TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Politiek

Chesterton: een en ander

“The whole modern world has divided itself into Conservatives and Progressives. The business of Progressives is to go on making mistakes. The business of Conservatives is to prevent mistakes from being corrected. Even when the revolutionist might himself repent of his revolution, the traditionalist is already defending it as part of his tradition. Thus we have two great types — the advanced person who rushes us into ruin, and the retrospective person who admires the ruins. He admires them especially by moonlight, not to say moonshine. Each new blunder of the progressive or prig becomes instantly a legend of immemorial antiquity for the snob. This is called the balance, or mutual check, in our Constitution.”

Verkiezingen in de verte, gerommel in de marge? Kijk hierboven naar Chesterton, het grote onderscheid. Maar spreken we vandaag nog over conservatieven en progressieven? Zijn de scheidslijnen duidelijk afgebakend in het illustere spel dat staat te beginnen? In een post-ideologisch tijdperk lijkt alles waardeloos; de verleiding van het zoete slapen in de comfort zone is te groot. Waar is het hunkeren gebleven van verzuilde tijden? Alles lijkt hetzelfde. Vallen de sluiers weg, dan kent ons ons toch zeker wel?

De ene noemt de andere idioot, de andere verklaart de ene voor zot. Wat als beide het zijn? Ik weet nog hoe het machtsspel me eertijds bekoorde, ofschoon ik nooit het engagement heb aangegaan mijn ziel aan de duivel te verkopen. Mephistoteles heeft een blauwtje gelopen. Toch dwingt een mens zichzelf onder te dompelen in de woeste baren van de politieke hak op de tak, de waan van de dag en een schoon Idee. Uiteindelijk ben ik de tegenpool van de andere, de onderstroom van een grote rivier die onafwendbaar naar de monding toestroomt.

P.

Advertenties

Zwanzen, halal en Odysseus

Ik zie ze daar al aankomen met een paar open Zwanblikjes op het schoolterrein. Verderop een smeulende barbecue en een ontspannen klas tijdens hun multiculturele “inlevingsweek”. En dan vliegen de worsten in het rond. Dit is een van de vele initiatieven om leerlingen kennis te laten maken met de vele facetten van de maatschappij waar zij later over zullen heersen of erdoor overheerst zullen worden. Een halalbarbecue was een van de onderdelen van deze week en dat was duidelijk niet naar de zin van het Vlaams Belang. Dat was natuurlijk niet te verwonderen, wie de antihalalactiviteiten van deze partij en aanverwante organisaties een beetje volgt.

Wie op deredactie.be de hele discussie tussen Kathleen Cools en Filip Dewinter volgt moeten twee zaken toch wel duidelijk opvallen: de afkeer van Cools voor wat Dewinter heeft gezegd en de opvallende gelijkenis van Dewinter met het “internetmemewerkwoord” trolling.  Je hoeft geen genie te zijn om de inconsequenties in Dewinter zijn discours op te merken: de man ziet problemen waar hij ze wil zien en zegt dan triomfantelijk en met zijn kenmerkende grijns: “…. maar dit is de realiteit”.

Wat je hem wél moet nageven is het volgende: voor de kost van een aantal Zwanblikjes krijgt zijn partij de volle aandacht in kranten en de media. Voor diezelfde mate van publiciteit zou je als partij honderdduizenden euro’s moeten ophoesten. We zitten natuurlijk aan de rand van een bijzonder folkloristisch evenement: bollekeskermis! Tussen nu en enkele maanden gaan we nog meerdere tweets brutaal uit de context gerukt zien worden en gaan we muggen zien ontpoppen tot olifanten. Om nog maar te zwijgen over nakende stormfronten in glazen water. Uiteindelijk draait alles in deze periode om het bedrijven van politieke propaganda. En niet om de eigenlijke inhoud van het politieke debat. Een markant verschil.

We moeten ook niet rond de pot draaien: inlevingsweken en vakken als “levensbeschouwing” of “levenssleutels” zijn manieren om kinderen en jongeren in een bepaalde maatschappijvisie te duwen. De ene kan het “door de strot rammen” duwen, de andere beschouwt het als noodzakelijk als voorbereiding om hun kroost op te zien groeien als verantwoordelijke burgers. Het is een beetje van beide, natuurlijk. Maar dat hangt allemaal af hoe u precies benepen bent: progressief of conservatief?

Eigenlijk is de hele inbedding van een individu in een maatschappij een proces van kleinburgerlijke dwangmatigheid met een snuifje vrije wil. Naar gelang de opvoeding hebben ouders een vrije hand in een aanzienlijk deel van het leven van hun kind. Het zou niet voor de eerste keer zijn dat iemand afscheid moet nemen van vrienden omdat zijn of haar ouders hen als “ongepast” beschouwen. In vele gevallen is de opvoeding een manier om het trauma van hun leeggelopen dromenvat te sublimeren door dat van hun kind te vullen met hun verloren dromen. Het kind als een idealistisch opvoedingsproject of godbetert een siliconen bouwwerf in bepaalde Amerikaanse kringen.

