TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Reizen

Tapijtsurfen in Iran

Waarom? Je doet het omdat weinig westerlingen het durven. Uit een grenzeloze nieuwsgierigheid; als een uitdaging; een onweerstaanbare Drang nach Osten; het grote dwaze avontuur dat je plots grijpt. Mijn taalkennis van Farsi was nihil, maar ik wilde niet geloven dat de taal mijn wereld begrenst. Moederlief wil het niet, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat Iran meer was dan chadors, kernbommen en mullahs wist ik wel, maar ik wou het met mijn eigen ogen zien en ervaren. Hoezo, gevaarlijk? Hoezo, fundamentalistisch? Hoezo, vijandig? Voorbij al het goed en kwaad van clichés wou ik de lach achter de chador ontdekken. Dat op eigen houtje, zonder betrokken te zijn met reisbureau’s, overijverige gidsen en andere factoren die me zouden belemmeren in mijn doel. Dus … waarom eens niet couchsurfen op Perzische tapijten?  

Klik voor foto’s

“Een heel gekke geschiedenis”

Een heel gekke geschiedenis, het is in twee woorden verteld, begon de generaal zelfvoldaan. Twee jaar geleden, ja, dat klopt wel ongeveer, het was kort na de opening van de nieuwe spoorweg, had ik, (en ik was toen al civiel) mijn handen vol met allerlei beslommeringen in verband met mijn dienstoverdracht en zo nam ik op een keer een kaartje eerste klas: ik stapte in de trein, ging zitten en begon te roken. Of liever gezegd: ik ging door met roken, want ik had mijn sigaar al eerder opgestoken. Ik zat moederziel alleen in mijn coupé. Roken is daar niet verboden, maar ook niet direct toegestaan; ze laten het oogluikend toe, zoals dat vaak gaat en het hangt er ook van af, wie er rookt.

Het coupéraampje stond open. En opeens, net voor het vertreksein, stappen er twee dames in met een schoothondje en gaan recht tegenover mij zitten; ze waren net op het nippertje. Een van die twee was chique gekleed, in het lichtblauw, de andere dame bescheidener in een zwartzijden japon met een pelerine. Ze waren niet onknap, van die gezichten wie-doet-me-wat? en ze spraken Engels. Ik nam natuurlijk geen notie van ze en rookte lekker door. Dat wil zeggen, ik aarzelde wel even, naar ging er toch maar mee verder, het raampje stond immers open en ik blies de rook naar buiten. Het hondje maakte zich gemakkelijk op de schoot van de lichtblauwe dame, het was zo’n klein, zwart mormel, niet groter dan mijn vuist, met van die witte pootjes, een zeldzaam exemplaar zelfs. Een zilveren halsband met de een of andere inskriptie.

Ik bemoei me nergens mee. Ik merk alleen dat de dames zich ergens over schenen op de winden, over die sigaar van mij natuurlijk. Een van de twee fixeerde mij door een lorgnet met een handvat van schildpad. Ik doe nog aldoor of mijn neus bloedt, zij van hun kant geven immers ook geen kik! Hadden ze er ook maar iets van gezegd, gewaarschuwd, gevraagd, ze hebben toch een tong in hun mond! Maar niks daarvan, geen boe of ba … tot me daar die lichtblauwe opeens, – en zonder de geringste waarschuwing, zeg ik u, zonder iets erop wees, zo maar pardoes, alsof het haar plotseling in haar bol was geslagen, – mijn sigaar afpakte en die hup het raam uitsmeet!

De trein vliegt over de rails, ik zit te kijken of ik een klap van de molen beet heb. Een wilde vrouw; een volkomen wild wijf, zo een uit het oerwoud overgeplant, een dikkerd anders, zo’n grote blondine met van die weelderige vormen en een rood gezicht (te rood zelfs) en een paar vuurschietende ogen, waarmee ze mij probeert te verzengen.

Zonder een woord te zeggen, maar buitengewoon beleefd, met een volmaakte beleefdheid, met een verfijnde beleefdheid om het zo uit te drukken, steek ik mijn duin en wijsvinger naar het schoothondje uit, pak het dier behoedzaam in zijn nekvel en slinger het door het coupéraampje naar buiten, mijn sigaar achterna! Het jankt even … De trein snelt verder …

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 138-139.

