TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Plato

Mishima: “hoe is het mogelijk dat ik zo verdomd slecht gepraat heb?”

Noot: Opnieuw in Een zeeman door de zee verstoten van Mishima een stuk gevonden dat me herkenbaar overkomt. Er zijn talloze ideeën die je zelf ten volle begrijpt die je nooit aan iemand kan overdragen. Wanneer je probeert om die kristalheldere gedachten te delen, verwateren ze, ze fragmenteren en zijn slechts een schim van hun werkelijke toestand. Net als in Plato’s ideeënleer is er een onrustwekkende discrepantie tussen wat werkelijk is en de schijn. Taal is in dat opzicht een beperking en we kunnen haar niet gebruiken om tot de diepste en meest ware gedachten door te dringen. We hebben enkel een intuïtief besef van hun bestaan; een allersubjectiefst aanvoelen van een universele waarheid. Raken we haar aan met onze ijdele begrippen, verstoren we de harmonie en gaat alles verloren.

P.

Hij herleefde de avond, af en toe stilhoudend bij een bepaald moment, maar steeds weer opnieuw het spoor van de nacht volgend. Hij nam de moeite niet zich het zweet van het gezicht te vegen en plukte afwezig aan een stukje sigarettenpapier dat aan zijn lip was blijven kleven, terwijl hij in gedachte steeds weer herhaalde: hoe is het mogelijk dat ik zo verdomd slecht gepraat heb.

Hij was er niet in geslaagd zijn ideeën over roem en dood uit te leggen, of het verlangen en de melancholie die zich in zijn borst hadden genesteld, of de andere donkere hartstochten, verstikt in de deining van de oceaan. Telkens als hij over die dingen probeerde te spreken faalde hij. Al had hij zo nu en dan het gevoel niets waard te zijn, soms was het ook alsof iets van de pracht van een zonsondergang boven de baai van Manilla een stralend vuur door hem heen joeg en dan wist hij dat hij uitverkoren was om boven andere uit te steken. Maar hij was er niet in geslaagd zijn geloof over te brengen op de vrouw. Hij herinnerde zich dat ze gevraagd had: ‘Waarom ben je nooit getrouwd?’ En hij herinnerde zich zijn onnozel antwoord: ‘Het is niet zo makkelijk een vrouw te vinden die met een zeeman wil trouwen.’

Wat hij had willen zeggen was: ‘Alle andere officieren hebben nu al twee of drie kinderen en ze blijven de brieven van thuis maar herlezen en bekijken de tekeningen die hun kinderen gemaakt hebben van huisjes met de zon en met bloemen. Die mannen hebben hun kans voorbij laten gaan – voor hen is er geen hoop meer. ik heb nooit veel bijzonders gedaan, maar ik heb mezelf mijn leven lang gezien als de enige ware man. En als ik gelijk heb dan zal eens een heldere eenzame hoorn door de dageraad klinken, en een donkere wolk met licht doorstraald zal omlaag strijken, en de dringende stem van de room zal uit de verte om mij roepen – en ik zal uit mijn bed moeten springen en alleen verder gaan. Daarom ben ik nooit getrouwd. Ik heb gewacht en gewacht, en nu ben ik al over de dertig.’

Uit: Mishima, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Amsterdam: Meulenhoff, 2007, 34-35.

Parmenides’ ontologische keerpunt

Toen Parmenides van Elea zijn filosofische inzichten in een hexametrisch gedicht plaatste was de pre-Socratische filosofie gekomen tot een synthesemoment. Heraclitus probeerde het materialisme van de Milesische natuurfilosofie te combineren met het Pythagorese formalisme. De eerste probeerde de kosmos te verklaren aan de hand van een oerstof, terwijl Pythagoras een mathematische grondstructuur van de metafysica uit de grond stampte. Aan de hand van de haast metafysische oerstof vuur vatte Heraclitus het idee van een goddelijke logos die de wereld bezielt.

Voor Parmenides was de synthesepoging van Heraclitus echter ontoereikend en bracht hiertegen een ontologisch keerpunt in stelling: we kunnen de kosmos enkel begrijpen als een abstract Zijn. Heraclitus’ synthese wordt in Hegeliaanse zin afgewerkt en aufgehoben:  het Zijnde vindt zijn verklaring louter in zichzelf en niet in een materiële, sensibele wereld die toch niet gekend kan worden. Parmenides maakt een strikte scheiding tussen het denken en de zintuigelijke ervaring, respectievelijk de intelligibele en de sensibele wereld. Zie in navolging hiervan ook René Descartes’ scheiding tussen de res cogitans en de res extensa of de fenomenale en noumenale wereld van Immanuel Kant.

