TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Rusland

Žižek: de verdubbeling van het woord

Slavoj Žižek

Slavoj Žižek

(…) waarom zouden we geen emancipatorisch verschil zien in een schijnbaar ‘reactionair’ begrip als ‘Russische identiteit’? Misschien kan de eigenaardigheid van woorden onze gids zijn in deze kwestie: het Russisch kent vaak twee woorden voor dezelfde term (of wat voor ons westerlingen dezelfde term lijkt), waarvan het ene zijn gewone betekenis weergeeft, en het andere een meer ethisch geladen ‘absoluut’ gebruik heeft.

Zo is er het woord istina, het gewone woord voor waarheid als overeenstemming met feiten; en Pravda (meestal met hoofdletter), de absolute Waarheid die ook verwijst naar de ethisch toegewijde ideale orde van het Goede. Zo is er het woord svoboda, de gewone vrijheid om binnen de bestaande sociale orde te doen wat we willen; en volja, de meer metafysisch geladen absolute drang om je wil te volgen tot op het punt van zelfvernietiging. Zoals de Russen graag zeggen: in het Westen heb je svoboda, maar wij hebben volja. (…)

ZIZEK, Slavoj, Welkom in de woestijn van de werkelijkheid, Amsterdam: Uitgeverij SUN, 2005, 86.

Advertenties

Russische tafelmanieren

Maar rang bracht ook aanzienlijke materiële privileges met zich mee. Zo werden de paarden bij de poststations strikt volgens de status van de reizigers toegewezen. Bij banketten werd het eten eerst aan de hogere rangen geserveerd, die bij de gastheer aan het hoofd van de U-vormige tafels zaten, en daarna pas aan de lagere rangen, die aan de uiteinden van de tafel zaten. Wanneer de gasten aan het hoofd van de tafel voor de tweede maal bediend wensten te worden, dan werden de uiteinden helemaal niet bediend. Vorst Potjomkin nodigde eens een lagere edelman uit voor een banket in zijn paleis, waarbij de gast een plaats aan het uiteinde van de tafel kreeg toegewezen. Na afloop van het maal vroeg de gastheer hem of het had gesmaakt. ‘Zeer goed, Uwe Excellentie’, antwoordde de gast. ‘Ik heb alles kunnen zien’.

FIGES, Orlando, Natasja’s dans. Een culturele geschiedenis van Rusland, Het Spectrum bv, Antwerpen, 2012, 40.

Pitirim Sorokin spreekt …

The organism of the Western society and culture seems to be undergoing one of the deepest and most significant crises of its life. The crisis is far greater than the ordinary; its depth is unfathomable, its end not yet in sight, and the whole of the Western society is involved in it. It is the crisis of a Sensate culture, now in its overripe stage, the culture that has dominated the Western World during the last five centuries. It is also the crisis of a contractual (capitalistic) society associated with it. In this sense we are experiencing one of the sharpest turns in the historical road…. The diagnosis of the crisis of our age which is given in this chapter was written…. Gigantic catastrophes that have occurred since that year…strikingly confirm and develop the diagnosis…. Not a single compartment of our culture, or of the mind of contemporary man, shows itself to be free from the unmistakable symptoms….

Shall we wonder, therefore, that if many do not apprehend clearly what is happening, they have at least a vague feeling that the issue is not merely that of “prosperity,” or “democracy,” or “capitalism,” or the like, but involves the whole contemporary culture, society, and man? …

Shall we wonder, also, at the endless multitude of incessant major and minor crises that have been rolling over us, like ocean waves, during recent decades? Today in one form, tomorrow in another. Now here, now there. Crises political, agricultural, commercial, and industrial! Crises of production and distribution. Crises moral, juridical, religious, scientific, and artistic. Crises of property, of the State, of the family, of industrial enterprise…Each of the crises has battered our nerves and minds, each has shaken the very foundations of our culture and society, and each has left behind a legion of derelicts and victims. And alas! The end is not in view. Each of these crises has been, as it were, a movement in a great terrifying symphony, and each has been remarkable for its magnitude and intensity.