Anderzijds zijn maatschappelijke conventies absoluut noodzakelijk om normaal te kunnen functioneren in een maatschappij. Je kan je blijven weren als een duivel in een wijwatervat, maar soms is het beter je te houden aan de regels. En dit is allesbehalve een oproep tot algehele capitulatie aan de kleinburgerlijkheid. Als Odysseus het had gewild, zou hij tegen alle wetten in de zee in zijn gesprongen om door de Sirenen verscheurd te worden. Hij koos er echter voor zich te ketenen aan de mast van zijn schip. Hij zei tegen zijn manschappen om was in hun oren te doen, zodat ze gewoon konden doorwerken zonder verlokt te worden door de Sirenen. Hij deed dit niet. Op die manier kon hij vanuit zijn ingebedde staat van de Cultuur de ontzagwekkende roes van het Immense ervaren, die werd gesymboliseerd door de Sirenen.

Maar wacht …

Wat heeft Odysseus nu te maken met Zwanworstjes, halal en het Vlaams Belang? Niets. Helemaal niets eigenlijk. En toch wel alles. Want net als de uitspraak dat alle wegen naar Rome leiden impliceert dat iedere weg wel ergens heen leidt, impliceert het debat dat nu voor een korte tijd woedt op een veel essentiëlere levensvraag, die krioelt onder de huid van iedere benepen discussie over dagjespolitiek en pseudo-imposante borstklopperij van vergankelijke aard: wat vangen wij in godsnaam aan met onze vrijheid?

P.

Kali Yuga on the streets of London

Dit opiniestuk mag overgenomen worden mits bronvermelding, door eender wie.

Toen een betoging tegen politiegeweld na de dood van Mark Duggan uitdraaide op geweld had niemand gedacht dat Londen en andere grootsteden zouden veranderen in een wetteloze oorlogszone. Het leek uit het niets te komen. Out of the blue. En toch broeide er al jaren iets. Een kruitvat dat steeds dichter en dichter bij een uitbarsting kwam. Men onderdrukte hier en daar het kruitvat, probeerde de dop terug vaster te schroeven tegen beter weten in. Nu lijkt er geen houden meer aan te zijn. De dijken zijn doorgestoken, een vloedgolf van geweld overspoelt de Britse grootsteden. De schade loopt op in de miljoenen euro’s, dagelijks worden nieuwe winkels bestolen en in brand gestoken. De beelden zijn hallucinant, maar toch moet er een logica te vinden zijn achter deze storm van geweld. De stroom aan informatie is te groot, de stroom aan desinformatie mogelijk groter.

Sommigen beschrijven de “Londense Zomer” als een variant op de “Arabische Lente”. Dit lijkt bij de haren gegrepen te zijn. Er zijn gelijkenissen: woede op een gebrekkig systeem, weinig toekomstperspectief en een hoge werkloosheid onder de jeugd. De opstanden in het Midden-Oosten hebben een positief doel voor zich: zicht op hervormingen en het verdwijnen van een onderdrukkend systeem. Het Midden-Oosten ontwaakt. Het geweld in Londen is van nihilistischer aard. Een “eindtijd”-geweld, lijkt het wel: absurd, waanzinnig en immoreel. Er lijkt geen ideologisch verhaal aan gekoppeld te zijn. Mensen komen niet in opstand voor iets, zoals men dat doet in het Midden-Oosten. Men kiest geen banken, overheidsinstellingen of multinationals als doelwit. Alles en iedereen moet eraan geloven. De totale Leegte kijkt ons, de verbouwereerde toeschouwers, recht in de ogen.

Toch is er een logische oorzaak te vinden. Her en der hoort men kritiek op het besparingsbeleid van de overheid, “dat […] onlusten kan uitlokken op een schaal die we sinds het begin van de jaren 80 niet meer hebben gezien” (Nina Power, DS, 10/08/2011). En daar heb je het. De grondslag van het kruitvat ligt wellicht aan de sociale omstandigheden in de wijken waar het vuur ontstoken is. Het samenspel van een lage sociale mobiliteit en de als onrechtvaardig ervaren politieoptredens hebben een bijzonder explosief mengsel opgeleverd. Dit was ook de oorzaak van de befaamde rellen in Los Angeles in 1992. De dood van Mark Duggan was de spreekwoordelijke druppel. Er waren al meer klachten van onrechtmatig politiegeweld. Er hoeft echter geen ideologisch verhaal te zijn om dit soort geweld te ontketenen. Er staan geen revolutionairen op de barricaden die de Internationale zingen. Het geheel kan en zal ongetwijfeld geïdeologiseerd worden, maar dat gebeurt door de mensen in gezellige partijbureaus, journalistieke redactiekamers en op academische conferenties. De mensen die op straat gaan en deel uitmaken van de geweldorgie zullen in twee hokjes opgedeeld worden: proletarische achterban/verworpenen der aarde of uitschot van het ergste soort/product van een mislukte multiculturele maatschappij. Aan u de keuze.