Wees gegroet, Juanita

Anderhalf jaar geleden, toen ik het geluk had in Peru te zijn, bezocht ik in het museum van de Universiteit van Arequipa  De IJsmaagd van Ampato. Het betreft Juanita, een kind dat destijds in haar vroege tienerjaren door de Inca’s op de berg Ampato werd geofferd aan de Goden.  Destijds waren mensenoffers aan de zogenaamde Apu’s, berggoden, een manier om de ontstemde Goden te behagen. Voor (post-) modernen is dit waanzin, een onbevattelijke misdaad. Maar tegelijk ook een heel fascinerende denkoefening. Een unieke manier om mens en maatschappij in een radicaal ander perspectief te plaatsen.

Als je erover doordenkt, bestaat er een “logica” achter dit hoogst merkwaardige ritueel. Beeld je een traditionele beschaving in waar de plaats van de mens, ruimte en tijd in de kosmos zeer afgebakend is. Iedere ruimte wordt gecultiveerd op een sacrale wijze en ook de tijdservaring is voor de traditionele mens heel anders. Alles wat van tel is draagt een symbolische geladenheid. Wanneer deze ordening door elkaar wordt geschud, betekende dit dat de goden ontstemt zijn. Hierdoor geraakt ook de maatschappelijke ordening in de war. Een mensenoffer was een manier om deze balans terug te herstellen. Dit is enkel begrijpelijk als je beseft dat de waarde van een mensenleven in die context totaal verschilt dan de waarde van een mensenleven in een hedendaagse westerse maatschappij. Het feit dat Juanita gekozen werd, was een grote eer voor haar familie.

Een voorbeeld van deze kosmische ordening is het graf waarin Juanita geplaatst werd. Daarin werden objecten geplaatst, maar niet zomaar, niet als versiering of verfraaiing. Ieder materieel object droeg een betekenis en verwees naar de kosmische ordening van de Incamaatschappij. Je zou kunnen zeggen dat ieder object een zogenaamde hiërofanie was, een materieel object dat het goddelijke vertegenwoordigde. Niet het object an sich werd aanbeden, maar wel het goddelijke dat in en doorheen het object zich manifesteerde. Op die manier transformeerde het graf zich naar een heilige microkosmos.

Ook Juanita werd niet zomaar gekozen uit de bevolking. Zij was geen Chinese vrijwilliger die van een markt werd geplukt. Net vanwege het belang van een mensenoffer, moest het kind vooral zuiver zijn. En dat wil zeggen dat Juanita een kind was dat uit de hoge adel kwam. Net als het graf, onderging ook Juanita een transformatie. Pachacuti Inca Yupanqui was de Sapa Inca (de Incakeizer) die zijn goddelijkheid overdroeg aan Juanita, waardoor zij een halfgod werd. Ze droeg blauwe araveren op haar hoofd, dure textiel die typisch adellijk was en werd gewikkeld in een aksu, een helder gekleurd begrafenisdoek.

Met de komst van de Spanjaarden is er vanzelfsprekend onnoemelijk veel veranderd in de Nieuwe Wereld. En toch leeft die oude precolombiaanse vlam nog sterk in Zuid-Amerika. Dat voel je instinctmatig aan wanneer je ginds vertoeft. Tijdens een processie in Cuzco viel me op dat er veel aandacht werd gegeven aan de Pachamama, de aardgodin die onder de boerenbevolking in de Incamaatschappij veel aandacht kreeg. Door samen te vallen met de Heilige Maagd Maria, kreeg zij de kans om tot op de dag van vandaag vereerd te worden.

Toen in 1960 de Grote Chileense Aardbeving gebeurde, de meest kolossale aardbeving sinds het begin van de metingen (9.5 op de schaal van Richter), was er iets heel eigenaardigs aan de gang in het Chileense kuststadje Collileufu.  Juana Namuncura Añen, een lokale machi (een traditionele sjamaan), eiste een mensenoffer om de aarde en de oceaan gunstig te stemmen. Het vijfjarige slachtoffer werd ontdaan van zijn ledematen, waarna zijn lichaam door de oceaan werd meegesleurd.