Sorokin, Pitirim A. Social and Cultural Dynamics. 4 vols. 1937 (vols. 1-3), 1941 (vol. 4); rev. 1957 (reprinted: Transaction Publishers, 1985)., pp. 622-623)

Klik en lees meer.

“2 x 2 = 4 is het begin van de dood”

Dostojevski

Nooit dat gevoel gehad dat als je dat lang verlangde doel bereikt, je met een leeg gevoel in het leven komt te staan? Dat je je afvraagt wat je nu moet doen, en eigenlijk wenst dat je terug in die staat van verlangen bent? Dat het leven op dat moment te perfect is en je liever een gevoel van verbetering ervaart dan een van voldaanheid? Want het voldane lijkt je doods, statisch, afgeborsteld en om eerlijk te zijn overheerst op dat moment een gevoel van inertie en vervreemding. Verlang je dan niet, als ware het vanuit een natuurlijk instinct, terug naar het rusteloze zoeken? Dostojevski heeft bij de aanvang van zijn schrijverschap een opmerkelijk boek geschreven, waar hij qua gewaagdheid niet hoeft onder te doen voor een vurige Nietzsche in het hoogtepunt van zijn filosofische carrière. En hij spreekt in dat vermaarde boek ook van dat bereikte doel, dat “alleraardigst dingetje” dat zoveel angst inboezemt.

“En wie weet (maar en kan er niet voor instaan), misschien bestaat het hele doel, waarnaar het mensdom hier op aarde streeft, in het onafgebroken proces van het streven, anders gezegd – in het leven zelf, maar niet in een bepaald doel, dat natuurlijk niet anders kan zijn dan 2 x 2 = 4; dat is: een formule, maar 2 x 2 = 4 is niet het leven, maar het begin van de dood.

De mens is tenminste altijd bang geweest voor dit 2 x 2 = 4, en ik ben er nu ook bang voor. Laten we aannemen, dat de mens niet anders doet, dan dat 2 x 2 = 4 opzoeken, dat hij oceanen overzwemt, zijn leven opoffert om het te vinden, maar dat hij het werkelijk zal vinden; mijn God, daarvoor is hij bang. Want hij voelt, dat, als hij het gevonden heeft er dan niets meer te zoeken is.

Als arbeiders hun werk geëindigd hebben, krijgen ze tenminste geld, ze gaan naar de kroeg, ze worden opgebracht; nu, daarmee is dan hun week gevoeld. Maar waar moet de mens heengaan? Elke keer, als hij zulk een doel bereikt heeft, kan men opmerken, dat hij zich niet op zijn gemak voelt. Van streven houdt hij, maar van het bereiken in ’t geheel niet, en dat is ten slotte hoogst belachelijk.

In één woord, de mens is komisch geschapen; in dat alles schuilt blijkbaar een grap. 2 x 2 = 4, dat is het allerondraaglijkste, 2 x 2 = 4 is, naar mijn mening, alleen maar een onbeschaamdheid; 2 x 2 = 4 kijkt als een fat, staat dwars op uw weg met de handen in de zij en spuwt. Ik ben er het mee eens, dat 2 x 2 = 4 een voortreffelijk ding is, maar als men toch eenmaal aan het prijzen is, dan vind ik  2 x 2 = 5 soms ook een alleraardigst dingetje.”

DOSTOJEVSKI, Fjodor, Memoires uit het souterrain, J. Meulenhoff, Amsterdam, 1961, 44-45.

“Er valt hier iets te verrichten!”

Hieronder een fraai staaltje van negentiende-eeuwse Slavofilie, de grote tegenhanger van de liberaal-progressieve stroming die in de negentiende eeuw in Rusland bestond. Terwijl de ene stroming in Rusland het derde Jeruzalem zag, keken anderen naar het Westen, en dan vooral naar Frankrijk, om Rusland te bevrijden van haar reactionaire neigingen. Dostojevski ervoer in zijn jonge jaren een Aha-erlebnis in een gevangenis in Siberië, toen hij opgepakt was omdat hij behoorde tot de radicale kring van Petrasjevski, die socialistische en idealistische ideeën had. In een eerder artikel op deze blog heb ik Dostojevski en de Slavofielen in dit ruimer kader geplaatst: “Wellust werd de worm gegeven!”. Het onderstaande stukje is een citaat van Prins Mysjkin, oftewel de idioot in de gelijknamige roman.

