TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Proza

Emil Cioran over het dichterschap

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Even tragisch is het geval van de dichter. Deze gevangene van de eigen taal schrijft voor zijn vrienden, voor tien, voor twintig personen hoogstens. Zijn verlangen om gelezen te worden is niet minder dringend dan dat van onze gelegenheidsromancier. Maar hij heeft tenminste het voordeel dat hij zijn verzen kan plaatsen in kleine emigranten-tijdschriftjes die ten koste van bijna onfatsoenlijke offers en zelfverloochening verschijnen. Laten we aannemen dat hij zich opwerpt als redacteur van zo’n tijdschrift. Om het in leven te houden riskeert hij honger, onthoudt hij zich van vrouwen, begraaft zich in een vensterloos kamertje, legt zichzelf onvoorstelbare, ijzingwekkende ontberingen op. Masturbatie en tuberculose, dat is zijn noodlot.

Hoe schaars emigranten ook zijn, ze vormen groepjes, niet om hun belangen te verdedigen, maar om elkaar geld af te troggelen voor de publicatie van hun klaagzangen, hun jammerklachten, hun onbeantwoorde hulpkreten. Hartverscheurender vorm van zinloosheid is niet denkbaar.

Dat ze even goede dichters als slechte prozaschrijvers zijn heeft een eenvoudige reden. Neem de literaire productie van willekeurig welk klein volk dat niet zo kinderachtig is zich een verleden aan te meten: de overvloed aan poëzie springt in het oog. Proza vereist, om zich te ontwikkelen, een zekere discipline, een gedifferentieerde samenleving en een traditie. Proza is iets dat weloverwogen wordt opgebouwd; poëzie daarentegen welt op, ze is spontaan of juist volstrekt gekunsteld. Poëzie is het voorrecht van holbewoners of decadenten, ze ontluikt aan deze of gene zijde van de beschaving, nooit in het centrum. Terwijl proza een bedachtzaam genie en een uitgekristalliseerde taal vereisen, is poëzie volstrekt verenigbaar met een barbaarse geest en een vormloze taal. Een literatuur tot stand brengen wil zeggen proza tot stand brengen.

CIORAN, Emil, Bestaan als verleiding, Groningen: Historische Uitgeverij, 2001, 75-76.

Advertenties

Proloog

Ik heb, voor zover ik weet, altijd al in deze stad gewoond, een amalgaam van helse hoogtes en hemelse diepten. Maar ik probeer voorbij mijn stedelijke bestaan te denken. Je kan zover teruggaan in het verleden als je wil, toch kan je dat prille begin, die eerste vitale levensjaren waar vaak onbewust een visie op de wereld wordt aangevangen, niet voor de geest halen. Zelf die leemte opvullen gaat niet, daar heb je anderen voor nodig. Toch ik ben elders geboren, op een of andere manier heb ik mijzelf daarvan overtuigd. Mijn geboortedorp ligt aan een diepblauw meer, ergens ver in de bergkammen die ten oosten van de stad liggen. Het dorp heeft geen naam in mijn gedachten, dat heeft het niet nodig. Maar het vormt de absolute kern van mijn bestaan, een elementair brandpunt dat misschien niet altijd even prominent, maar wel zeer existentieel aanwezig is. Vaak zijn het de subtiele dingen die van tel zijn, want zij symboliseren iets alomvattends. Het dorp een naam geven, zou het beroven van zijn ware essentie; waarlijk een onvergeeflijke ontheiliging.

Er loopt een kleine aarden landweg naar dat dorp, die plots opduikt zodra je het meer ziet verschijnen over de glooiende heuvelkammen. Vanaf dan zie je hem sensueel kronkelen langs de weiden en akkers, alsof hij de boezem van de aarde zijdezacht streelt en triomfantelijk bevrucht. De weg wordt gekenmerkt door de diepe karrensporen, die de reiziger helemaal begeleiden tot in het hart van het dorp. Het is een typisch “filosofenpaadje”: een oeroud stukje aardeweg waarrond een hele belevingswereld ontstaat; een plek voor stille uren in heerlijke eenzaamheid. Daar wordt je bewust van de wisseling der seizoenen, van kosmische oneindigheden en de paradoxale aard van je eigen bestaan. Daar exploderen de contrasten, die het leven kleur, vorm en essentie geven. Ondanks de levensvolheid van de landweg, is het net de Eenvoud die het zo magisch maakt. De Eenvoud, mijn beste lezer, is een kostbare parel die langzaam uit onze handen lijkt weg te glippen. En toch is Zij volwaardig aanwezig wanneer ik over de landweg droom, want dan zie ik gure winterstormen zich verzoenen met de zoete zweem van lentebloemen en voel ik de machtige gloed van een gouden oktoberzon in mij een gezindheid opwekken die het raadselachtige web van de Tijd weet te ontrafelen. Woud, salamander en rots weten waardig te zwijgen met mij, terwijl gesprekken zich ontvouwen tussen mij en het Al die volledig buiten de taal vallen. Wanneer je worstelt met je eigen ideeën, met je omgeving of met de hele wereld, dan helpt deze landweg je.