P.

Ernest Van der Hallen, Dostojevski en Wanderlust

‘Dit zal mij bijblijven, nu de roep naar Vlaanderen in mij zo luid is, dat ik besloten ben niet meer terug te keren naar deze landen. Maar heimelijk weet ik dat, wanneer de vlakten mij weer sterk en dringend zullen wenken, ik opstaan zal, en gaan naar waar het zand gespreid ligt over de eindeloze vlakte en de kamelen schommelen langs de rand der lage heuvels; waar de luchtspiegelingen bedrieglijk wenken en de donkere nomaad zijn tenten spant onder een verschrompelde dadelpalm; waar de schamele Fellah de negen-en-negentig deugden van Allah aftelt aan de kralen van zijn bidsnoer of, evenals zijn voorouders zesduizend jaar terug, het rad trapt dat het water met kleine gulpen beurt uit de zandige put, want de Fellah denkt minstens zevenmaal zeven eeuwen na, eer hij iets verandert aan zijn gewoonten’.

VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije, Davidsfonds, Leuven, 1941, 168.

 

Het citaat doet me heel sterk denken aan de contemplatieve boer die Dostojevski bij monde van Smerdjakov, de bastaardzoon van Fjodor Karamazov, beschreef in De Broers Karamazov. Zomaar op een lukrake dag getroffen worden door een ongelofelijke drang om te reizen. Of te zwerven. Niet noodzakelijk met een doel, soms gewoon om onderweg te zijn, zoals Jack Kerouac, indrukken vergarend. Of net wel met een Groot Doel, een existentiële reis die het ganse leven bepaalt. Als pelgrim geef je je identiteit op bij de aanvang, je verliest jezelf in het geheel. En vanuit die rotsige bodem waar geen Ik bestaat, zoek je onderweg een nieuw pad naar boven toe. Naar je nieuwe Ik. Om jezelf te vinden, moet je jezelf soms verliezen.

‘Van de schilder Kramskoj bestaat een opmerkelijk schilderij met de naam Contemplatie: daarop is een winters bos afgebeeld en in dat bos, op een weg, staat moederziel alleen, in diepe eenzaamheid een boertje met een gescheurde kaftan en met bastschoenen aan, hij staat daar diep in gedachten verzonken, maar hij denkt niet, hij ‘contempleert’. Als je hem een duw zou geven, zou er een rilling door hem heen gaan en hij zou je aankijken alsof hij net wakker was geworden, maar er niets van begrijpen. Wel zou hij meteen bij zijn positieven zijn, en op de vraag waarom hij daar stond te denken, zou hij zich niets meer herinneren, maar toch zou hij de indrukken opgedaan tijdens zijn contemplatie nooit meer kwijtraken. Die indrukken zijn hem dierbaar, ongemerkt en zelfs onbewust zal hij ze opzamelen, waarvoor en waarom, dat weet hij natuurlijk zelf niet: misschien zal hij na jarenlang indrukken te hebben verzameld opeens alles in de steek laten en naar Jeruzalem gaan, op een pelgrimage ter redding van zijn ziel, of misschien zal hij opeens zijn geboortedorp in de hens steken, of misschien doet hij het zowel het een als het ander. Er zijn in het volk tamelijk veel van zulke contemplatieve figuren’.

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 156.

P.

“Het gevoel hebben het leven te beheersen”

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’[1].

De Lierse studentenleider en letterkundige Ernest van der Hallen (1898 – 1948) was diep teleurgesteld in Vlaanderen toen hij eind 1935 met zijn vriend Frans Mertens[2] vertrok op pelgrimsreis: ‘ik heb hier veel achter te laten en veel te vergeten, als God met ons is keren wij niet terug, vooraleer wij rustig zijn en veel vergeten hebben’[3]. De meerdere reizen die hem naar Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten brachten, leverden reisdagboeken op met een hoog cultuurkritisch gehalte. Zijn vlucht uit Europa bleek een zoektocht naar ruimte en vrijheid te zijn[4]. Te Biskra, een oase in Algerije, lag hij onder de palmbomen met de intentie ‘niet meer op te staan, niet meer te denken, niet meer te voelen, alleen bewegingsloos te blijven tot de avond aantreedt […]’[5]. Daar was het ‘nieuwe, het gave en onbedorvene’ te vinden[6]. De natuur was bij Van der Hallen al langer een centraal element in zijn denken. Het was de antipode van de verderfelijke stad en daarmee ook een bron van zuiverheid. De levensbeheersing die men enkel buiten de stad kon bereiken, meende hij in De aarde roept (1936), was ook het afscheid nemen van de ‘dingen […] die voor de mens in de stad noodzaak geworden zijn’[7]. In de natuur werd de moderne mens gezuiverd van alle overbodige ballast.