Luister eens, Parfjon, je hebt mij zoëven een vraag gesteld: hier is mijn antwoord: de kern van het religieuze gevoel kun je bij geen redenaties, geen vergrijpen of misdaden, bij geen enkele atheïstische theorie onderbrengen; het gaat hier om iets totaal anders, altijd over iets anders; wij hebben hier te maken met iets, waar het atheïsme altijd en eeuwig op zal uitglijden en alle atheïsten zullen het eeuwig over iets anders blijven hebben. Maar de hoofdzaak is dat je deze waarheid het duidelijkst en snelst opvalt in een Russisch hart en dat is dan mijn konklusie! Dit is een van mijn voornaamste overtuigingen die ik uit ons Rusland meeneem. Er ligt hier een arbeidsveld braak, Parfjon! Er valt hier iets te verrichten in onze Russische wereld, geloof mij!

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 274.

“Een heel gekke geschiedenis”

Een heel gekke geschiedenis, het is in twee woorden verteld, begon de generaal zelfvoldaan. Twee jaar geleden, ja, dat klopt wel ongeveer, het was kort na de opening van de nieuwe spoorweg, had ik, (en ik was toen al civiel) mijn handen vol met allerlei beslommeringen in verband met mijn dienstoverdracht en zo nam ik op een keer een kaartje eerste klas: ik stapte in de trein, ging zitten en begon te roken. Of liever gezegd: ik ging door met roken, want ik had mijn sigaar al eerder opgestoken. Ik zat moederziel alleen in mijn coupé. Roken is daar niet verboden, maar ook niet direct toegestaan; ze laten het oogluikend toe, zoals dat vaak gaat en het hangt er ook van af, wie er rookt.

Het coupéraampje stond open. En opeens, net voor het vertreksein, stappen er twee dames in met een schoothondje en gaan recht tegenover mij zitten; ze waren net op het nippertje. Een van die twee was chique gekleed, in het lichtblauw, de andere dame bescheidener in een zwartzijden japon met een pelerine. Ze waren niet onknap, van die gezichten wie-doet-me-wat? en ze spraken Engels. Ik nam natuurlijk geen notie van ze en rookte lekker door. Dat wil zeggen, ik aarzelde wel even, naar ging er toch maar mee verder, het raampje stond immers open en ik blies de rook naar buiten. Het hondje maakte zich gemakkelijk op de schoot van de lichtblauwe dame, het was zo’n klein, zwart mormel, niet groter dan mijn vuist, met van die witte pootjes, een zeldzaam exemplaar zelfs. Een zilveren halsband met de een of andere inskriptie.

Ik bemoei me nergens mee. Ik merk alleen dat de dames zich ergens over schenen op de winden, over die sigaar van mij natuurlijk. Een van de twee fixeerde mij door een lorgnet met een handvat van schildpad. Ik doe nog aldoor of mijn neus bloedt, zij van hun kant geven immers ook geen kik! Hadden ze er ook maar iets van gezegd, gewaarschuwd, gevraagd, ze hebben toch een tong in hun mond! Maar niks daarvan, geen boe of ba … tot me daar die lichtblauwe opeens, – en zonder de geringste waarschuwing, zeg ik u, zonder iets erop wees, zo maar pardoes, alsof het haar plotseling in haar bol was geslagen, – mijn sigaar afpakte en die hup het raam uitsmeet!

De trein vliegt over de rails, ik zit te kijken of ik een klap van de molen beet heb. Een wilde vrouw; een volkomen wild wijf, zo een uit het oerwoud overgeplant, een dikkerd anders, zo’n grote blondine met van die weelderige vormen en een rood gezicht (te rood zelfs) en een paar vuurschietende ogen, waarmee ze mij probeert te verzengen.