Ik zie mijn landweg voor mij uit kronkelen langs de velden, daar waar hij afbuigt naar de oude eik op de top van de heuvel waar je uitzicht hebt over het hele dorp. In heldere en zonnige zomerdagen, kan je aan de andere kant van het meer de grijs-witte gletsjer zien die stil-krakend uit het atrium van de berggoden komt glijden. Hoewel meerdere mensen deze landweg gebruiken, lijkt hij van mij te zijn. Hij lijkt zelfs alleen voor mij te bestaan. Soms komt het mij voor dat ik me afvraag of dat geboortedorp ooit bestaan heeft, laat staan die befaamde landweg die me zo vaak en uitzonderlijk helder voor de geest komt. Wie weet is het een lucide droom, die ik doorheen de jaren heb uitgesponnen tot een grote waarheid. En dan zie ik de landweg als ik een kunstgalerij passeer, of op een banaal melkkarton dat de authentieke oorsprong van haar inhoud suggereert. Soms hoor ik iemand spreken over zijn vakantie in een onooglijk klein bergdorp aan een meer, dat opvallend veel gelijkenissen heeft met mijn droombeelden. Dan heb ik de neiging die persoon te ondervragen over de locatie van dat dorp, maar iets houdt me tegen.

Is het de naam, die me op dat moment tot terughoudendheid dwingt, alsof die kennis onheilig zou zijn? Ik wilde van geen namen weten. Of misschien heb ik op dat moment een onbewust moment van klaarheid, waar ik mezelf ervan overtuig dat het dorp nooit bestaan heeft en dat het waanzin zou zijn om helemaal af te reizen naar een fictief hersenspinsel. Zou het niet gek zijn als ik mijn spullen pakte om daarheen te gaan? Om dan aan te komen op een plaats die in de verste verte niet overeen komt met wat ik in gedachte had? Hoe teleurstellend zou het dan niet zijn? Of nog erger: dan zou ik mezelf er van overtuigd hebben dat deze plaats hét geboortedorp was waar ik zoveel over droomde. Dan zou ik leven in een illusie. Maar was dat al niet zo?

P.

Ganzenpas

Met schuifelende voeten hoorde ik ze aankomen achter mij. “Kom” zei een vrouwenstem,  ik schatte ze in haar tienerjaren, “over drie minuten vertrekt de trein!”. Het schuifelende geluid groeide sterker, terwijl ik in mijn ooghoek drie jonge grieten zag voorbijlopen. “Het is niet verder meer, hop hop!”. Vijf meter voor mij maakten ze een einde aan hun geschuifel en begonnen ze te snelwandelen, met een rare wandelpas die me deed denken aan een stel ganzen, dat al waggelend het station binnenliep. Ik vind het gek om te zien hoe sommige mensen zich voortbewegen om ergens snel te geraken. Al schuifelend lopen moet zowat een van de vermoeiendste manieren zijn om ergens te geraken. Als je ergens snel wil geraken hef je je voeten op, maak je lange passen en lijk je op een gazelle die met een gezwinde tred iemand geruisloos voorbijsnelt. Was het uit een vorm van sociale schaamte? Datzelfde mechanisme dat mensen aanzet tot een vreemde zelfmatiging? Iets dat de mens schuw maakt voor hevige inspanningen met bruuske bewegingen?

P.

Emil Cioran: het tragische geval van de dichter

‘Even tragisch is het geval van de dichter. Deze gevangene van de eigen taal schrijft voor zijn vrienden, voor tien, voor twintig personen hoogstens. Zijn verlangen om gelezen te worden is niet minder dringend dan dat van onze gelegenheidsromancier. Maar hij heeft tenminste het voordeel dat hij zijn verzen kan plaatsen in kleine emigranten-tijdschriftjes die ten koste van bijna onfatsoenlijke offers en zelfverloochening verschijnen. Laten we aannemen dat hij zich opwerpt als redacteur van zo’n tijdschrift. Om het in leven te houden riskeert hij honger, onthoudt hij zich van vrouwen, begraaft zich in een vensterloos kamertje, legt zichzelf onvoorstelbare, ijzingwekkende ontberingen op. Masturbatie en tuberculose, dat is zijn noodlot.

Hoe schaars emigranten ook zijn, ze vormen groepjes, niet om hun belangen te verdedigen, maar om elkaar geld af te troggelen voor de publicatie van hun klaagzangen, hun jammerklachten, hun onbeantwoorde hulpkreten. Hartverscheurender vorm van zinloosheid is niet denkbaar.

Dat ze even goede dichters als slechte prozaschrijvers zijn heeft een eenvoudige reden. Neem de literaire productie van willekeurig welk klein volk dat niet zo kinderachtig is zich een verleden aan te meten: de overvloed aan poëzie springt in het oog. Proza vereist, om zich te ontwikkelen, een zekere discipline, een gedifferentieerde samenleving en een traditie. Proza is iets dat weloverwogen wordt opgebouwd; poëzie daarentegen welt op, ze is spontaan of juist volstrekt gekunsteld. Poëzie is het voorrecht van holbewoners of decadenten, ze ontluikt aan deze of gene zijde van de beschaving, nooit in het centrum. Terwijl proza een bedachtzaam genie en een uitgekristalliseerde taal vereisen, is poëzie volstrekt verenigbaar met een barbaarse geest en een vormloze taal. Een literatuur tot stand brengen wil zeggen proza tot stand brengen.’

CIORAN, Emil, Bestaan als verleiding, Historische Uitgeverij, Groningen, 2001, 75-76.