Het probleem is niet alleen sociaal, maar ook politiek. Deze heeft gefaald, net als in andere Europese landen. Links maakt sterke analyses over sociaal onrecht, maar weet niet waar het vuur ontbrandt of wat te doen indien dit gebeurt. Rechts maakt geen analyses, negeert de sociale context, maar voorspelt wel rellen, en kiest voor de repressie om de dop terug op het kruitvat te schroeven. Een sterkere dop, die een nieuwe ontploffing uitstelt. En zo zit men in een vicieuze cirkel, een wijwatervat waarin een retorische duivel tekeer gaat. Verwijten vliegen links en rechts. Voor eerlijkheid en zelfkritiek is er geen ruimte, de hedendaagse politiek is moreel corrupt. Terwijl de muffig geurende praatpaleizen met hoogdravend gezwets worden gevuld in het voordeel van politieke agenda’s, broeit er iets in de straten. De riool loopt onder alle straten en wijken, maar de stank onder het parlement moet op dit moment weerzinwekkend zijn.

Maar waarom het willekeurige geweld? Waarom de massieve plunderingen en vernietigingen? Kunnen er geen betogingen worden gedaan, of een duidelijk manifest geschreven worden waarom men dit doet? Sommige luchtbeelden zijn niet anders dan die van de London Blitz tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitse Luftwaffe massale bombardementen uitvoerde op Londen. Een collectieve walging ontstaat bij het lezen van verhalen over mensen die verplicht worden te strippen om hun kleren. Wat is het nut daarvan? En hoe kunnen we het verklaren? Het is te eenvoudig om het geweld af te doen als “zinloos”, “weerzinwekkend” en “opportunistisch”. Dat is de emotie die het overneemt. Geweld is zelden zinloos. Dat wordt ook gezegd in een blogpost van “Penny Red”. Het geweld mag zelfs absurd lijken in de ogen van zij die de brand aansteken, “but the politics are there”. Iedere keer wanneer mensen in opstand komen ontstaat er een omkering van de macht. Of liever gezegd: een machtsvacuüm. Diegenen die aan het rellen zijn hebben nu een ongebreidelde vrijheid om alles te doen wat normaal gezien niet mag. Er is geen sociale controle of geen overheidscontrole meer. Via geweld daagt men de autoriteiten uit. Ritueel geweld, noemt men dat in academische kringen. Oud als de straat.

Krachtig verwoord in het artikel van Penny is het volgende: als tweeduizend mensen een vreedzame mars doen tegen politiegeweld hoort niemand er iets van. Als tweehonderd mensen na een vreedzame optocht tegen politiegeweld plotseling beginnen te rellen, springt de pers erop als vliegen. Maar dit is geen probleem van een moreel gecorrumpeerde media. Dit is een typisch menselijk gedragssymptoom. Wij hunkeren naar geweld en misdaad, meent Dostojevski in zijn meesterwerk De Broers Karamazov: “Iedereen voelt zich aangetrokken tot de misdaad en niet alleen maar bij momenten, maar altijd. Weet u, de mensen hebben eens onderling afgesproken om daar niet voor uit te komen en sindsdien liegen ze allemaal of het gedrukt staat. Iedereen zegt dat hij het kwade haat, maar innerlijk zijn ze er allemaal gek op”. En die hunkering naar misdaad wordt duidelijk als ook universiteitsstudenten, grafische vormgevers en jeugdwerkers worden opgepakt wegens plunderen. Het plunderen wordt dus niet alleen door de geproletariseerde en gedesillusioneerde lage sociale klassen gedaan, maar ook andere sociale lagen doen er gretig aan mee. Dit illustreert de lage sociale samenhang van de hedendaagse samenleving in die steden.

Wie de Visnu Purâna leest, onderdeel van de Hindoeïstische heilige geschriften, komt een beschrijving tegen van de Kali Yuga. Mensen zullen meer en meer verlangen naar materiële weelde, ongerechtigheid viert hoogtij en er is geen plaats meer voor orde en structuur. Broeders en zusters keren zich tegen elkaar en zijn respectloos; zij zullen trouwloos zijn en onbeschaamd diefstal plegen en moorden; … De straten van Londen branden niet alleen, maar vormen een kleine experimentele kosmos. Een eindtijd in het klein, waar chaos overheerst. Soms zijn aardbevingen nodig om vervallen fundamenten te veranderen. Deze kleine Kali Yuga kan een leermeester zijn voor toekomstige generaties Britten.

