smaakte. De dames van ons illustere gezelschap dansten met de jongens en de enige man in het gezelschap, ondergetekende, trok de foto’s en genoot van de gemoedelijke sfeer. We gingen laat slapen, nagenietend van deze uitbarsting van spontaniteit. Het is dit soort onverwachte situaties die een werkelijke meerwaarde bieden aan reizen. En dan komt de onvermijdelijke vraag: waarom morgen al vertrekken? Waarom blijf ik hier niet een paar dagen, een paar weken of een paar maanden langer?

Het grijze gewaad van de Salcantay.

Salcantay, 10.45

Omhoog kronkelt ons pad en het begint vermoeiend te worden, maar de overwinningsdrang hunkert en met enkele gepaste stops bereikten we op 4.600 meter hoogte de bergpas! De zak met de laatste loodjes  werd alsmaar bijgevuld. Maar het deerde niet meer. Het zicht op de Salcantay is verbluffend. Na deze inspanning de berg beklimmen, daar ben ik nog niet klaar voor. Hoezeer dat verlangen ook in mij brandt. Wie weet, een volgende keer?

Aan de andere kant van de pas zien we reeds over de berghelling een sluimerende mist hangen  die de namiddag een mystiek cachet zou geven. Vreemd hoe een eenvormig grijs gewaad toch zo fascinerend kan zijn. Het lijkt of de Salcantay ons toedekt met een magisch schouwspel. Ik zie de mist als een entiteit, iets dat een eigen wil heeft en een sierlijke dans met ons voert. De mist leeft en vergezelt ons op het bergpad.

Het berglandschap transformeert nu naar iets heel anders, naar iets sacraals en tijdloos. Alsof ik een tempel betreed, een troonzaal van onbekende goden. Ik voelde iets zachtaardigs in deze intrigerende mistlaag rondwaren dat me gerust stelde. ‘I was so distinctly made aware of the presence of something kindred to me, even in scenes which we are accustomed to call wild and dreary, and also that the nearest of blood to me and humanest was not a person or villager, that I thought no place could ever be strange to me again’ (Henry David Thoreau, Walden).

 

03.08.2010, Perù