De sensibele wereld is een contingente wereld van ontstaan en vergaan, veelheid, beweging en verandering. We kunnen haar ervaren door onze zintuigen, maar het logische denken leert volgens Parmenides dat deze parade van aanschouwingen onmogelijk is om te vatten. Zij is in wezen contradictorisch en daarom is de waarheidsaanspraak van de zintuigelijke ervaring waardeloos. Enkel het menselijke denken kan de waarheid (aletheia) onthullen, en niet het blinde oog, het suizende oog of de radde tong waaruit een mening (doxa) ontstaat. Daarom is enkel het Zijn werkelijk, bereikbaar via het denken.

Tegenover deze opheffing plaatst Parmenides statica en dynamica radicaal tegenover elkaar, wat in zijn gedicht respectievelijk neerkomt op de Weg van de Waarheid en de Weg van de Mening.

De Weg van de Waarheid (aletheia)

De basisstelling van de eerste weg is eenvoudig: het Zijnde is, het niet-Zijnde is niet. Toch heeft deze tegenstelling verreikende consequenties: dit Zijnde is eeuwig, onveranderlijk en ondeelbaar terwijl het niet-Zijnde onmogelijk wordt gemaakt. Veelheid, meent Parmenides, is een logische contradictie. Kijk naar de beweging van A naar B. Het zijnde A en het zijnde B kunnen niet tegelijk zijn en niet-zijn. A kan niet hetzelfde zijn als B, en toch wordt dit beweerd. Volgens de strikte wet van het contradictieprincipe is dit een onmogelijkheid. Onze wereld vol beweging en verandering is dus niet de ware wereld.

De Weg van de Mening (doxa)

De sensibele wereld lijkt dus tegelijk te zijn en niet te zijn en kan daarom niet tot waarheid komen. Dit is de wereld van de Mening, gebaseerd op de zintuigelijke waarneming. Parmenides probeert in dit gedeelte de schijn te begrijpen, maar destilleert daaruit enkel meningen en geen waarheden. Hij loochent immers deze realiteit, omdat zij slechts een soort schim is van de werkelijkheid. Dit doet denken aan de grot van Plato: onze wereld is beperkt tot dansende schimmen tegen de wanden. Het enige zijnsgehalte dat Parmenides de wereld wil vergunnen is die van de droom of hallucinatie.

Tussen Zijn en niet-Zijn … ?

De verhouding tussen de intelligibele en sensibele wereld wordt al snel problematisch. De strikte scheiding tussen Waarheid en Mening is onhoudbaar wegens haar absolute exclusiviteit. Het ene is pure affirmatie en de andere pure negatie. Plato zal in zijn dialoog De Sofist zeggen dat er een relatief niet-Zijn bestaat: zij is immers constitutief voor het Zijn. Daarnaast wordt het contradictieprincipe aangepast, waardoor een veelheid mogelijk wordt. Aristoteles vult dit verder aan: een niet-Zijn is in bepaald opzicht wél een Zijn dankzij het begrip potentie. Een wereld vol beweging is voor Parmenides een schijnwereld omdat niets werkelijk is, maar voor Aristoteles zijn deze niet-Zijnden mogelijke Zijnden; zij gaan van potentie naar act, van niet-Zijn naar Zijn.

… en verderop

Het probleem van de verhouding tussen een sensibele en intelligibele wereld bestaat ook in het moderne denken. We kunnen de bestaande werkelijkheid enkel denken, maar nooit volledig kennen (Kants’ Ding-an-Sich). Daarnaast stuit onze rede ook op onvermijdelijke grenzen en wordt zij door onbewuste krachten beïnvloed (Schopenhauer, Nietzsche, Freud). De Duitse filosoof Martin Heidegger schreef over de ontologische Seinsvergessenheit als een grondtrek van de hele Westerse beschaving sinds Plato. We zijn in die mate gefascineerd geraakt door de Zijnden dat we de vraag naar het Zijn stilaan zijn vergeten. Daarom pleitte Heidegger voor een stap terug naar de grond van de metafysica en naar het gebeuren van het Zijn. Het is immers niet de mens die vat krijgt op het Zijn, maar zij valt ons toe op verschillende manieren doorheen ons bestaan:

„Ob es (das Seiende) und wie es erscheint, ob und wie der Gott und die Götter, die Geschichte und die Natur in die Lichtung des Seins hereinkommen, an- und abwesen, entscheidet nicht der Mensch. Die Ankunft des Seiendes beruht im Geschick des Seins.”

P.