P.


[1] VAN DER HALLEN, Ernest, Charles de Foucauld.,  Pro Arte, Diest, 1941, 20.

[2] Frans Mertens (1908-1993) was schilder en tekenaar. Circa 1935 was hij vooral bezig met religieuze thema’s.

[3] BONI, Armand, Ernest van der Hallen (1898-1948). Een silhouet., Davidsfonds, Leuven, 1950, 126.

[4] Charles de Foucauld,  18.

[5] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 66.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 53.

[7] VAN DER HALLEN, Ernest, De aarde roept., Wiek Op, Brugge, 1943, 52.

De weg naar Machu Picchu

De ongeplaveide weg naar het heiligdom ging stijl-kronkelend naar omhoog, als een slang die zich moeiteloos voortbewoog naar zijn schuilplaats. Het was ochtend, de vroege ochtend waar het licht schaars was maar waar de dieren voluit hun levenslied zongen. Instinctief wist je dat de dageraad niet lang op zich zou laten wachten. De zonnegeur hing als een belofte in de lucht. Nog een uur, hoogstens anderhalf uur en dan zou de gloed van de eerste zonnestralen het landschap overrompelen. Rondom mij bevindt zich een processie van honderden mensen van verschillend allooi. Ik hoor verscheidene wereldtalen, een Babylon in het klein, maar dan zonder een spraakverwarring omdat iedereen gericht was op hetzelfde doel. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar.

Nog een kwartier wachten en dan begint de trek naar boven. De heilige trek, waar iedereen op te wachten staat. Heilig, want de stad die we bezoeken was het spirituele centrum van een teloorgegaan wereldrijk. Ver voor en achter mij staan geheimzinnige gestalten; het profiel van een jong koppel dat elkaar innig omhelst; een groepje bebaarde mannen dat aanstalten maakt om de groep vrouwen voor hen te benaderen; een avontuurlijk kind loopt ons voorbij in de armen van zijn zorgzame moeder. Het geroezemoes dat hier ontstaat is zacht en onverstaanbaar. In stille eerbied voor de pelgrimsplaats spreekt men met fluisterende stemmen. De razernij en waanzin van het alledaagse ruimt plaats voor een subtiele hint van iets onveranderlijks en eeuwigs.

De glanzende poort opent zich, met daarachter de onbekende en toch vertrouwde kronkeling naar boven. Het machtige hemelgesternte begint stilaan plaats te ruimen voor een vreemde schijn achter de heuvels. Week wordt de maan en haar witte licht taant. Mild ruist een vochtige bergwind over onze hoofden naar de richting van de poorten, terwijl de aarde lichter wordt en zich scherper aftekent tegen de hemel. Het is helder, de karakteristieke mist die ons dagenlang heeft achtervolgd heeft de wilde jacht opgegeven. Plots ontstaat er beweging in de processie. De aarde beeft en terwijl wij naar boven gaan, stijgen wij gezamenlijk met de zon. En weet gij, beste lezer, hoe verrukkelijk het kan zijn om het aanstormende licht tegemoet te treden op de top van een berg?

P.

Californische Capriolen I

“Why travel half around the world and say ‘No’?” zegt M., terwijl hij nonchalant met zijn schouders schudt toen hij besloot tóch weg te gaan. We bevinden ons in de jeugdherberg en we zijn vertrokken. De deur uit. M. uit Australië, ikzelf uit het zeemzoete Boechout en een verloren lopen vrijbuiter uit Los Angeles die even over en weer is gekomen. “Change of scenery” noemt men dat. Die avond gaan we naar een of andere keet in de Castrobuurt van San Francisco, die ook wel bekend staat als de homobuurt van de vrijgevochten stad. Mijn moeder zou zeggen dat ik een taloor in mijn broek zou moeten steken ter bescherming van mijn innerlijke zelf, maar ik heb geen angst en ga de deur uit, gewapend met een camera en mensen die een halve wereld van elkaar wonen. Dat zou voldoende moeten zijn.