Zonder een woord te zeggen, maar buitengewoon beleefd, met een volmaakte beleefdheid, met een verfijnde beleefdheid om het zo uit te drukken, steek ik mijn duin en wijsvinger naar het schoothondje uit, pak het dier behoedzaam in zijn nekvel en slinger het door het coupéraampje naar buiten, mijn sigaar achterna! Het jankt even … De trein snelt verder …

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 138-139.

“Wellust werd de worm gegeven!”

Noot: Over twee weken begin ik terug aan De Broers Karamazov. Het zal het vierde jaar zijn dat ik terug aan het boek begin (en zal eindigen). Het is mijn favoriete boek. Een favoriet boek is zoals je dierbaarste geliefde, denk ik soms. Er zijn talloze potjes en dekseltjes, maar toch overtuig je jezelf ervan dat er maar één dekseltje bestaat dat op slechts één potje past. Hetzelfde geldt voor boeken. Het gaat om een aantrekkingskracht die je niet kan verklaren. Hieronder een tekst die misschien wel, misschien niet, een deel van het geheim van mijn aantrekking tot dit magische boek kan ontsluieren.

 ————————————————————–

“En ik ben zo’n worm, broer, dat is speciaal over mij gezegd. En wij, Karamazovs, zijn allemaal net zo, ook in jou, engel, leeft die worm en veroorzaakt stormen in je bloed. Stormen, omdat de wellust een storm is, erger dan een storm!”

De westerse geest staat lijnrecht tegenover de Russische ziel, meent Dostojevski. De gebroeders Karamazov van zijn gelijknamige roman zijn daar een goede illustratie van. Het verhaal vindt plaats in het Russische provinciestadje Skotoprigonjevsk, een universum waar de Rede slechts theoretische nonsens lijkt. Het hoofdverhaal draait rond de moord op de ontaarde en stompzinnige vader Fjodor Pavlovitsj Karamazov, hoewel er onzekerheid heerst over zijn moordenaar. Zijn zoon Dmitri is de hoofdverdachte, die met zijn vader een onenigheid heeft rond een erfenis en een jonge vrouw genaamd Groesjenka. Naast Dmitri (Mitja) wordt ook het bastaardkind annex dienstknecht Smerdjakov in verband gebracht met de moord. Deze werd besmet met het amoralisme van Ivan uit Fjodors tweede huwelijk. Ivan is een raadselachtige, verwarde atheïst die auteur is van ‘de grootinquisiteur van Sevilla’. Daarin sleept hij Jezus voor de inquisitie omdat hij de mensheid met iets onmogelijks heeft opgezadeld, namelijk vrijheid.

Het verhaal culmineert in een rechtbankdrama waarin de begrippen moraal en waarheid zorgvuldig worden behandeld en uiteindelijk een vonnis wordt gesteld. Religie speelt een sleutelrol in het boek, die een stabiliserende factor is en een gemeenschap aan elkaar smeedt. Recente filosofische dwalingen en een groeiend individualisme schudden deze gemeenschap echter stevig door elkaar. Dostojevski laat de eclatante twisten in het provinciestadje afwisselen met gebeurtenissen die zich afspelen in het klooster, dat zich net buiten de stad bevindt. In de beschrijving van het contemplatieve en mystieke leven van ‘Aljosja’ Karamazov, de jongste zoon van de patriarch, en starets Zosima ziet Dostojevski een ideaalbeeld van de verloren harmonie. Maar ook in deze harmonische gemeenschap gebeuren vreemde dingen, die de kosmische orde verstoren.