De schalkse landweg van Heidegger

“Het toespreken van de landweg wekt een gezindheid op, die het vrije liefheeft en die tevens op een gunstig punt over de tegenspoed weet te springen naar een laatste schalksheid. Deze weert het onbetamelijke van de loze arbeid, die op zichzelf bedreven louter het nietige bewerkt.

In de met de jaargetijden wisselende adem van de landweg gedijt de wetende schalksheid, waarvan het voorkomen vaak zwaarmoedig lijkt. Dit schalkse weten is het “Kuinzige”.

Niemand verwerft het die het niet heeft. Die het hebben, hebben het van de landweg. Op zijn pad ontmoeten de winterstorm en de oogstdag elkaar, treffen de opwekkende prikkeling van het voorjaar en het gelaten sterven van de herfst elkaar, en merken het spel van de jeugd en de wijsheid van de ouderdom elkaar op. Maar in een unieke harmonie, waarvan de landweg zwijgzaam een echo met zich heen en weer voert, is alles verschalkt.

De wetende schalksheid is een poort tot het eeuwige. Zijn deur draait in de scharnieren, die ooit bij een vaardig smid uit de raadsels van het erzijn (Da-sein) werden gesmeed.”

HEIDEGGER, Martin, De Landweg, Uitgeverij Damon, s.l., 2001, 20-21.

Met het korte werk “De Landweg” heb je de filosofie van Martin Heidegger in een notendop. Vanaf Plato hebben we geprobeerd de werkelijkheid te beheersen met behulp van de rede, maar sinds Nietzsche bleek dit één grote zinsbegoocheling te zijn. Hij heeft de werkelijkheid herijkt van het domein van de kenleer naar pure machtswil. En daar hebben we met onze rede niet veel te zoeken, wist Schopenhauer ons al te zeggen. Het waarheidsgebeuren (aletheia) is daarom iets waar je geen vat op hebt.  Het wordt aan ons gegeven. Wanneer we dus denken en spreken over het Zijn, liggen we zelf niet aan de oorsprong hiervan. Het is immers het Zijn zelf dat ons te denken geeft, zij komt naar ons toe (das Seinsgeschick). Zij is in essentie ongrijpbaar; onbevattelijk.

Wanneer het Zijn gebeurt kunnen we er enkel denkend bij verwijlen, net zoals Heidegger die zich vaak liet verleiden tot een mijmerende wandeling op een landweg in zijn geboortedorp Meßkirch. Een tragedie? We zijn niet meer het autonome wezen dat aan de oorsprong ligt van zijn denken en doen, omdat we ons bevinden binnen een gebeuren dat groter is dan onszelf, aldus Heidegger. Maar zijn we werkelijk ooit dat autonome wezen geweest? Haar abstracte karakter is een verlammende factor gebleken, die afbreuk deed aan de authenciteit van de mens. Het is ironisch dat we, ondanks de post-moderne gevolgtrekkingen van dit besef (radicale historiciteit en contingentie), hierdoor opnieuw een glimp opvatten van het schalkse weten van de traditionele, premoderne mens.

P.

“Een heilig ja zeggen”

“Onschuld is het kind en vergeten, een opnieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging, een heilig ja zeggen”.

Nietzsche, “Van de drie gedaantewisselingen”, Aldus sprak Zarathoestra

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche koesterde een diep wantrouwen in de Westerse rationaliteit en heeft daarmee de fundamenten van de Westerse cultuur genadeloos ontmaskert. De theoretisch-Socratische mens die tot aan Hegel toe het volste vertrouwen legt in de redelijkheid van de samenleving, wordt door Nietzsche ter verantwoording geroepen. Dat God dood is, betekent vooral dat de metafysica en de moraal waarop de gehele Westerse cultuur is gebouwd zonder fundament bestaat. Alle vertrouwen valt weg. De waarheid is dus een ingebeelde constructie, een slavenmoraal die maar greep kan krijgen op de werkelijkheid door deze via de rede te ordenen. Deze geordende werkelijkheid is daarom volgens de filosoof een verarming die het leven ontkende in plaats van het te affirmeren. De werkelijke wereld is eerst en vooral machtswil. Het Kind van Nietzsche accepteert de wereld zoals hij is en is daarom in ieder opzicht de Übermensch:

Onschuld: er is geen goed of kwaad meer, geen gegeven vaste grond, geen uiteindelijk doel. Alle leugen is overwonnen.

Vergeten: de ware en schijnbare wereld is verdwenen. Omdat de wereld als schijn gebleken is, zijn we losgekomen van de wil tot onwaarachtige waarheid. Nu is er perspectivisme, interpretatie in een wereld die ondanks al zijn tegenstellingen wordt aanvaard.