Uitgaan in de Verenigde Staten is een bijzondere ervaring. Je bent sterk gelimiteerd in de tijd. Om 02.00 moeten alle panden die alcohol serveren sluiten. De enige manier om nog open te blijven is de tap af te sluiten en uitsluitend non-alcoholische dranken te serveren. En wil je nog naar de nachtwinkel om alsnog in de alcohol te vliegen, moet je de geestrijke dranken goed verbergen. Want in het openbaar wandelen terwijl je zichtbaar van een fles alcohol nipt, wordt niet bepaald geapprecieerd door de lokale arm der wet. Toen ik de week na deze nacht iets ging halen met A., heb ik toch deze absurde regelgeving getrotseerd en een biertje gedronken op de top van Corona Heights, terwijl de gele verkeersaders in het nachtelijke San Francisco rusteloos stroomden aan onze voeten.

 

“I.D.’s please, gentlemen”. Nors kijkt de piekfijn geklede man naar mijn internationaal paspoort. Hij heeft wat weg van een basketballer uit de NBA. Iets groter dan mezelf, breed, gespierd maar volgens mij capabel voor een glimlach die wel een miljoenencontract bij een tandpastagigant waard is. We worden toegelaten. Dit is inmiddels de tweede bar die we aandoen, want de eerste bar in de Castro was weinig soeps. Hoewel ik reeds een Chimay binnen heb, laat ik me verleiden tot het proeven van een aantal lokale bieren. De reisgids die ik af en toe meesleur op pad weet me immers te zeggen dat de lokale “micro-breweries” best wel te pruimen zijn. Vooral de witbieren weten me wel te smaken. Zomerbiertjes zijn het, maar verdomd lekkere.

Het is stil, daarbuiten. Een doordeweekse dag. Maar in alle stilte bruist de stad. Vaag hoor ik de  misthoorn langgerekt en verlangend in de baai weergalmen terwijl niet ver boven het dak van de bar de mist als een langgerekte arm over de stad reikt. Zij komt van de zee, gebaard uit een ingewikkeld samenspel van warme, vochtige lucht en het koele oceaanwater. Het is tochtig. Koortsig waait de wind binnen en draagt de geuren van de stad met zich mee. Het subtiele parfum van een nabijgelegen bloemenperk wordt verstoord door de aanblik van drie voorbijtrekkende zwervers. In al deze gedaanten schreeuwt de stad haar ziel uit. Verlangend, smartelijk en hartstochtelijk. Een donkere schim doemt op en verheft zijn stem. “Gentlemen, we close in fifteen minutes. Just saying”.

P.

Ik geloof sterk in de stelling dat reizen een pelgrimage is. Je breekt net als de middeleeuwse pelgrim weg van je vertrouwde omgeving en gaat naar een bepaalde eindbestemming. Toch is de reisbestemming niet altijd even belangrijk. Vaak is de reis op zich belangrijker, omdat het je eigen karakter versterkt en aanscherpt. Je ontdekt nieuwe dingen, proeft van vreemde kusten en ervaart eigenaardigheden die je niet meteen kan plaatsen. In essentie doe je aan bewustzijnsverruiming. Augustinus zei dat de wereld een boek is en wie niet reist, slechts een pagina leest. Wellicht te pas en te onpas geciteerd door duizenden mensen, maar willens nillens een treffende uitspraak.