Het religieuze element moest en zou de ‘goede Russische ziel’ karakteriseren. De ongelovigen doet de personages in het boek belanden in een maalstroom van slecht verwerkte ideeën die hun oorsprong vinden in de West-Europese Verlichting. Zij leiden vooral tot de ondermijning van het traditionele geloof zonder daar een alternatief tegenover te stellen. Daardoor lijkt Dostojevski de tragische zin van het leven te begrijpen door de hand van de wijsheid van het hart en niet door de Rede, dat de waarheidszoekende mens enkel op een dwaalspoor zou zetten. In het boek zijn de atheïsten gemartelde individuen die niet wegraken van de gemeenschap maar er ook niet naar terug kunnen. In de negentiende eeuw bestond de opvatting dat monniken parasieten, genotzoekers, wellustelingen en onbeschaamde vagebonden waren. Dostojevski wist dat dit beeld niet klopte. Zijn jeugd had hij doorgebracht in een diepreligieus huishouden en ieder jaar had hij zijn ouders vergezeld op hun pelgrimstocht naar het Drievuldigheidsklooster van de Heilige Sergius buiten Moskou.

Dostojevski toont duidelijk de complexiteit aan tussen destructieve vader-zoonrelaties, de stormachtige discrepantie tussen westerse en Slavische maatschappijbeelden en atheïsme en het geloof. Hij komt echter niet prekerig over. Het boek is een odyssee waarin hij zijn filosofische vraagstukken uitvoerig uitwerkt, maar op een manier dat de personages zelf op zoek zijn naar de waarheid. Het is deze subtiele zoektocht naar vraag en antwoord die het boek zo bijzonder maakt, omdat de verleiding tot atheïsme zo reëel en overtuigend lijkt alsof Dostojevski zelf een atheïst is geworden.

De latente maatschappijkritiek die Dostojevski levert is subtiel maar krachtig. Zo klaagt hij het westerse rationalisme aan omdat ze geen ruimte overlaat aan de spirituele dimensie. Deze is volgens hem net cruciaal. Voor hem is de Rede niet de hoogste vorm van kennis. Daarom staan figuren zoals Ivan Karamazov en zijn broer Aleksej zo sterk in contrast met elkaar, ondanks hun familiebanden. De ene is compleet het noorden kwijt en de andere wordt door velen bewonderd voor zijn oprechtheid. Door de zwaarmoedige manier van schrijven is het geen gemakkelijk boek om te lezen. Maar het laat een stevige indruk na bij de lezer. Het is een van die literaire meesterwerken die maandenlang blijft nazinderen. Bovendien eindigt het boek met een relatief positieve noot, waarbij de actoren in waardigheid groeien. Ondanks de duistere gedachten die in het boek verschijnen, geloofde Dostojevski dat Rusland ooit haar eigen twijfels en haar eigen onwerkelijkheid zou overstijgen en moreel superieur zou staan tegenover het Westen. Wellicht had hij nooit durven denken dat dit in de vorm van een communistische staat zou zijn.

 

P.

Pjotr leest … Dostojevski (2)

‘Kun je het dan niet raden?’ vroeg hij plotseling met de gewaarwording alsof hij zich van een toren naar beneden stortte.

‘Nee’, fluisterde Sonja nauwelijks hoorbaar.

‘Kijk eens goed’.

En zodra hij dit had gezegd, verkilde hij plotseling tot in zijn ziel door die bekende gewaarwording van toen: hij keek haar aan en plotseling was het alsof hij in haar gezicht het gezicht van Lizaveta zag. Helder zag hij weer de uitdrukking op Lizaveta’s gezicht voor zich toen hij met de bijl op haar afkwam en ze achteruitliep naar de wand, haar arm naar voren gestrekt en met een volslagen kinderlijke angst op haar gezicht, precies zoals kleine kinderen, wanneer ze plotseling ergens bang voor worden, onbeweeglijk en angstig naar het voorwerp staren dat hun schrik aanjaagt, achterwaarts weglopen en met hun armpje naar voren gestrekt elk moment kunnen gaan huilen. Bijna hetzelfde gebeurde nu met Sonja: even machteloos, met dezelfde angst, keek ze hem enige tijd aan om dan ineens haar linkerarm voor zich uit te strekken, nauwelijks, heel licht met haar vingers tegen zijn borst te duwen en langzaam van het bed op te staan waarbij ze steeds verder bij hem vandaan ging en hem steeds onbeweeglijker aanstaarde. Haar ontzetting sloeg plotseling ook op hem over: precies dezelfde schrik tekende zich ook op zijn gezicht af, precies zo begon ook hij naar haar te staren, en bijna zelfs met datzelfde kinderlijke glimlachje.