Opnieuw beginnen: het Kind schept bewust waarde en waarheid, hij eigent zich het “recht der heren” toe. Hij wierp de zware mantel van de moraal van zich af om moreel te leven.

Een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging: de lineaire tijdsopvatting wordt opnieuw circulair. Alles keert terug in gewijzigde vorm. De eeuwige wederkeer.

Het heilig ja zeggen: het absurde besef van de zinloosheid van het leven wordt overwonnen, omdat de wereld eindelijk als schijn werd ontmaskerd en zo bevestigd werd. Er is geen reden om hierover defaïtistisch te zijn, hierom moet men lachen.

P.

Manifest

They’re making the last film

they say it’s the best
And we all helped make it
It’s called the death of the West

Death in June, Death of the West

Van nature uit ben ik een optimist met apocalyptofiele neigingen, iemand die zou kunnen dansen op de muziek van het legendarische orkest op de zinkende Titanic. Daarom voel ik me ontzettend aangetrokken tot een cultuurpessimisme van het principe wat zou moeten zijn is er niet; wat is, zou er niet mogen zijn. Intuïtief voel ik aan dat onze tijd uit haar lood is geslagen. Toch zit in de neergang een vertrouwd gevoel, alsof ik in een vroegere bestaansvorm het allemaal al eens heb meegemaakt. Dit maakt deel uit van een cyclus. De neerval heeft daarom veel weg van de herfst onder een gouden oktoberzon. Dan bewaart de Natuur haar meest verbluffende schoonheid voor de laatste momenten; een belofte voor de lente na de winterse stemmigheid; de neerval als een noodzakelijke voorwaarde voor de hernieuwing.

Ik ben geen kamikazepiloot, maar verschrikkelijker dan de dood van het lichaam is de dood van de ziel. Daarom beangstigt de acedia mij: de ontmoediging die zich meester van je maakt en je fataal verlamt. Een soort verinnerlijkte lobotomie die me meesleurt in een overweldigende maalstroom. Leven op automatische piloot; het vermogen verliezen om te verwonderen; deel uitmaken van een vormeloze massa; zelf vormeloos zijn: dat is levensschennis. Plato verklaarde dat de cultivatie van de eigen ziel de hoofdplicht is van iedere mens. Daarom beschouw ik het Zelf niet als iets vanzelfsprekends, maar als een omvangrijke microkosmos waarvan ik de architect ben.

Net daarom wil ik de wereld begrijpen, zodat ik mezelf een positie kan verschaffen. Mijn wereldopvatting is een symbiose van twee verschillende werelden. De eerste bevindt zich in het praktische, intuïtieve veld: de ervaring van het Immense. Vandaar William Blake: if the doors of perception are cleansed, everything appears as it truly is: infinite. Toch is ook de theoretische, kritische ideeënwereld van mijn academische scholing waardevol gebleken. Deze heeft me de zin voor nuance bijgebracht, waardoor ik mezelf heb bevrijd uit dogmatische, enggeestige denkkaders. Het raakveld van het intuïtieve en het kritische is meermaals zeer vruchtbaar gebleken.

Ja, er knaagt iets aan me, alsof een onderhuidse bacil het einde van haar incubatieperiode heeft bereikt. Een dreigende, fatale acedia die de wereld rondom mij reeds heeft aangetast staat klaar om toe te slaan. Daarom dit essay: mijn voertuig van zelfontdekking; mijn wapen tegen de innerlijke onverschilligheid. Ik schrijf het omdat ik lijd aan de filosofische aandoening bij uitstek: de kritische reflex om in mezelf iets ontoereikends te vinden. Daaruit vertrekt een drang naar absolute actie van binnenuit. Voor mij moet een bijzonder doel zijn weggelegd. Toch vertel ik met veel schroom over mijn Weltschmerz. Weet je, het ligt niet in mijn aard zo open te zijn over een innerlijk groeiproces. Want eerlijk gezegd … weet ik in godsnaam niet wat ik met deze bevreemdende apotheose moet aanvangen.

Losbreken uit de droom

“All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

Lawrence of Arabia, The Seven Pillars of Wisdom

Wanneer ik ontwaak word ik vaak overvallen door een eigenaardig gevoel. Er is dan een subtiele substantie aanwezig die niet uit deze dimensie komt. Het is een geur die me prikkelt of een lang vergeten smaak en altijd dat ene onheimelijk gevoel dat ik terug ben van een lange reis. Het is vreemd in een kamer te zijn die je bekend aandoet, maar tegelijk ook onwerkelijk en vals. Links en rechts verdwijnen droomgestalten even snel als ze verschijnen. Ik ben wakker en kan mezelf niet bewegen, noch heb ik invloed op de omgeving rond mij. Behoorlijk benauwend. Is dit een droom binnen een droom? Een illusie die zich rond mij ontvouwt om mij te misleiden? Een angstwekkende fantasmagorie die me onwrikbaar vastzet in een fort dat tot enig doel heeft de architect ervan op te sluiten? Dit noem ik de schemerzone : een raadselachtige mengeling van illusie en realiteit. En dan breek je er plots uit. Het is dat ene moment waarop ik alles beheers en begrijp, hoewel ik het niet onder woorden kan brengen. Het is een existentieel, intuïtief gevoel bij uitstek.

