TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Traditionalisme

Het onbewogen koningschap en de revolte

[…]

Als startpunt gebruiken we het Hindoedenkbeeld van de cakravartin, of “universele koning”. De cakravartin geldt als een archetype van de koninklijke functie, waar verscheidene koningen, die aan het traditionele principe voldoen, min of meer complete beelden of zelfs bijzondere uitdrukkingen van vertegenwoordigen. Cakravartin betekent letterlijk “heer” of “spinner van het wiel”. Dit denkbeeld brengt ons terug naar het idee van een centrum dat ook aan een innerlijke staat, een manier van Zijn of, beter, dé weg van het Zijn, beantwoordt.

In feite symboliseert het wiel ook de samsara of de stroom van het worden (de Hellenen noemden dit het “wiel van de generatie” of “het wiel van het Lot”). Zijn bewegingsloos centrum duidt op de inherente spirituele stabiliteit van zij die niet door deze stroom worden beroerd en die de aan de inferieure aard verbonden energieën en activiteiten kunnen organiseren en onderwerpen aan een hoger principe. Dan verschijnt de cakravartin als de dharmaraja, de “Heer van de Wet” of “de Heer van het Wiel van de Wet”. Volgens Confucius: “Het overheidsbedrijf via deugd kan vergeleken worden met de poolster, aan wie de menigte sterren hulde brengen terwijl deze op zijn plaats blijft”. Daar komt ook de betekenis van het concept “revolutie” vandaan, de beweging rond een “onbewogen beweger”, hoewel het vandaag in de moderne wereld synoniem is geworden met subversie.

In deze zin neemt het koningschap de rol van een “pool” aan, door te verwijzen naar een algemene traditionele symboliek. We herinneren ons hier dat […] Plato verwijst naar de plaats waar Zeus beraadslaagt met de goden om een beslissing over het lot van Atlantis te treffen: “Hij riep dus alle goden op naar zijn meest glorieuze verblijfplaats, dat in het midden van het universum staat en uitkijkt over het gehele veranderlijke rijk”. Het bovenvermelde denkbeeld van de cakravartin is ook verbonden met een cyclus van raadselachtige tradities over het werkelijke bestaan van een “wereldcentrum”, […]. Sommige essentiële koningschapssymbolen hadden oorspronkelijk een nauwe verbondenheid met deze ideeën. Een van deze symbolen was de scepter, waarvan de voorname functie analoog verbonden was met de “wereldas”. Een ander symbool is de troon, een “verheven” plaats; stilzitten op de troon evoceert namelijk, in aanvulling op de aan de “pool” en “onbewogen beweger” verbonden betekenis van stabiliteit, overeenstemmende innerlijke en metafysische betekenissen.

[…]

~

Julius Evola in Rivolta contro il mondo moderno (III, Polaire symboliek; de Heer van Vrede en Rechtvaardigheid)

Advertenties

“Een schitterende, angstaanjagende oersensatie!”

Wat zou ik me nog kunnen herinneren over deze uitstap naar de grenzen van Italië? Winterbossen, skiën, de grootse witte panorama’s die we van op de pieken zagen, de hardvochtigheid van twaalf graden onder nul onder een stralende ochtendzon. En toch was geen van deze dingen iets speciaals.

Ik herinner me veeleer de ervaring van het Resiameer in de nacht. Geloof het of niet, maar we bouwden daar een kleine nachtclub. In een huis dat op een klooster leek, gebouwd door nobele Franse vluchtelingen op het einde van de 17de eeuw, vond iemand van ons een grammofoon en als bij wonder de jazzplaten van Wunder-Bar. Het probleem van wat ’s nachts te doen was dus opgelost.

Iemand stak een groot vuur aan. In plaats van wijn te drinken dronken we rum en kirsch. We dansten, en wanneer we dronken waren begonnen we over dingen te discussiëren. Dan gingen we naar buiten voor een wandeling in de nacht die onder de min tweeëntwintig graden dook.