Het einde van de blog van Penny stelt me wel wat teleur. Ik hoopte dat zij een wondermiddel had klaargestoomd om het broeiende kruitvat te ontvetten. Het gevaar weg te nemen. Of toch een kleine hint naar een werkbare oplossing, een blauwdruk. Helaas. Het einde bevat teveel naïef Kumbaya-gehalte in de trant van “Laten we de handen in elkaar slaan, de haat en vooroordelen opzij zetten en voor eens en voor goed beslissen welke toekomst we tegemoet gaan!”. Misschien te wijten aan de jeugdige leeftijd van de blogster, hoewel ze mijn leeftijd heeft. Of ik ben gewoon een cynische oude zak. Sorry, Penny.

P.

PS: van Satya Yuga naar Kali Yuga:

“Kunt u het kort houden?”. De problematische aard van ons eigen fantasme.

Volgens de Sloveense filosoof Slavoj Žižek was de film The Truman Show uit 1998, waarin het hoofdpersonage leeft in een fictieve geïdealiseerde maatschappij, een voorbeeld hoe het laatkapitalistische Californische consumentenparadijs in zijn hyperrealiteit[1] eigenlijk onwerkelijk is. De ontwerkelijking zette zich voort na de ineenstorting van de WTC-torens: het contrast tussen de steriele ‘Coca Cola-idylle’ en de ‘woestijn van de werkelijkheid’, namelijk de reële Derde Wereld, bleef behouden. Wat de ramp op 11 september had kunnen veranderen in de ‘Eerste Wereld’, werd gewoon voortgezet: de afstand tussen Wij en Zij bleef absoluut. De entertainmentwereld speelt hierin een grote en belangrijke rol, waardoor Peter Sloterdijks idee van de illusoire ‘sfeer’ wordt verwerkelijkt. Sciencefictionfilms als Logan’s Run anticiperen op de postmoderne maatschappij door een geïsoleerde groep af te beelden die een steriel leven leidt, maar wel streeft naar de ervaring van de werkelijke wereld. Deze drang wordt gekanaliseerd door de entertainmentwereld met gewelddadige films. Toch weekte 9/11 iets los: de illusoire ‘sfeer’ waar Sloterdijk over sprak werd gepenetreerd door iets ‘reëels’; de ‘werkelijkheid’, vaak slechts een spookbeeld voor vele Westerlingen op het televisiescherm, drong binnen in onze ‘eigen sociale werkelijkheid’.

Shit just got real. Trumans' 9/11 moment.

Sinds de ontzuiling intrad, begon de entertainmentwereld een belangrijke rol te spelen in het dagelijkse bestaan van de westerling. Binnen deze omwenteling ondervond ook de journalistiek een belangrijke transformatie. De ontzuiling gaf meer ademruimte aan de media, die de kans kreeg om zich los te weken van de dominante Moederpartij, commerciële ontwikkelingen boden lucratieve kansen en de journalistiek ontwikkelde zich veel breder dan voordien. De krant van vandaag is iets onwezenlijks voor iemand uit het interbellum. De ontvoogding van de media, zeker in de Belgische context, leidde tot de vorming van mediaconglomeraten. Vele nieuwskanalen zijn vandaag in handen van de bedrijven die ook entertainmentkanalen in de hand hebben. Naast de aloude aanwezigheid van politieke belangen komen ook commerciële belangen in het grote speelveld van de media en dus ook de journalistiek.

De vraag stelt zich of de journalistiek niet teveel bijdraagt aan het behoud van de illusoire ‘sfeer’, die Žižek problematiseert. De ‘Vierde Macht’ is immers zelf een machtsinstelling die de grootste invloed heeft op de publieke opinie, ongetwijfeld een enorme verantwoordelijkheid. De vermenging tussen de reclame- en entertainmentwereld met de journalistieke wereld wordt als zeer problematisch ervaren, stelde Rik van Cauwelaert (directeur van het weekblad Knack) onlangs op een mediadebat. De betrouwbaarheid van de media lijdt hieronder en het onderscheid tussen goed verkoopbaar nieuws en goed nieuws wordt vaak genegeerd. Optimisten geloven dat de mediawereld, vrijgemaakt van verzuiling en paternalistische betutteling, net als de vrije markt zichzelf zal corrigeren. Gekleurde zenders als Fox News Channel bestaan, maar er bestaan ook genoeg andere, meer objectieve en kwalitatieve nieuwsbronnen op de markt. Foutieve informatie wordt zo dus meteen afgestraft en gecorrigeerd door alternatieve nieuwsbronnen. Maar staat de gemiddelde mediaconsument wel zo kritisch tegenover de bronnen en kan deze zich ontvoogden van zijn toegeëigende mediaconsumptiegewoonten? Idealiter zou men kunnen stellen dat het massapubliek een kritisch wezen is dat zelf fungeert als een democratisch orgaan. Toch botst dit met de realiteit: het is utopisch te geloven dat iedere burger zich zal inspannen en evenveel zal bijdragen aan een kritische publieke opinie. Daarom is het de belangrijkste taak van de journalistiek zelf om ervoor te zorgen dat de commerciële belangen niet in de weg staan van degelijke nieuwsberichtgeving.