Hoewel hevig beïnvloed door ideologische processen, onbewust geïnduceerd constructiedenken en andere extra-individuele invloeden, ervaren we de wereld vooral als individu, vanuit ons innerlijke zelf. En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande, maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Het is daarom niet noodzakelijk het ware, het goede, het rechtvaardige of het vrije, maar het is wel het mijne en het enige waarvan ik zekerheid heb. Dat is best een bevrijdende gedachte.

Maar waarom dat benauwde gevoel in die “schemerzone” tussen droom en werkelijkheid? Een aangeboren schaamte voor onze vrijheid, die bij ontwaking ligt te lonken? Misschien is vrijheid wel iets angstaanjagends sinds de dood van God:  we zijn tot de vrijheid veroordeeld (Sartre). De wereld is aan zichzelf overgelaten, zonder transcendente referentiepunten. Het was echter niet voor niets dat Nietzsche het van zich afwerpen van deze schaamte als de lakmoesproef van onze bevrijding beschouwde. De vrijbuiter George Hanson, het personage van Jack Nicholson uit Easy Rider, beschrijft de angst voor vrijheid zeer goed:

“Mensen praten en praten en praten over vrijheid, maar zodra ze een vrij individu zien, krijgen ze er schrik van”

De mens is een wandelende paradox: hij verafschuwt heimelijk wat hij samen met de massa naar verlangt. Daarom stelde Nietzsche’s Zarathoestra wellicht de vraag of de mens het wel verdient om vrij te zijn.

De Pelgrim …

Er waart één oergestalte in mij rond: de Pelgrim. Terwijl stripfiguren bij hun innerlijke jihad al-akhbar links en rechts een zilverzuiver engeltje en een rood latexduiveltje zien verschijnen, duikt in mijn verbeelding de witgepijde Pelgrim met Janusgezicht op. De Kamerfilosoof behoedt je voor het Immense, de Hamerfilosoof wil je erin duwen. De mythe van Odysseus illustreert hun samenspel op een formidabele manier. Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing.

De Pelgrim als gestalte komt in vele gedaanten voor, in iedere sociale laag, beschaving, klasse en tijdsspanne. Ik zie hem op het scherm, kom hem tegen in boeken, ervaar hem op reis of ontdek hem in reisverslagen en briefwisselingen. Hij is Jack Kerouac, Alexander Supertramp en Henry David Thoreau maar ook de oermens die de Beringstraat overstak. In deze gestalte erken en ontdek ik mezelf. Hij schaamt zich niet voor zijn aangevatte pelgrimage, maar is behoedzaam om zijn geheim te delen met anderen. Hij weet hoe de hoi polloi reageert wanneer iemand hen wakker schudt uit vastgeroeste inbeddingen en burgerlijke verwachtingspatronen. Nietzsche’s Zarathoestra leek als een dief in de nacht en als hij niet overkwam als een hansworst, waren zijn eerste redevoeringen meteen de laatste geweest. Zijn geheim behoudt hij slechts voor enkelingen die hij waardig genoeg acht.

Kirilov, een personage uit Boze Geesten van Dostojevski, verklaart dat als God niet bestond hij wel uitgevonden werd. Waar dit op duidt is niet moeilijk: iedereen heeft een centrum nodig, een basiswaarde die als fundament dient. Wie het niet in zichzelf vindt, zoekt het wel buiten zichzelf, projecteert dit op een God of iets anders. Kirilov gaat zelfs verder: zonder God is zelfmoord onvermijdelijk. Met dit tragische personage illustreert Dostojevski op een magistrale wijze hoe een bestaan zonder centrum verloren gaat in betekenisloosheid. Op dat moment overwint de acedia. De Pelgrim heeft een centrum, de axis mundi  van zijn bestaan, ontdekt. Dat is zijn absolute ankerpunt.