Iemand kwam op het idee om naar het meer te gaan. We bevinden ons in het midden van de nacht. Probeer een immense vlakte van zwart kristal in te beelden, zo gepolijst als een spiegel, die mijlenver uitstrekt: dit is hoe een bevrozen meer eruit ziet. De besneeuwde pieken aan twee zijden van de vallei en een ongelofelijke sterrenhemel worden gereflecteerd in deze vlakte met een magnetische schoonheid; het voelt aan of we gevangen zijn tussen een dubbele luchtspiegeling of een dubbele doorzichtigheid. Probeer, indien mogelijk, in te beelden hoe het moet voelen om naar het midden van het meer te gaan zonder schaatsen, om door de noordelijke wind aangevallen te worden, en dit in een fysieke en spirituele staat van lucide intoxicatie, waarin alcohol, natuur en innerlijke exaltatie allemaal een rol spelen.

Wie dit niet ervaren heeft, weet ook niet waar het breken van het onderwaterijs allemaal om gaat. Door de snel dalende temperatuur gebeurt het dat tijdens de nacht de diepere ijslagen onder het water van het meer breken. Wanneer dat gebeurt, kan men een gebrul en luid lawaai op een angstaanjagende manier horen weerkaatsen over de gehele ijzige korst van het meer, die doorheen de vallei wordt gedragen als een krachtige echo. Dit vormt echter geen gevaar, omdat deze breuken het oppervlak niet bereiken. Door echter plotseling een gebrul te voelen die onder je voeten groeit met een luid gonzend lawaai, die dan door de berg als een echo weerklinkt, is het net of je de stem van de aarde zelf hoort. Alsof een afgrond zich onder je voeten opent. Dit is waarlijk een erg angstaanjagende ervaring die net als een aardbeving het bloed doet stollen. Het ontbrandt een gevoel van ontwaken van een schitterende en angstaanjagende oersensatie, die in de meest archaïsche uithoeken van onze aard sluimert.

De details van deze nacht zijn voorgoed in mijn geheugen ingebed: de ongelofelijke koude; de wonderlijke sterrennacht; de reflecterende, glinsterende sneeuw rondom ons; het gevoel van opwinding vermengd met een lucide spanning; een perfecte mentale balans; en het verschrikkelijke primitieve gevoel dat uit de diepte van het meer naar boven komt in de absolute stilte van de vallei. In deze omstandigheden is het mogelijk om zonder enige retorische overdrijving te spreken van een moment dat het gewone leven overstijgt.

Julius Evola in Meditazione delle vette (hier (link) te koop).

Bericht aan de “Indignados”

Omdat de razernij van Kali Yuga ons allen treft …

—–

“Het is tegenwoordig haast de gewoonte geworden om te spreken van de “neergang van het Westen”, de crisis van de hedendaagse beschaving en de gevaren en verwoestingen die het heeft veroorzaakt. Ook worden nieuwe voorspellingen geformuleerd over de toekomst van Europa of de wereld, en uit vele hoeken wordt opgeroepen om het Westen te “verdedigen”.

            Temidden van deze opschudding is er in het algemeen zeer weinig dat de ondeskundigheid van intellectuelen overstijgt. Het zou bijna te eenvoudig zijn te laten zien hoe hun visies ware principes ontbreken, en hoe zij die wensen te reageren onbewust eerder behouden wat zij verwerpen, en hoe de meeste mensen niet echt weten wat ze willen, omdat ze gehoorzamen aan irrationele impulsen. We vinden dit vooral terug in de praktijk, waar gewelddadige en chaotische uitingen van “protesten” worden waargenomen, die globaal wensen te zijn, hoewel deze worden geïnspireerd door contingente en terminale vormen van de moderne beschaving.

            Ook al zou het overhaast zijn om in deze protestfenomenen iets positiefs te zien, hebben ze desalniettemin een symptomatische waarde; deze fenomenen illustreren duidelijk dat overtuigingen die ooit vanzelfsprekend waren dit vandaag niet langer zijn […] Sommige pseudo-intellectuele en irrationele reacties lijken de moderne mens alleen maar af te leiden en voorkomen dat deze zich ten volle bewust zou worden van de wereldwijde en angstaanjagende gewaarwording dat de hedendaagse wereld een levenloos lichaam is dat van een helling valt en door niets of niemand kan worden tegengehouden.