De ‘illusoire sfeer’ herinnert aan de ‘enclavistische’ verstandhouding die Britse antropologe Mary Douglas onderscheidt. Deze verstandhouding gaat uit van een sterke Wij-Zij tegenstelling, waarin de eigen groep wordt beschouwd als een veilige zone met een officiële cultuur. Typerend hieraan zijn televisie- en radioprogramma’s met een sterke ons-kent-ons-mentaliteit, waarbij gezelligheid en vrolijkheid de politieke berichtgeving “plebejiseert”. Op deze manier wordt zowel de journalistiek als de politiek gebracht naar een niveau waar het helemaal niet hoort te zijn. Dit is een belangrijk gevolg van de omvangrijke invloed van de entertainmentwereld: er is geen plaats voor serieuze nuanceringen en de diepgaande analyses op de drukbezochte media. Het debat op Terzake, toch een van de meer serieuze duidingprogramma’s, tussen een Gentse professor en de woordvoerder van Field Liberation Movement op 30 mei 2011 was bedroevend kort en weinig duidend. “Kunt u het kort houden, professor?” vroeg Lieven Verstraete, “anders zijn we te wetenschappelijk bezig”. Deze teneur is problematisch. Programma’s als Basta die hun verdienste hebben wanneer ze schandelijke praktijken aan het licht brengen, wekken dan weer de indruk dat onderzoeksjournalistiek alleen maar bekend lijkt te worden bij het grote publiek wanneer het ‘leuk’, ‘ludiek’ en ‘humoristisch’ gebracht wordt.

Slavoj Žižek

De vraag om het verschil tussen de journalistiek en de entertainmentsfeer draait om de  aanwezigheid van deze ‘illusoire’ sfeer. Er treedt belangenvermenging op die op zijn minst deels te maken heeft met de gevolgen van de ontzuilde maatschappij. Spreken we van een maatschappij in verval, als we de beschavingsdenkers uit de twintigste eeuw erbij nemen? Er is zeker sprake van een toenemende trivialisering in de journalistieke wereld: het imago van een politicus hangt vaak niet meer af van zijn doen en laten in het parlement, maar zijn ‘market credibility’ en het daarop volgende doen en laten in de mediawereld. Er is een asverschuiving aan de gang en niet in de goede richting. Wezenlijke veranderingen zijn nodig, maar het invoeren van meer regelgevingen of controleorganen zijn slechts van repressieve aard en wellicht ook niet wenselijk. Het gaat veeleer om een mentaliteitsverandering, die uitgaat van een wezenlijk beschavingsideaal en een verzet tegen de algemene apathie, myopie en inertie van de maatschappij. De pers kan die verantwoordelijkheid op zich nemen. De vraag is of dit binnen de huidige maatschappelijke context kan. Is de onwerkelijkheid ervan niet te gebetonneerd? Is de menselijke component, het doelpubliek van de pers, niet te verslaafd aan dit levensgroot fantasme?

P.


[1] Volgens Žižek hét bepalende kenmerk van de postmoderne maatschappij.

De politieke filosofie van Niccolò Machiavelli – omwenteling

 Het denken van Niccolo Machiavelli (1469 – 1527) betekende ongetwijfeld een keerpunt in de politieke filosofie. Hij rekende af met de Aristotelische teleologische denktraditie die het politieke denken domineerde. Hier stond politiek in het teken van het morele keurslijf van de ‘bonum commune’, dat een religieus keurslijf had gekregen door de Kerk. Zij kwamen samen in de christelijke theologie. Hierdoor moest Machiavelli afrekenen met zowel de Kerk als met de gangbare politieke filosofie die grotendeels op de antieke filosofen was gebaseerd. De bedoeling van deze tekst is te achterhalen waarin die machiavellistische filosofie een verandering betekende.  Machiavalli’s streven naar een verenigd Italië dient bekeken te worden vanuit de praktische noodzaak, veeleer dan uit een nationalistisch streven naar eenheid. Dat zou een anachronisme zijn, aangezien nationalisme pas eeuwen later ontstaan is.

 

De politiek werd in de tijd van Machiavelli sterk bepaald door religie. Secularisme bestond in die tijd nog niet en de macht van de Kerk vergrootte zelfs tijdens het leven van de politieke denker. De Rooms-katholieke Kerk was een nooit geziene instelling die uniek was. Die uniekheid lag aan de basis van complicaties met verstrekkende gevolgen. Zij was de erfgenaam van het Romeinse imperium  en had daarom ook heel wat invloed op de aardse politiek. Dit leidde echter tot een problematische relatie tussen de Kerk en de Staat. Het politiektheologische probleem in verband met de Kerk was haar fundamentele dubbelzinnigheid; soms wel schizofrenie. Zij kende namelijk twee gezichten:

 

–          Spiritueel karakter: dit is de eigenlijke zending van de Kerk: ze zou het zielenheil van de gelovigenkudde redden, wat de diepere bestaansreden was van haar spirituele aard. In die zin verzaakt het christendom haar wereldse ambities. De ordening van het aardse of maatschappelijke bestaan door middel van het bedrijven van politiek was dus niet haar hoogste doel.

