TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Roes

Hexenschaukel

‘Een paar keer mompelde ik de woorden van Ariostes: “Wanneer de dood ook komt, een groot hart voelt geen afgrijzen zolang hij maar roemrijk is”. Dat wekte een aangenaam soort dronkenschap op, ongeveer zoals je je in een Hexenschaukel voelt. Toen de granaten mijn oren even rust gunden, hoorde ik naast me fragmenten van het mooie lied van de Zwarte Walvis in Askalon klinken en dacht dat mijn vriend Kius de kolder in de kop had gekregen. Maar iedereen kende zo zijn eigen spleen’.

Ernst Jünger in In Stahlgewittern

“Zomerzonnewendefeest!”

‘Zomerzonnewendefeest!’ zei Hans Castorp. ‘Zomerzonnewende! Vuur in de bergen, en hand in hand dansen om de laaiende vlammen heen! Niet dat ik het ooit gezien heb, maar ik heb gehoord dat het gedaan wordt door oermensen, zo vieren zij hun eerste zomernacht waarmee de herfst begint, middaguur en hoogtepunt van het jaar, vanwaar het weer bergaf gaat – ze dansen juichend in de rondte. Waarom juichen ze in hun oertoestand? Kun jij daar hoogte van krijgen? Waarom zijn ze zo door het dolle heen? Omdat het van nu af aan naar beneden gaat, naar het donker toe, of misschien omdat het tot nu toe omhoog gegaan is en het keerpunt gekomen is, het onvermijdelijke keerpunt, midzomernacht, het absolute hoogtepunt, met een brooddronkenheid vermengd met weemoed? Ik zeg het maar, zoals het is, met de woorden die me toevallig te binnen schieten. Het is melancholieke brooddronkenheid en brooddronken melancholie, die de oermensen doet juichen en rondom de vlammen dansen; ze doen het uit positieve wanhoop, als je wilt, ter ere van de clowneske grap van de kringloop en de eeuwigheid zonder richtingsduur, waarin alles terugkeert’.

MANN, Thomas, De Toverberg, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2010, 478.

“In ondoorgrondelijke harmonie”

“Hoger echter nog dan deze uren, die in fonkelende vrolijkheid vergleden, waardeerden wij de stille weg naar huis door wijngaarden en velden in diepe dronkenschap, wanneer de morgendauw reeds neersloeg op het bonte lover. Wanneer wij de Hanenpoort van de kleine stad achter ons hadden zagen wij aan onze rechterhand wit het strand langs het meer, en links van ons rezen, hel stralend in het maanlicht, de Marmerklippen omhoog. Daartussen ingebed strekten zich de heuvels met hun wijnstokken uit, en ons pad ging op in de hellingen.

Met deze nachtelijke tochten zijn herinneringen verbonden aan een helder, verbaasd ontwaken dat ons zowel met schroom als opgewektheid vervulde. Het was of wij uit de diepte van het leven omhoog rezen naar de oppervlakte. Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes – soms de bokshoorn, die de boeren daar aan hoge palen in de bodem van hun wijngaard slaan, soms de oehoe die met gele ogen op de nok van een schuur zat, of een meteoor die spattend door het zwerk schoot. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotselinge rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen hen in de wijnbergen, met schrik en diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook.”

JÜNGER, Ernst, Op de Marmerklippen, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 1999, 8-9.

11/11/11

We hadden collegezalen, klaslokalen en werkbanken verlaten en waren tijdens de korte opleidingsweken aaneengesmeed tot een grote, geestdriftige eenheid. Opgegroeid in een tijd van veiligheid, hunkerden we allen naar het ongewone, het grote gevaar. En de oorlog was over ons gekomen als een roes. In een regen van bloemen waren we vertrokken, in een dronkenschap van rozen en bloed. De oorlog zou ons immers allemaal brengen – grootsheid, kracht, waardigheid. Het leek ons een mannelijk ondernemen, een vrolijke schuttersstrijd op bloemrijke, bloedbedauwde velden. “Geen schoner dood ter wereld”. Ach, vooral niet thuisblijven, vooral mee mogen doen!

Ernst Jünger, In Stahlgewittern

Extatisch! Roes! Mysterie! Kunst in de Fin de Siècle.