Morgen vertrek ik naar California, VS. Een staat met extremen, waarschuwt mijn reisgids me. Ik kan het me zo al inbeelden. Californication en sterke tegenculturen, een huwelijk van het progressieve en het conservatieve, gouden stranden en koele oerwouden, siliconenborsten en bruine beren: het komt er allemaal voor. Toen ik klein was had ik de neiging de VS te mythologiseren. Je zette de TV aan als kind en kijkt naar tientallen verschillende televisieseries die stuk voor stuk uit dat land aan de overkant van de Grote Plas komen. Mooie vrouwen, slechte mannen, gillende gitaarsolo’s en de onvermijdelijke lachbanden hebben me als kind altijd al gefascineerd. “Is het daar echt zo?”, vroeg ik me af. “Worden nerds altijd ‘gedoopt’ in wc’s om hun lunchgeld en zijn alle cheerleaders hete truffels?”. San Francisco leerde ik kennen door Full House: typische huisjes en de Golden Gatebrug. Op latere leeftijd leerde ik het gelukkig kennen via de prachtfilm Vertigo van Alfred Hitchcock. En daar kom ik weer een stukje van die pelgrimfilosofie tegen: twee mensen, een privédetective en een prachtige vrouw, die zich bezighouden met … “wandering about”. Rondzwerven. Zomaar de ene straat in en de andere uit. San Francisco lijkt inderdaad de plek te zijn om dat te doen.

Nu ga ik die richting uit en ben ik benieuwd wat er van die mythevorming is overgebleven. Zal het meevallen? Zal het tegenvallen? Word ik aangenaam verrast? Vanaf ik mijn politieke wereldbeschouwing begon te ontwikkelen, heb ik een afkeer ontwikkeld van het Amerikaanse buitenlandse beleid. De Amerikaanse hegemonie heeft lelijk huisgehouden in zowat iedere uithoek van de wereld sinds de Tweede Wereldoorlog. En in de eigen achtertuin, Latijns-Amerika, gebeurde dit al veel langer. Toch is het fout een bevolking negatief te beoordelen op basis van hun regering. Ook al is de VS een democratie, vaak is het slechts de vrijheid te kiezen voor je eigen onderdrukkers.

Het is een kinderdroom die uitkomt, naar dat vreemde land te gaan. En het voelt vreemd aan. Aangenaam-vreemd. Alle papieren zijn in orde en liggen klaar, de rugzakken zijn geladen en ik zit nu na te denken of ik niets vergeten ben. Morgen rond dit uur zit ik te vliegen boven de Atlantische Oceaan. Luxepelgrim anno 2011. Een echte zou met de kano gegaan zijn. Of nog beter: te voet over de ijskappen van de Noordpool. Maar het deert me niet. Ik ga het bulderende leven tegemoet, duik in het ongekende en word telkenmale herboren.  En wie weet kom ik mezelf nog tegen.

En nu een streepje muziek: de soundtrack van Vertigo!

P.

Treingepeins

Treingepeins 03.04.2011

Schommelende dreunen in slaapwekkende zacht-wiegende  kinderwagens

Steeds voortdenderend, langs ranziggele afstandsplaatjes en felle praalzucht

We tellen af, langs schalkse regenboogpaadjes. ’t Aanzicht vervaagt weder

Verder dreunt de trein, naar de baarmoeder van alle twijfel. Sans doute.

P.

Lima, 09.08.2010

Nog eens op het vliegtuig naar Lima, maar het verkeer was minder chaotisch dan bij het begin van onze reis. Was het werkelijk zo, of waren we al in een vergaande fase van gewoontevorming beland? Mensen rijden hier nog altijd als zotten en er schijnt bij sommigen een vreemde fascinatie te bestaan voor nummerplaten. Sommige Peruvianen hebben autostickers gemaakt van hun eigen nummerplaten terwijl anderen probleemloos lijken rond te rijden zonder nummerplaat. Vallende sterren in Peru zie je alleen maar aan de hemel, dus daarvoor hoef je het niet te doen.

Na de aankomst gingen we iets eten in de Barrancowijk aan de kust. Ons oog viel op het restaurant Songoro Cosongo. Op de menukaart stond interessante informatie over de wijk. Het is een ‘Bohemische’ en traditionele wijk met oude huizen, parken, kapellen, romantische plaatsen, de zee en de bekende Brug der Zuchten die de dichters lokten. De familie die het restaurant openhoudt vertoeft al sinds 1930 in de wijk en het gebouw is deel van het culturele patrimonium van Lima. De keuken is Afroperuviaans, wat volgens de eigenaar wil zeggen dat de gerechten goed zijn afgekruid.