‘Heb je het geraden?’ fluisterde hij ten slotte.

DOSTOJEVSKI, Fjodor M, Misdaad en Straf, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam, 2007, 428-429.

Pjotr leest … Dostojevski

‘Hoezo? Wat wil dat zeggen? Het recht op misdaad? Maar toch niet ‘door inwerking van het milieu’?’ wilde Razoemichin zelfs enigszins geschrokken weten.

‘Nee, nee, niet alleen daardoor,’ antwoordde Porfiri. ‘Het komt er helemaal op neer dat alle mensen in mijnheers artikel in “gewone” en in “buitengewone” kan worden verdeeld. Gewone mensen behoren in gehoorzaamheid te leven en hebben niet het recht de wet te overtreden omdat ze, ziet u, gewone mensen zijn. Maar buitengewone mensen hebben het recht allerlei misdaden te begaan en de wet op allerlei manieren te overtreden, alleen al daarom omdat ze buitengewone mensen zijn. Zo zegt u het toch als ik me tenminste niet vergis?’.

‘Hoe kom je erbij? Dat kan hij toch nooit zo gezegd hebben!’ mompelde Razoemichin verbaasd.

Raskolnikov grinnikte weer. Hij had meteen begrepen waarom het ging en waar men hem wilde hebben; hij herinnerde zich zijn artikel. Hij besloot de uitdaging te aanvaarden.

‘U hebt mij niet helemaal juist geciteerd,’ begon hij eenvoudig en bescheiden. ‘Trouwens, ik moet toegeven dat u het bijna getrouw hebt weergegeven, zelfs, zo u wenst, volmaakt getrouw … (Hij leek het plezierig te vinden om toe te geven dat het volmaakt getrouw was). Het verschil ligt slechts hierin dat ik helemaal niet met nadruk stel dat buitengewone mensen beslist gehouden en verplicht zijn om altijd allerlei onoorbare handelingen te verrichten zoals u zegt. Het komt mij zelfs voor dat een dergelijk artikel ook niet in druk had mogen verschijnen. Ik heb er slechts heel eenvoudig op gezinspeeld dat een “buitengewoon” mens het recht heeft … Dat wil zeggen, niet het formele recht, maar dat hij het recht met zijn geweten overeen te komen om over … bepaalde obstakels heen te stappen, en dan alleen nog in dat geval wanneer het verwezenlijken van zijn idee (dat soms misschien wel heilzaam kan zijn voor de gehele mensheid) dit eist. U meende te moeten zeggen dat mijn artikel vaag was; ik ben bereid om het u zo goed mogelijk uit te leggen. Ik vergis me misschien niet wanneer ik veronderstel dat dit ook uw wens lijkt te zijn; staat u mij dus toe.

Ik ben van mening dat, indien de ontdekkingen van Kepler en Newton ten gevolge van bepaalde combinaties de mensheid niet anders bekend hadden kunnen worden dan door het opofferen van één, tien, honderd, enzovoort mensen die deze ontdekking in de weg hadden gestaan of verhinderd, Newton het recht en zelfs de plicht zou hebben gehad … om deze tien of honderd mensen uit de weg te ruimen om zijn ontdekkingen aan de gehele mensheid te openbaren. Dit wil trouwens helemaal niet zeggen dat Newton het recht zou hebben om iedereen, de eerste de beste, naar goeddunken te vermoorden of elke dag op de markt te gaan stelen. Verder, herinner ik me, ontwikkel ik in mijn artikel de gedachte dat alle … wel, bijvoorbeeld, wetgevers en grondleggers van de beschaving, te beginnen bij de alleroudste en vervolgens mensen zoals Lycurgus, Solon, Mohammed, Napoleon, enzovoort, allemaal stuk voor stuk misdadigers waren, alleen al daarom omdat ze bij het uitvaardigen van een nieuwe wet juist door deze uitvaardiging de oude door de gemeenschap als heilig beschouwde en door hun vaderen overgeleverde wet schonden  en natuurlijk geen halt hielden wanneer het tot bloedvergieten kwam, indien het vergieten van dat bloed (soms geheel onschuldig en roemrijk vergoten voor de oude wet) hen helpen kon. Het is zelfs opvallend dat een groot deel van deze weldoeners en grondleggers van de mensheid verschrikkelijke bloedvergieters waren.