… en de gesel des Tijds

De Tijd is de grote motor van de maalstroom die geschiedenis heet. Wie er niet willoos door wil worden meegesleurd, moet de Tijd beheersen. De Pelgrim doet dit via de Mythe, een tijdloze werkelijkheid en het zingevende centrum van zijn bestaan. Waar de Tijd voor de moderne, profane mens homogeen is, betekende de Mythe voor de traditionele mens een belangrijke breuk in de Tijd. Deze “heilige Tijd”, in tegenstelling tot de profane Tijd, komt in ritmische intervallen aanzetten, waarin de Mythe telkens wordt herhaald. Door dit besef heb ik iets belangrijks geleerd: de historische, lineaire tijd is niet noodzakelijk de enige realiteit. Er bestaat een heel andere tijdservaring die helemaal niet homogeen en lineair is. Dat maakt dat Tijd een speelveld is, waarvan de spelregels worden bepaald door wie het spel beheerst. Wie zijn Tijd meester is, beheerst zichzelf. Net als de mens is de Tijd iets wat overkomen moet worden. 

In een van de beginscènes van de cultfilm Easy Rider gooit Henry Fonda, een Pelgrimsgestalte bij uitstek, zijn horloge nonchalant weg na een laatste keer naar het uur te kijken. Deze handeling symboliseert een bevrijding van de homogene Tijd. We hebben onszelf een streng regime opgedrongen. Eén dat alle gevoel voor kwalitatieve tijdsbeleving verdoofde en ons een valse spiegel voorhield. De Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade merkte op dat de Tijd niet alleen seculier geworden is, maar zich ook onafwendbaar naar de dood neigt. Fonda mijdt de acedia en gooit zijn horloge, vertegenwoordiger van deze doorgedreven Tijdsgedachte, weg. Hij bevrijdt zich daardoor van de maalstroom. Het weggooien van de horloge impliceert een terugkeer naar de kwalitatieve, innerlijke tijdservaring, zoals deze door traditionele volkeren werd beleefd.

Fonda’s personage creëert een breuk in de Tijd door de Mythe aan te wenden. Zij geldt eveneens als een transcendent referentiepunt van binnenuit. In de jaren ‘30 klom de Italiaanse traditionalist en alpinist Julius Evola vaak in de Alpen. Op een van zijn expedities verbouwde hij samen met een aantal kameraden een oude berghut naar een kleine nachtclub, waar hij op een grammofoon jazzplaten speelde. Rum en kirsch worden bovengehaald en in een dronken roes besluiten ze naar buiten te gaan. Wanneer ze het bevroren bergmeer betreden worden zij getroffen door iets subliems, dat de meest primordiale aard van hun bestaan doet ontwaken. Op deze onverbiddelijke plek, waar het tweeëntwintig graden vriest, de vallei diep-zwart afsteekt tegen de witte kronen van de bergreuzen en het krakende bergmeer onder zijn voeten angst en verwondering verwekt, ervaart de Italiaan een moment dat het leven overstijgt. Door grenservaringen op te zoeken wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren aan het individu.

In 1935 zag de Lierse letterkundige Ernest Van der Hallen zich genoodzaakt om het verstikkende Europa te verlaten en reisde als moderne pelgrim doorheen Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar zocht en vond hij het gevoel het leven te beheersen. Toch laat hij in zijn reisverslagen regelmatig teleurstellingen optekenen, wanneer hij in de voetsporen treedt van Christus in het Heilige Land. Wanneer hij in de kapel van Sint-Helena aan de Golgothaheuvel een misviering bijwoont, wordt deze ruw verstoort door “een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd”. Door deze ervaring legt hij zeer nadrukkelijk de vinger op de wonde: de genius loci, de ‘ziel’ van de plek, wordt aangetast door de profane wereld. De dood van God heeft de Mythe fragiel gemaakt. Zij valt niet meer structureel te ervaren, enkel existentieel. 

Harmonie van Pen en Zwaard

In de Tantrafilosofie is theorie zonder actie (kriya) waardeloos, ijdel en vaag. De Wang Yangmingschool uit het vijftiende eeuwse China gaat zelfs verder. Actie was geen gevolg van de theorie, maar een noodzakelijke voorwaarde om kennis te verwerven. Iedere kennis die pas later werd omgezet in actie was vals en waardeloos: “weten en niet handelen is niet-weten”. Over consistent denken en handelen gesproken! Zoroaster, de Perzische wijsgeer, stelt het heel eenvoudig: “Juist denken, juist spreken, juist handelen”. Niet zo eenvoudig als het lijkt. Een idee ondergaat heel wat invloeden en tegenwind wanneer het in de praktijk wordt omgezet. Soms lukt het gewoon niet om een idee te actualiseren, omdat de omstandigheden er op dat moment niet – en misschien zelfs nooit – naar zijn. In zulke situaties overvalt de neerslachtigheid je. Je denkt misschien dat je in de verkeerde tijd bent geboren, dat je deel uitmaakt van een generatie die vele jaren of zelfs eeuwen geleden bestond. Het noodzakelijke draagvlak ontbreekt om iets voor jezelf te betekenen. En zo lijkt de wereld om je heen de uiteindelijke overwinnaar.