           Er zijn ziektes met een lange incubatieperiode die enkel opduiken wanneer hun verborgen werk tot een einde is gekomen. Dit is het geval met het verval van wat de mens ooit beschouwde als beschaving par excellence. Hoewel de moderne mens de bleke toekomst van het Westen pas recent heeft waargenomen, zijn de oorzaken eeuwenlang actief geweest en hebben bijgedragen aan het spirituele en materiële verval. Niet alleen hebben deze oorzaken de mogelijkheid tot opstand en de terugkeer tot een normale en gezonde menselijke maatschappij weggenomen, maar bovenal ook het vermogen te begrijpen wat normaliteit en gezondheid werkelijk betekenen.

            Dus, ongeacht hoe oprecht hun intentie opstandelingen bezielt om de alarmbel te luiden, zouden we geen valse hoop moeten koesteren over de afloop. Het is niet gemakkelijk om te beseffen hoe diep we moeten graven tot we de enige wortel vinden waaruit de huidige, negatieve gestalten ontspruiten als natuurlijke en noodzakelijke gevolgen. […] Sommige mensen “reageren”; anderen “protesteren”. […] En toch zijn dit slechts “reacties” en geen acties, of positieve bewegingen, die vanuit een innerlijke dimensie afkomstig zijn en getuigen van het bezit van een fundament, een principe of een centrum. Er zijn teveel aanpassingen en “reacties” geweest in het Westen. De ervaring heeft aangetoond dat op deze manier niets wezenlijks kan ontstaan. Ontwaken en opstaan is wat werkelijk nodig is in plaats van heen en weer te liggen woelen in een bed van doodangst.

            De zaken hebben vandaag zulk een dieptepunt bereikt dat ik me afvraag wie in staat zou zijn om de moderne wereld in zijn geheel te beoordelen, in plaats van slechts enkele aspecten (zoals “technocratie” of “consumentenmaatschappij”) of de uiteindelijke zin ervan. Dat zou het werkelijke startpunt zijn”.

EVOLA, Julius, Revolt against the modern world, Inner Traditions Publishing, Rochester, 1995, xxviii-xxix (eigen vert.).

Wu-wei: subtiel als de “lichtste veer”

De koning zou volgens een traditie uit het Verre Oosten als een “zoon van de hemel”, en dus van nietmenselijke oorsprong, genieten van een “hemels mandaat” (tien ming), dat de opvatting van een werkelijke en bovennatuurlijke macht impliceert. Deze macht komt volgens Lao-tzu “van de hemel” en handelt zonder te handelen (wei wu wei) door een immateriële aanwezigheid, of op grond van alleen maar aanwezig te zijn. Het is onzichtbaar als de wind maar tegelijkertijd zijn zijn handelingen onafwendbaar als de krachten van de natuur. Wanneer deze kracht wordt ontketend zal volgens Meng-tzu de macht van gewone mensen buigen als grassprieten onder de wind. Wat betreft wu wei zegt een tekst het volgende:

Door zijn dikte en stoffelijkheid, staat de oprechtheid gelijk aan de aarde; en door zijn hoogte en pracht gelijk aan de hemel. Zijn omvang en duurte zijn zonder limiet. Wie deze oprechtheid bezit zonder zichzelf te tonen, zal stralen; zonder te bewegen zal hij anderen hernieuwen; zonder handelen zal hij hen volmaken. (Lun-yu, 26.5-6)

Alleen zo een man “zal de tegenpolen van de menselijke samenleving harmoniseren en een morele orde in het land stichten en in stand houden”.

In deze macht of “deugd” gesterkt voerde de Chinese monarch (wang) de opperste rol als centrum uit, of als een derde macht tussen hemel en aarde. Er werd verwacht dat het geluk en het ongeluk van het land, evenals de morele kwaliteiten van zijn onderdanen […], heimelijk afhankelijk waren van het gedrag van de monarch. […] In deze context beantwoordt de betekenis van het bekende gezegde “Onveranderlijkheid in het midden” aan de leer dat in “de onveranderlijkheid van het midden de deugd van de hemel zich manifesteert”. Wanneer dit principe als een algemene regel gold, zou niets de geordende koers van menselijke gebeurtenissen of de staat kunnen veranderen.