–          Begeleidende opdracht en wereldse connotaties: het aardse ‘tranendal’ is een soort van wachtkamer voor de eeuwigheid. De Kerk ziet het als haar recht en plicht dat ze een controlerecht opeist over de handel en wandel van alle mensen. Haar aanspraak is immers universeel en de meest ingrijpende van alle heersers. Zij is de ultieme gezagsinstantie, hoewel zij haar gezag meer indirect toepaste.

 

Deze dubbelzinnigheid begon zich te manifesteren toen de Kerk haar eigen machtsapparaat begon uit te bouwen. De invoering van het Christendom als staatsgodsdienst zou leiden tot een onomkeerbare instabiliteit in de relatie tussen de Kerk en de staat. Enerzijds leidde haar spirituele aard naar dat buitenaardse einddoel, de zogenaamde contemplatus mundi. Anderzijds groeide de neiging tot theocratie door haar invloed op het politieke wezen. Het Vaticaan was immers uitgegroeid tot een sterke politieke factor. Het christendom hield in dat men de politiek afdeed als ‘aards’ en ‘inferieur’, maar paradoxalerwijze begon de Kerk zich meer en meer met de aardse politiek te moeien. Daarin ligt eigenlijk de paradoxale houding van de Kerk. Enerzijds haar ideologie die politiek integraal afwijst en anderzijds een neiging tot meer invloed.

 

Aristoteles werd in de 13de-14de eeuw herontdekt via de Arabieren. Deze werd dan ook gebruikt als onderdeel van een antiklerikaal offensief op de Kerk, wiens machtspositie niet door iedereen werd geapprecieerd. Er werden argumenten pro-secularisering ontwikkeld omdat de mens een politiek dier is, en de politieke gemeenschap zijn doel. Onder andere  Marsilius trachtte Aristoteles te hanteren om zo de politieke macht van de Kerk te discrediteren. Zij steunden op de redeneertrant van Aristoteles, waarin de mens zijn natuur kon realiseren in een gemeenschap en waar politiek voor nodig was. De mens was in diens ogen immers een zoôn politikon. Buiten de gemeenschap waren dus geen individuen mogelijk. Enerzijds was er dus de afhankelijkheid van de gemeenschap en anderzijds had men de gemeenschap nodig voor ontplooiing. Dus niet alleen om te overleven maar ook om zich te ontplooien naar het Goede Leven. Hieruit leidt men de wederzijdse verrijking van het individu en de gemeenschap af. Politiek was iets van de wereldse mogendheden en niet van de Kerk. Zij wilden de wereld uit haar religieuze keurslijf halen. Dit mislukte omdat zij geen rekening hielden dat de politieke context grondig veranderd was. Niet alleen kende Aristoteles geen machtsinstelling zoals de Kerk maar was zijn filosofie geschikt voor polissen. Een imperium zou gedoemd zijn om despotisch te zijn en was dus niet geschikt voor Aristotelische ethiek.

 

De Kerk meldde dat Aristoteles’ leer ontoereikend was. Zij onderkende wel de teleologie maar mistte een hogere waarde die daaraan verboden was. De Kerk eigende de leer van Aristoteles zich toe door een opbod te doen op haar denkwijze. Zij voegde immers die hogere waarde toe aan het Aristotelisme. Hierin springt Thomas van Aquino in het oog, die in zijn filosofie het christendom en de leer van Aristoteles trachtte te verzoenen. Het Aristotelisme was in feite een tweesnijdend zwaard dat het politiektheologische probleem niet op zou lossen. Deze zou pas opgelost worden toen Machiavelli’s filosofie een breekpunt bleek te zijn. Wat wilde Machiavelli nu? Hij wilde de invloed van de Kerk op de burgerlijke samenleving beperken en steunde zich hierbij op een compromisloze kritiek. Hij viseert de Kerk via een omweg naar de Oudheid; niet in de zin dat hij de antieke filosofen hanteert maar dat hij ze net afkraakt omdat zij niet bruikbaar waren voor een offensief tegen de Kerk. Hij zoekt dus een totale breuk met het verleden.