Kortom, mijn gevolgtrekking is dat alle mensen, en niet slechts de groten maar ook zij die nauwelijks het rechte spoor verlaten, die dus zelfs nauwelijks in staat zijn iets nieuws te zeggen, van nature, in meer of mindere mate vanzelfsprekend, beslist misdadigers moeten zijn. Anders zou het moeilijk voor hen zijn om het rechte spoor te verlaten en ook zouden ze er zich natuurlijk niet bij neerleggen, wederom van nature, om in het rechte spoor te blijven, en volgens mij hebben ze zelfs die plicht om zich daar niet bij neer te leggen. Kortom, u ziet: er is hier tot nu toe niets dat bijzonder nieuw is. Dit is al duizend maal gedrukt en gelezen.

Wat betreft mijn indeling van de mensen in gewone en buitengewone, ik moet toegeven dat die enigszins willekeurig is, maar ik sta immers niet op exacte cijfers. Ik geloof alleen in mijn belangrijkste gedachte. Die behelst namelijk dat de mensen volgens de wet van de natuur over het algemeen in twee categorieën worden verdeeld: in een lagere (van de gewone), dus zogezegd in materiaal dat alleen maar dient tot het voortbrengen van zijn eigen soort, en in eigenlijke mensen, dat wil zeggen in hen die de gave of het talent bezitten om in hun milieu iets nieuws te verkondigen. Er zijn hierbij vanzelfsprekend eindeloze onderverdelingen, maar beide categorieën zijn nogal scherp afgebakend: de eerste categorie, het materiaal dus in het algemeen gesproken, is die van de van nature conservatieve en keurige mensen, die in gehoorzaamheid leven en ervan houden om gehoorzaam te zijn. Volgens mij is het ook hun plicht om gehoorzaam te zijn omdat dit hun bestemming is, en hierin steekt voor hen absoluut niets vernederends. De mensen van de tweede categorie overtraden allen de wet; het zijn omverwerpers of gezien hun kwaliteiten daartoe geneigd. Het spreekt vanzelf dat de misdaden van deze mensen betrekkelijk en zeer verschillend zijn; zij eisen merendeels, in uitingen van velerlei vorm, de omverwerping van het bestaand ein naam van het betere; Maar indien hij voor zijn ideaal over lijken zou moeten gaan of bloed moeten vergieten, dan kan hij zichzelf volgens mij, innerlijk, met een zuiver geweten, veroorloven om bloed te vergieten; echter, bedenk dit wel: met inachtneming van het ideaal en zijn maatstaven. Het is dan ook slechts in deze zin dat ik in mijn artikel over hun recht op misdaad spreek. (u herinnert zich toch dat we van het juridische vraagstuk uitgingen?)

Er is trouwens weinig reden tot ongerustheid: de massa zal hun bijna nooit dat recht toekennen; die stelt hen terecht en hangt hen op (min of meer) en vervult daarmee geheel rechtmatig haar conservatieve bestemming, met het voorbehoud echter dat deze zelfde massa in de volgende generaties de terechtgestelden op een voetsutk plaatst en hen (min of meer) vereert. De eerste categorie is altijd heer van het heden, de tweede categorie is heer van de toekomst. De eersten behoeden de gemeenschap en zorgen voor getalsmatige vermeerdering; die van de tweede houden de gemeenschap in beweging en leiden haar naar haar bestemming. Zowel dezen als genen hebben een volkomen gelijkelijk recht om te bestaan. Kortom, bij mij zijn allen gelijkberechtigd en, vive la guerre éternelle, tot het Nieuwe Jeruzalem, dat spreekt vanzelf’.

DOSTOJEVSKI, Fjodor M, Misdaad en Straf, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam, 2007, 269-271