Uit: EVOLA, Julius, Revolt against the modern world, Inner Traditions, Rochester, 1996, 11. (eigen vert.)

Over vrome witgepijde asceten en de Onsterfelijke Roos

“Nu wil ik eenzaam henengaan naar verre Egyptelanden
Daar weet ik oude monken, traag, met witte baarden gaan,
Héél heilig peinzend door den avond … en hunne witte handen
Zijn goed en zacht voor hem die zonde ‘en boete heeft gedaan

Daar weet ik pyramiden stil in wondre Wijding staan,
Wijl late karavanen trekken langs hun naakte wanden
En d’heiligê Ibis traag alom hun wijde vleugelen slaan
En witte pelikanen droomen aan de vijverranden

En sfinkxen turen er met vreemden raadsel-glimlach naar
De vrome boetelingen die er gaan met moe gebaar
En arme wreed-verwonde voeten in ’t woestijnzand prenten

Daar wil ik zijn gelijk een vrome witgepijde asceet
Die stil en rustig, vreemd omlicht, door kalmen avond treedt
En Hooge Wijs- en Schoonheid leest in oude perkamenten”

G.v.d.H. in: Storm, jaargang 3, nr 6, maart 1921.

Vorig jaar kwam ik het bovenstaande gedicht tegen in een oud tijdschrift uit het interbellum. Ik zat in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, in de volksmond wel eens de ‘Stadsbib’ genoemd. Voor mijn thesis nam ik een aantal kranten door waar Ernest van der Hallen, een Lierse letterkundige, voor schreef. En toen kwam ik dit opmerkelijke gedicht tegen. Ik kan er geen naam op plakken, maar iets trekt me enorm aan in dit gedicht.

Het gedicht beschrijft een pelgrimage. In het interbellum, waarin dit gedicht geschreven werd, was er een spiritueel reveil bezig waarin vele antimodernisten pleitten voor een ‘retraditionalisering van de maatschappij’. Maar ook van zichzelf. Zo werden middeleeuwse praktijken terug tot leven gebracht, wat er zelfs toe leidde dat sommige ‘moderne pelgrims’ brieven naar elkaar schreven in het Middelnederlands. De secularisering bracht een ravage aan en ontzielde de maatschappij, meenden zij. De spirituele herbronning die zij ondernamen duidde op een streven naar zuiverheid en orthodoxie maar ook een beantwoording van een ‘heroïsche vocatie’ en de noodzaak tot actie en strijd.

Het pelgrimeren naar bepaalde plaatsen was voor velen een zoektocht naar een zinvol bestaan. Ernest van der Hallen en vele anderen behoorden tot een bijzondere generatie in het interbellum, meent de historicus Benjamin Lazier: ‘They discovered that the crisis of religion in the modern world was also a crisis of nature, the crisis of nature, the crisis of nature a crisis of art or sacrifice, and the crisis of them all a crisis of what it meant to be a modern man’. De verwondering van een bergbeklimmer ‘op pelgrimage’ in de hoge Alpen leidde naar een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze. In het kapel, op de berg of in de woestijn herontdekte men een sacrale ruimte, die onaantastbaar leek te zijn. Dat was bijzonder: niet enkel ‘traditionele’ gewijde plaatsen zoals een kerk of kapel waren sacrale ruimtes, maar ook ‘onbezielde’ plaatsen die onverbiddelijk waren. De herontdekte of gecreëerde sacrale ruimtes boden de moderne pelgrims de mogelijkheid tot een innerlijke verwerkelijking die in de profane wereld niet mogelijk was.

Toch was het toerisme vaak een verstorende factor. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land.

In tegenstelling tot mijn professor ethiek geloof ik wél in een metafysische essentie. De ware aard is onaanraakbaar door morele of sociale conventies. Ik vergelijk het met de Onsterfelijke Roos van Dante. Het leven is een pelgrimage op zich, dat zich centreert rond die Onsterfelijke Roos. Iedereen wandelt de cirkel rond, sommigen helaas vroegtijdiger dan anderen. Volgens de Britse schrijver G.K. Chesterton was waarlijk geluk te vinden in de onverzettelijke blik naar de Onsterfelijke Roos van Dante. En  niet in de willekeurige rozenblaadjes van Oscar Wilde. Mij lijkt het een combinatie van beiden te zijn. Enerzijds een drang naar iets Absoluuts, maar anderzijds ook het besef dat het geluk in de kleine dingen zit.