 

Machiavelli is in eerste plaats vooral een realist, die het abnormale beziet als een voorwaarde van het normale. Hij legt de nadruk op extreme situaties, de zogenaamde ‘historische keerpunten’. In die optiek krijgen gruwelijke omwentelingen dus een centrale plaats in de Machiavellistische filosofie.  Uitzonderingen krijgen voorrang op de regel. Vrede is in zijn ogen verraderlijk wegens de pacifistische illusie en het verlies van de bittere levensnoodzaak. Aristoteles’ visie op de gemeenschap staat in het perspectief van haar eigenlijke doel. Puur teleologisch dus. De maatschappij moet een kader verschaffen aan haar burgers voor zelfontplooiing en niet enkel de aandacht vestigen op de pathologische trekken (negatieve trekken) van de politiek.

 

Machiavelli verlaat in die zin de teleologische positie en schuift als tegenkanting een genealogisch perspectief naar voor. Hij bekijkt de huidige gestalten van de macht vanuit hun ontstaan. Het begin van een regime of staatsvorm heeft immers weinig te maken met rechtvaardigheid of vrede. De normale, rustige vormen van macht zijn dus een gevolg van uitzonderlijke omstandigheden. In die optiek ziet hij het immorele gedrag als een voorwaarde voor het morele gedrag. Deugdzaamheid als een eiland in een zee van verderf, omdat het enkel daarin kan gedijen. Om reëel bestaande machtsvormen te begrijpen gaat Machiavelli terug tot hun immanente machtsvormen. Geweld is een actuele bestaansvoorwaarde van alle politieke macht. Geweld is een middel tot regeneratie om degeneratie te voorkomen. Machiavelli valt de naïeve pacifistische filosofie aan omdat zij aanzet tot gemakszuchtigheid wat zou leiden tot decadentie en verval. In de ogen van Machiavelli steunde de sterke staat op de virtù, dat zou leiden tot glorie. Vrede zou gemakszucht opwekken, wat zou leiden tot tamheid en wanordelijke toestanden. Dit is onderdeel van de cyclische omwenteling van virtù naar verval en terug via de orde die daarop volgt door de virtù.

 

Dan komt natuurlijk wel de vraag wat de zin is om de gemeenschap te moraliseren. Al wat de Kerk kan bereiken is in Machiavelli’s ogen immers een verstoring van de politiek. Een voorbeeld daarvan is de verzachting van de zeden, wat ertoe leidde dat de dwingende noodzaak om zichzelf te verdedigen is weggevallen. Vroeger werden steden platgebrand en kon de mannelijke bevolking kiezen tussen de overwinning of de dood. Nu dat de keuzemogelijkheden enorm zijn gegroeid door het humanistische karakter van de Kerk en de natuurlijke noodzaak om zich te verdedigen wegvalt, heeft het christendom de goede effecten van de natuurlijke vrees van de dood buiten spel gezet en tegennatuurlijke effecten gepropageerd van een andere vrees: de kunstmatige vrees voor God en de hel. Hierdoor heeft het christendom de voorwaarden voor een gezonde politieke ordening ondermijnd waardoor de burgerzin teloorgaat en de weerbaarheid van de bevolking verdwijnt. Men verliest een vitale prikkel dat leidt tot een algemeen belang dat nagenoeg niets meer waard is, omdat de wil tot de verdediging ervan nihil is. De christelijke religie is ondermijnend omdat zij een ootmoedige levenshouding propageert. Zij is ontwapenend en instilleert in het volk een moraalreligieuze reflex die de politieke wil van haar levenskracht berooft en finaal vernietigd. De apolitieke houding van het christendom an sich zorgt voor een politieke desintegratie van het geheel, een detotalisering van de politiek eenheid dus. Politiek en sociaal was het christendom dus weinig bruikbaar.

 

De macht zou volgens Machiavelli volledig bepaald moeten worden door immanente oorzaken, de natuurlijke gang van zaken dus. Hierin breekt hij met de teleologische denktraditie. Hij is een zogenaamde pleitbezorger van het kwaad in de politiek. Morele doelstellingen hebben volgens hem geen effectieve impact in de werkelijke politiek. Er is dan ook sprake van een driehoeksrelatie tussen de Heerser, de Grandi  en het populo. Zo willen de Grandi[1] macht, maar dat is geen moreel doel. Zij trachten het volk te onderdrukken. Het populo[2] staat dan weer voor een negatief doel: met gerust gelaten worden, “leven en laat leven”. Het volk onderscheidt zich dan wel door zijn onschuld, maar heeft geen politieke verantwoordelijkheid waardoor het van nature gemakszuchtig is en kan de politieke verantwoordelijkheid ook niet aan. De Heerser moet steun zoeken bij het volk tegen de machtigen, omdat haar aantallen de Heerser kunnen kraken of maken. Maar hij zal daarbij niet uit het oog verliezen dat zijn doelstellingen anders zijn dan die van het volk. Het gaat er dus eerder om, om het volk voor de eigen kar te spannen. De Heerser moet de verschillende geledingen van het volk tegen elkaar weten uit te spelen. Fundamenteel is wat hen verdeelt en de Heerser speelt daarop in.