Maar wat als de wereld om een ideaal heen kan worden gebogen? Wat als het ideaal een onbewogen beweger was, het centrum van de wereld? Zou dat geen wonder zijn? In het Hossoboeddhisme is er een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd bleek hij uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij het: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? Als je ervan uitgaat dat de wereld zoals wij die kennen een subjectieve creatie van onze eigen geest is, lijken de mogelijkheden van het proces van idee naar praktijk plots minder nadelig voor het idee te zijn. De menselijke geest geeft de wereld een betekenis.

Hierbij heb ik de grenzen aardig verlegt, maar waar stopt het? Als er een ding is dat ik heb geleerd in mijn zoektocht, dan is dat blindheid je grootste vijand is. Je moet nuance kunnen aanbrengen zonder daarom noodzakelijk water in de wijn te doen. Je kan grenzen verleggen, maar daarbij verleg je ook een aantal verantwoordelijkheden. Net daarom is zelfkennis zo belangrijk. De subjectieve waarneming van de wereld maakt niet dat je deze volledig naar je hand kan omzetten. Conventies bestaan bijvoorbeeld om de onderlinge handelingen tussen mensen te vereenvoudigen. Het is niet omdat de wereld een creatie is van je eigen geest dat geld plots geen waarde meer heeft, dat verkeerslichten zinloze dingen zijn en dat geweld een middel is om aan anderen je wil op te leggen. Dat is waanzin. Wie continu tegen de stroom ingaat, bevindt zich snel in een tragische affaire. Een andere optie moet mogelijk zijn.

De Tijger

 

“De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”

Nietzsche, Zarathustra

“Dit is een strijd voor de moderne mens, die geen wortels meer heeft in de heilige grond van de traditie en weifelt in zijn zoektocht naar zichzelf tussen de pieken van beschaving en de afgronden van de barbarij, om een bevredigende betekenis te vinden voor een bestaan dat volledig aan zichzelf overgelaten is”.

Robert Reininger

Wie erin slaagt een tijger te berijden voorkomt niet alleen dat hij erdoor wordt aangevallen, maar krijgt ook een kans om deze te verslaan, zo luidt een Oosters gezegde. De tijger symboliseert de maalstroom, die te krachtig is om frontaal te worden geconfronteerd. Op basis hiervan kan een gedragslijn ontstaan voor mensen in een wereld die, na de dood van God, aan zichzelf is overgelaten. Voor de moderne mens, in de wereld geworpen (i.e. Geworfenheit),  komt het erop aan om een positie te vinden waar hij in zichzelf vaste grond vindt. De innerlijke migratie rechtvaardigt een autonoom bestaan. De negatieve anomie van de maatschappij kan daardoor worden omgebogen naar een positieve anomie voor de persoon: de moraal vernietigen om moreel te kunnen leven. Op een dialectische wijze kan de negatie van een negatie immers iets positiefs opleveren, bij wijze van een vrije ruimte voor ontwikkeling.

Dat is dan de aard van mijn levensspel, maar het vragen houdt niet op. Hoe ga ik om met de uitdagingen die het leven mij biedt? Hoe blijf ik trouw aan mezelf? Hoe behoud ik mezelf zonder te worden gestandaardiseerd of geconditioneerd? Hoe word ik mezelf? Al die vragen zijn existentieel van aard. Er bestaat geen algemene handleiding die me daarbij kan helpen. Dit essay markeert mijn positie in het veld, maar is verre van een zaligmakend Schrift. Het is veeleer een momentopname, een palimpsest dat regelmatig moet worden bijgesteld. Toch biedt het houvast tijdens de weifelende zoektocht naar mezelf; biedt manieren om de tijger te bereiden en mezelf te kunnen worden en zijn. Om geen slapend wezen te zijn dat willoos wordt meegesleurd door de maalstroom, maar iemand die zijn Tijd en zijn leven kan beheersen. Daarin ligt mijn nakende apotheose. Ironisch lijkt de zoektocht naar betekenis dus de zin van mijn bestaan te zijn.