Dat belooft.

Een heerlijk-pikante ceviche verraste mijn smaakpapillen, uiteraard vergezeld met een goed glas witte wijn. Een huiswijn dit keer, heerlijk sec. De eigenaar trakteerde ons, nuja, eigenlijk eerder de jarige gasten een tafel verder, op een kleine sonate. Dan overtuigden we hem een stukje te spelen op de piano die bij ons stond, hoewel die niet goed gestemd was.

 

De eigenaar en bard van het bewuste restaurant.

Dan gingen we naar het strand waar de woeste golven van de Pacifische Oceaan uitnodigde om even stil te staan bij de vele indrukken van deze reis. Het stille geruis, afgewisseld met plotsklaps rollende golven, zogen mij op en ledigden mijn verstand. Ik nestelde me en liet me doorheen de spreekwoordelijke Tao voeren. Het einde is nabij, maar het moment leek eeuwig te duren.  Heerlijke stilte, slechts het rollende water bleef over. De oceaan riep tot ons, bood ons een blik op haar eindeloosheid.

 

 

De oprijzende oceaan in Lima.

De volgende halte was Miraflores, waar het liefdespark veel tijd in beslag nam. Ik vond het op Park Güell in Barcelona lijken. Het kleine park had een groot standbeeld met twee geliefden in een innige omhelzing. Interessant waren ook de mozaïeken muren en banken met Spaanse zegswijzen rond de liefde. Het werd echter snel laat, waardoor we nog een keer de spits van Lima doorstonden om terug te geraken naar het centrum waar we iets gingen eten.

We aten, na een taxirit naar het centrum, in een lokaal Italiaanse restaurantje waar ik van de gelegenheid gebruik nam om van een ossobucco te genieten met een heerlijke fles Concha y toro (deze keer de merlotversie, maar de carbernet sauvignon was net iets meer karaktervol). Daarna volgde een splitsing: vijf mensen die iets wilden gaan drinken omdat het de laatste avond was en de andere vijf die wilden gaan slapen. We dronken iets in een lokale cocktailbar die er vrij louche uitzag. De bazin van dit ‘kot’ deed daar overigens niet veel goed aan door aan paniekzaaierij te doen. We moesten oppassen voor mogelijke dieven, maar de enige mensen die er waren buiten ons was zijzelf en de barman. De Pisco Sour werd gemaakt met wodka, wat op zijn minst opmerkelijk was aangezien Pisco zowat het hoofdbestanddeel is van een Pisco Sour. Wodka Sour dan maar? Vreemd. Maar al te vreemd. Daarna gingen we rustig naar het hotel toe. Er bleken geen pillen in onze cocktails gedraaid te zijn. Daar gaat onze sjamanistische ervaring. Iets wat je in Peru blijkbaar ook kan doen. Een andere keer dan maar.

Toen gebeurde datgene wat elke reiservaring zoveel rijke maakte: een spontane ontmoeting met de lokale bevolking. Niet dat we dat eerder niet hebben kunnen meemaken. Maar toch niet zo spontaan als deze keer. Dit kwam door het nemen van de foto’s waar enkele lokale voetballende kinderen mee op stonden. We deden mee met hen en vermaakten ons voor een lange tijd door tegen de bal te trappen. Dat het half twee ’s nachts was en dat deze kinderen nog volop aan het voetballen waren vonden we vreemd. En meer zelfs aangezien zij de dag erna naar school moesten gaan maar blijkbaar was er een familiefeest in de lokale buurtwinkel. We mochten meegenieten van de verjaardagstaart en een donkere Cusqueña, die een lichte fruitige toets had maar wel bitter smaakte. De dames van ons illustere gezelschap dansten met de jongens en de enige man in het gezelschap, ondergetekende, trok de foto’s en genoot van de gemoedelijke sfeer. We gingen laat slapen, nagenietend van deze uitbarsting van spontaniteit. Het is dit soort onverwachte situaties die een werkelijke meerwaarde bieden aan reizen. En dan komt de onvermijdelijke vraag: waarom morgen al vertrekken? Waarom blijf ik hier niet een paar dagen, een paar weken of een paar maanden langer?