‘Nietzsche beschrijft het ontwikkelingsproces (exces en extase naar tragedie, -red.) in afzonderlijke fasen. In de roes verliest de enkeling het bewustzijn van zijn individualiteit; hij gaat op in de opgewonden feestmassa, versmelt ermee. In dat opgewonden collectieve lichaam circuleren visioenen en beelden waar de tot een eenheid versmolten enkelingen elkaar onderling mee aansteken. De dionysisch geëxalteerden geloven hetzelfde te zien en te beleven. Maar dan komt voor iedereen altijd weer het ogenblik waarop hij uit die roes ontwaakt en terugvalt in zijn verenkeling. Dat is de moeilijke en riskante overgang naar de ontnuchtering, een overgang die en rituele begeleiding en ondersteuning vergt. De opvoering van de tragedie aan het eind van het dionysische feest is niets anders dan dit ritueel van de overgang uit de collectieve roes naar het alledaagse leven in de stad’.[1]

Het bovenstaande citaat beschrijft hoe de dionysische persoon uit zichzelf treedt en deel uitmaakt van de collectieve roes. Nietzsche’s filosofie had een sterke impact op het denken in de negentiende en twintigste eeuw, maar ook op de kunst in de fin de siècle. De afkeer van het burgerlijke ‘socratische’ rationalisme en vooruitgangsideologie kwam tot uiting in het schilderen van niet-historiserende kunst die vaak mystiek en raadselachtig overkwam. Geïnspireerd door de dionysische elementen in de filosofie van Nietzsche gebruikten veel kunstenaars geëxalteerde figuren in hun beeldtaal.

Gustav Klimt en de Secessionbeweging zijn wellicht de meest bekende rebellen die zich afzetten tegen de burgerlijke kunst. Deze was sterk historiserend en had tot doel een duidelijke boodschap van autonomie, vrijheid en rede naar buiten te brengen. De kunst van Klimt was anders, oppert de cultuurhistoricus Carl Schorske: ‘in Klimts universum was de maatschappelijk gesteunde van geestelijk meesterschap verdwenen ten overstaan van een raadselachtige, almachtige natuur en de innerlijke gevoelens van de daarin verwikkelde machteloze mens’[2]. Schorske merkte in Klimts’ kunst een verschuiving van prometheïsche naar epimetheïsche cultuurhelden[3]. Waar de actie en het streven naar verandering een prominente plaats vertegenwoordigde in de Europese cultuur werd dit vervangen door een reflecterende en passieve houding. Niet de vooruitziende Prometheus, maar de terugblikkende Epimetheus was het culturele archetype.

 

Het modernisme aan het einde van de 19de eeuw creëerde een belangrijke maatschappelijke cesuur. Het was een vorm van cultuurkritiek op de gefaalde Westerse liberale verwachtingen en betekende het einde van een eenzijdig positivistisch vooruitgangsoptimisme. De nadruk lag niet meer op het verleden maar op het heden, al werd die ambigu beleefd. Maar deze belangrijke verandering in de cultuurgeschiedenis bleef niet alleen beperkt in Wenen. De liberale crisis aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werd in vele Europese hoofdsteden ervaren. Door het ambigue karakter van het modernisme werd deze breuk op verschillende wijzen verwerkt. Klimts meer abstracte kunst was prominent in Wenen, maar andere kunstenaars zoals de Fransman Joseph-Kuhn Régnier hanteerden een duidelijkere beeldtaal, zoals de onderstaande voorbeelden aantonen.

P.

Joseph-Kuhn Régnier - Amoureux

Joseph-Kuhn Régnier - Dans le erate (1913)


[1] SAFRANSKI, Rüdiger, Nietzsche. Een biografie van zijn denken., Olympus, s.l., 51

[2] SCHORSKE, Carl, Wenen in het Fin de Siècle. De crisis van het liberalisme en het ontstaan van de moderne kunst, Agon, s.l., s.d., 213

[3] Prometheus en Epimetheus waren broers in de Griekse mythologie. Epimetheus gaf aan ieder dier een positieve eigenschap, maar toen de mensheid aan de beurt kwam had hij er geen meer over. Daarom stal Prometheus het vuur van Zeus en gaf het aan de mensheid, waarvoor hij vastgeketend werd en een vreselijk lot tegemoet ging.