Ik sluit af met een veelzeggend citaat. Het sierde op de eerste pagina van mijn inleiding en draagt onnoemelijk veel betekenis met zich mee.

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’

 

P.

Belgische surrealist Marc Eemans over Julius Evola

 

Marc Eemans, 1930

Q.: Vous avez aussi fondé le Centrum Studi Evoliani, dont vous êtes toujours le Président…

ME: Oui. Pour ce qui concerne la philosophie, j’ai surtout été influencé par Nietzsche, Heidegger et Julius Evola. Surtout les deux derniers. Un Gantois, Jef Vercauteren, était entré en contact avec Renato Del Ponte, un ami de Julius Evola. Vercauteren cherchait des gens qui s’intéressaient aux idées de Julius Evola et étaient disposés à former un cercle. Il s’adressa au Professeur Piet Tommissen, qui lui communiqua mon adresse. J’ai lu tous les ouvrages d’Evola. Je voulais tout savoir à son sujet. Quand je me suis rendu à Rome, j’ai visité son appartement. J’ai discuté avec ses disciples. Ils s’étaient disputés avec les gens du groupe de Del Ponte. Celui-ci prétendait qu’ils avaient été veules et mesquins lors du décès d’Evola. Lui, Del Ponte, avait eu le courage de transporter l’urne contenant les cendres funéraires d’Evola au sommet du Mont Rose à 4000 m et de l’enfouir dans les neiges éternelles. Mon cercle, hélas, n’a plus d’activités pour l’instant et cela faute de personnes réellement intéressées.

En effet, il faut avouer que la pensée et les théories de Julius Evola ne sont pas à la portée du premier militant de droite, disons d’extrême-droite, venu. Pour y accéder, il faut avoir une base philosophique sérieuse. Certes, il y a eu des farfelus férus d’occultisme qui ont cru qu’Evola parlait de sciences occultes, parce qu’il est considéré comme un philosophe traditionaliste de droite. Il suffit de lire son livre Masques et visages du spiritualisme contemporain pour se rendre compte à quel point Evola est hostile, tout comme son maître René Guénon, à tout ce qui peut être considéré comme théosophie, anthroposophie, spiritisme et que sais-je encore.

L’ouvrage de base est son livre intitulé Révolte contre le monde moderne qui dénonce toutes les tares de la société matérialiste qui est la nôtre et dont le culte de la démocratie (de gauche bien entendu) est l’expression la plus caractérisée. Je ne vous résumerai pas la matière de ce livre dense de quelque 500 pages dans sa traduction française. C’est une véritable philosophie de l’histoire, vue du point de vue de la Tradition, c’est-à-dire selon la doctrine des quatre âges et sous l’angle des théories indo-européennes. En tant que “Gibelin”, Evola prônait le retour au mythe de l’Empire, dont le IIIième Reich de Hitler n’était en somme qu’une caricature plébéienne, aussi fut-il particulièrement sévère dans son jugement tant sur le fascisme italien que sur le national-socialisme allemand, car ils étaient, pour lui, des émanations typiques du “quatrième âge” ou Kali-Youga, l’âge obscur, l’âge du Loup, au même titre que le christianisme ou le communisme. Evola rêvait de la restauration d’un monde “héroïco-ouranien occidental”, d’un monde élitaire anti-démocratique dont le “règne de la masse”, de la “société de consommation” aurait été éliminé. Bref, toute une grandiose histoire philosophique du monde dont le grand héros était l’Empereur Frédéric II de Hohenstaufen (1194-1250), un véritable héros mythique…

Evola in de bergen, Eerste Wereldoorlog.

LE CHASSEUR D'ÉGOÏSME (1927)

Volledige interview door Koenraad Logghe en Robert Steuckers is hier te lezen. In het Nederlands verschenen in De Vrijbuiter, 5/1989.