Wind en rook

“Adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Ik bevind me in het Letterenhuis van Antwerpen. Verderop een eenzame oudere baliebediende die een krant doorneemt, maar verder niemand. Er hangt een nostalgische zoete houtgeur die typisch is aan plaatsen waar oude boeken en manuscripten rusten. Voor mij ligt de briefwisseling van Ernest Van der Hallen verspreid over de tafel, waar hij aan een vriend zijn ervaringen in het Ruusbroechuisje in het Lierse Begijnhof toevertrouwt. Hij schreef over de winterse stemmigheid van het Begijnhof, waar hij wilde ‘schreeuwen van weelde’. In zijn brieven herken ik dezelfde vragen, dezelfde grieven en dezelfde verlangens die ik heb. Van der Hallen was een Pelgrim, net als ik. Evenveel als Jack Kerouac, Alexander Supertramp, Thoreau en Henry Fonda in Easy Rider. Zij gingen het gevecht met de tijger aan. De ene won. De andere verloor. Maar allen kunnen werkelijk zeggen dat ze hebben geleefd.

De Pelgrim is de voorouderlijke zwerver die uit de oertijden tot mij is gekomen en tot mij spreekt. Wie ooit de eindeloze woestijn of de eeuwige sneeuw heeft gezien, kan bij thuiskomst plots zo worden gegrepen door de lust naar het avontuur dat hij alles laat vallen ter wille van zijn Fernweh. Hij heeft daarginds ‘iets’ ontdekt en indrukken opgedaan die hij voordien nergens vond. Noem het een melancholisch verlangen, maar ik heb een stille wens naar eenzame landwegen, waar de Natuur kan worden ervaren in zowel haar metafysisch oergeweld als haar overweldigende rust en vertrouwdheid. Dan ontwaken de levensgeesten met kracht en voel ik zowel bruisende levensbeheersing als eenvoudige Gelassenheit. Deze magische grenservaring heb ik nergens duidelijker beschreven gezien als in Op de Marmerklippen van de Duitse schrijver Ernst Jünger, waar ik eindig in schoonheid en verwondering:

“Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes […]. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotse rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen in hen de wijnbergen, met schrik én diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook’.

P.

Het onbewogen koningschap en de revolte

[…]

Als startpunt gebruiken we het Hindoedenkbeeld van de cakravartin, of “universele koning”. De cakravartin geldt als een archetype van de koninklijke functie, waar verscheidene koningen, die aan het traditionele principe voldoen, min of meer complete beelden of zelfs bijzondere uitdrukkingen van vertegenwoordigen. Cakravartin betekent letterlijk “heer” of “spinner van het wiel”. Dit denkbeeld brengt ons terug naar het idee van een centrum dat ook aan een innerlijke staat, een manier van Zijn of, beter, dé weg van het Zijn, beantwoordt.

In feite symboliseert het wiel ook de samsara of de stroom van het worden (de Hellenen noemden dit het “wiel van de generatie” of “het wiel van het Lot”). Zijn bewegingsloos centrum duidt op de inherente spirituele stabiliteit van zij die niet door deze stroom worden beroerd en die de aan de inferieure aard verbonden energieën en activiteiten kunnen organiseren en onderwerpen aan een hoger principe. Dan verschijnt de cakravartin als de dharmaraja, de “Heer van de Wet” of “de Heer van het Wiel van de Wet”. Volgens Confucius: “Het overheidsbedrijf via deugd kan vergeleken worden met de poolster, aan wie de menigte sterren hulde brengen terwijl deze op zijn plaats blijft”. Daar komt ook de betekenis van het concept “revolutie” vandaan, de beweging rond een “onbewogen beweger”, hoewel het vandaag in de moderne wereld synoniem is geworden met subversie.

In deze zin neemt het koningschap de rol van een “pool” aan, door te verwijzen naar een algemene traditionele symboliek. We herinneren ons hier dat […] Plato verwijst naar de plaats waar Zeus beraadslaagt met de goden om een beslissing over het lot van Atlantis te treffen: “Hij riep dus alle goden op naar zijn meest glorieuze verblijfplaats, dat in het midden van het universum staat en uitkijkt over het gehele veranderlijke rijk”. Het bovenvermelde denkbeeld van de cakravartin is ook verbonden met een cyclus van raadselachtige tradities over het werkelijke bestaan van een “wereldcentrum”, […]. Sommige essentiële koningschapssymbolen hadden oorspronkelijk een nauwe verbondenheid met deze ideeën. Een van deze symbolen was de scepter, waarvan de voorname functie analoog verbonden was met de “wereldas”. Een ander symbool is de troon, een “verheven” plaats; stilzitten op de troon evoceert namelijk, in aanvulling op de aan de “pool” en “onbewogen beweger” verbonden betekenis van stabiliteit, overeenstemmende innerlijke en metafysische betekenissen.

[…]

~

Julius Evola in Rivolta contro il mondo moderno (III, Polaire symboliek; de Heer van Vrede en Rechtvaardigheid)