 

De samenleving bestaat uit de umori diversi[3], niet uit een eenheid. Het volk is feitelijk, fundamenteel en onophefbaar verdeeld. Men bereikt meer met irrationaliteit en impulsiviteit dan met rationaliteit. Heterogene impulsen beheersen het gedrag van beide groepen. De Heerser heeft het volk nodig. Omgekeerd ook, om het volk te beschermen tegen de grillen van de adel. Er bestaat dus een wederzijdse steun tussen het volk en de Heerser.  Hetzelfde verhaal ook met de adel, aangezien zij de heerser een militaire slagkracht en financiële steun kunnen geven. Machiavelli wil uiteraard een samenleving waarin de twee tegenovergestelde klassen aan hun trekken komen. Het volk wil vrijheid en de adel wil rijkdom. Volgens Aristoteles heeft de samenleving deugd nodig om het leefbaar en duurzaam te maken. Deugd staat in de kou en moet door de filosofen opgenomen worden, waar Aristoteles een van is. Dit omdat zij de sociale stratificatie kunnen overstijgen, belangeloos zijn en neutraal staan van een sociale klasse[4]. De kritiek van Machiavelli op Aristoteles was minder hard dan bijvoorbeeld op Plato. De Platoonse samenleving was utopisch en zowat onmogelijk, terwijl de Aristotelische samenleving tijdsgebonden en mogelijk was.

 

Samenleven vertoont in die zin geen positieve doelgerichtheid zoals Aristoteles dat bedoelde en mensen zijn dan ook geen politieke dieren. Machiavelli heeft een koele, objectiverende blik op de gemeenschap. Hij plaatst zich buiten de gemeenschap maar is tegelijk gefascineerd door het schouwspel dat ze biedt. Die afstandelijkheid definieert het realisme van Machiavelli. Maar dat hoeft niet meteen gelijkgesteld worden aan de hedendaagse neutrale en objectieve wetenschappelijke afstandsname. De filosofische traditie van de Oudheid doet niet mee aan zulke dingen: oftewel doet men mee, oftewel doet men niet mee. Het menselijke dier is een gemeenschapsdier en staat niet buiten de gemeenschap. De Kerk bekeek haar tegenstander van buitenaf. Machiavelli neemt de spirituele zending van de Kerk onder schot: ‘als er geen andere dimensie is, dan is de politieke gemeenschap een zelfgenoegzame entiteit die alleen naar zichzelf verwijst’.  Deze gemeenschap zou steunen op geweld dat haar tegelijk fundeert en conserveert. Machiavelli gelooft dus in de heilzame werking van geweld en wordt daarom niet voor niets voor een “pleitbezorger van het kwaad” aanzien. Geweld zou de mens door ‘angst en paniek’ tot bezinning brengen. Geweld regenereert en vermijdt immers degeneratie, aldus Machiavelli. Het ‘Goede’ dat door de Kerk gepropageerd wordt zou een tegennatuurlijke indringer zijn in de natuurlijke werking van de menselijke verhoudingen. Dit zou een averechts effect hebben. Die ‘goedheid’ zou een perverse invloed hebben op de sociale werkelijkheid. Machiavelli gelooft immers niet in een Voorzienigheid, dat is in zijn ogen een fabeltje. Zij zou tegen het oorspronkelijke doel ingaan en negatief zijn.

 

Het gezag van Aristoteles is in ieder geval ten dode opgeschreven door Machiavelli. Voor Aristoteles bestond er een hiërarchie van zijnsgoedheid, die gecombineerd kan worden in een deugdelijk regime. Aristoteles moest echter geen antwoord geven op een uitdaging die zou uitgaan van het bestaan van de Kerk. Machiavelli moest dat wél. Het kwam er op aan te kiezen tussen de profane wereld en de ‘andere’, de wereld die gestalte gaf aan een hoogste goed maar in feite wereldvreemd was. Zij was vervreemd geraakt van de natuurlijke orde van het wereldlijke. De Heerser moest in de ogen van Machiavelli gebruik kunnen maken van de Virtù en Fortuna voortdurend uitdagen. Door gebruik van list, durf en improvisatie kon hij de misleiding van Fortuna weerstaan en haar trotseren. Terwijl Fortuna anderen in slaap wiegde door een vals gevoel van veiligheid, wist de Heerser gebruik te maken van de Virtù en zo met een open blik de obstakels uit de weg gaan en de beproeving doorstaan. Deugd en karakter in eerste plaats dus, in plaats van lamlendigheid en gemakszucht. 

P.

[1] Voornamelijk de adel

[2] Het volk

[3] ‘Verschillende humeuren’, die de politiek zouden uitmaken.

[4] cf. Mannheim: freischwebende Intelligenz. Men overstijgt de sociale stratificatie en neemt het op voor de deugd zonder klassenpreferentie.