TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Waarheid

Kierkegaard: “waarheen vlieden?”

De heide moet bij uitstek geschikt zijn krachtige geesten tot ontplooiing te brengen; alles ligt daar naakt en open en bloot voor God en er is daar geen plaats voor veel verstrooiing, geen plaats voor de vele hoeken en gaten waarin het bewustzijn zich kan verbergen en waar het voor de ernst vaak zo moeilijk is de verstrooide gedachten terug te vinden. Hier moet het bewustzijn zich helder en precies om zichzelf omsluiten. Op de heide moet de waarheid gezegd worden: “Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht!”.

Kierkegaard, Søren, Dagboeken, Amsterdam: De Arbeiderspers, s.d., 79.

Advertenties

Heidegger over de richtingloze mens

“De poging om planmatig een ordening aan de aardbol op te leggen is tevergeefs als de mens zichzelf niet schikt naar het toespreken van de landweg. Het gevaar dreigt dat de hedendaagse mensen doof blijven voor zijn spreken. Tot hun oor dringt alleen nog maar het lawaai van apparaten door, die ze bijna voor de stem van God houden. Aldus raakt de mens verstrooid en richtingloos. (…) Het Eenvoudige is ontvlucht. Zijn stille kracht is verdord.”

Voor Heidegger is de mens ingebed in een groter gebeuren waar hij geen vat op heeft, maar die zich wel af en toe laat onthullen. De vrijheid van de mens ligt in het feit dat hij de grond sticht waarop een wereld wordt ontworpen. Op deze manier brengen wij de zijnden in de wereld aan het licht. Daarom verstaat Heidegger het begrip waarheid als een dynamisch spel waarin verhulling en onthulling elkaar afwisselen. De techniek verstoort de mens echter in dit spel, blijkt uit bovenstaande citaat. Hij is als het ware zijn centrum verloren waaraan hij zijn stabiliteit in dit dynamische spel verleent.

P.

HEIDEGGER, Martin, De landweg, Budel: Uitgeverij DAMON, 2001, 20.

 

De schalkse landweg van Heidegger

“Het toespreken van de landweg wekt een gezindheid op, die het vrije liefheeft en die tevens op een gunstig punt over de tegenspoed weet te springen naar een laatste schalksheid. Deze weert het onbetamelijke van de loze arbeid, die op zichzelf bedreven louter het nietige bewerkt.

In de met de jaargetijden wisselende adem van de landweg gedijt de wetende schalksheid, waarvan het voorkomen vaak zwaarmoedig lijkt. Dit schalkse weten is het “Kuinzige”.

Niemand verwerft het die het niet heeft. Die het hebben, hebben het van de landweg. Op zijn pad ontmoeten de winterstorm en de oogstdag elkaar, treffen de opwekkende prikkeling van het voorjaar en het gelaten sterven van de herfst elkaar, en merken het spel van de jeugd en de wijsheid van de ouderdom elkaar op. Maar in een unieke harmonie, waarvan de landweg zwijgzaam een echo met zich heen en weer voert, is alles verschalkt.

De wetende schalksheid is een poort tot het eeuwige. Zijn deur draait in de scharnieren, die ooit bij een vaardig smid uit de raadsels van het erzijn (Da-sein) werden gesmeed.”

HEIDEGGER, Martin, De Landweg, Uitgeverij Damon, s.l., 2001, 20-21.

Met het korte werk “De Landweg” heb je de filosofie van Martin Heidegger in een notendop. Vanaf Plato hebben we geprobeerd de werkelijkheid te beheersen met behulp van de rede, maar sinds Nietzsche bleek dit één grote zinsbegoocheling te zijn. Hij heeft de werkelijkheid herijkt van het domein van de kenleer naar pure machtswil. En daar hebben we met onze rede niet veel te zoeken, wist Schopenhauer ons al te zeggen. Het waarheidsgebeuren (aletheia) is daarom iets waar je geen vat op hebt.  Het wordt aan ons gegeven. Wanneer we dus denken en spreken over het Zijn, liggen we zelf niet aan de oorsprong hiervan. Het is immers het Zijn zelf dat ons te denken geeft, zij komt naar ons toe (das Seinsgeschick). Zij is in essentie ongrijpbaar; onbevattelijk.

Wanneer het Zijn gebeurt kunnen we er enkel denkend bij verwijlen, net zoals Heidegger die zich vaak liet verleiden tot een mijmerende wandeling op een landweg in zijn geboortedorp Meßkirch. Een tragedie? We zijn niet meer het autonome wezen dat aan de oorsprong ligt van zijn denken en doen, omdat we ons bevinden binnen een gebeuren dat groter is dan onszelf, aldus Heidegger. Maar zijn we werkelijk ooit dat autonome wezen geweest? Haar abstracte karakter is een verlammende factor gebleken, die afbreuk deed aan de authenciteit van de mens. Het is ironisch dat we, ondanks de post-moderne gevolgtrekkingen van dit besef (radicale historiciteit en contingentie), hierdoor opnieuw een glimp opvatten van het schalkse weten van de traditionele, premoderne mens.

P.

Gelatenheid

Beeld je in dat je heel je leven lang in een boot doorbrengt op een lange rivier. Wanneer is deze rivier echt een rivier? Daar waar zij aan de bron hoog in de bergen ontspringt of ginds aan de verre einders van de horizon waar zij breed uitwaaiert in een broeierig labyrint van woeste mangrovewouden? Of nog verder, zoals de machtige Kongorivier een laatste zwanenzang inzet met een okergele troebelheid die Atlantische Oceaan kleurt zover een mens kan zien? Misschien kies je voor minder drama en beslis je dat de rivier die brede, rustige stroom is waarrond steden ontstaan en een rijke landbouwgrond geniet van haar genereuze slibafzet. Nee. Ook dan niet. Want zij laat zich niet bepalen door ons weten; hoog en laag is ze beslist evenveel rivier dan op die gouden middenweg. Toch heb je het idee dat je wel degelijk over de rivier kan spreken. Het moet, het kan niet anders. Dat is een waarheid die we wel moeten accepteren wanneer we haar van begin tot einde afvaren.

We hebben lang geloofd dat waarheid, net als de rivier, een onveranderlijk iets was. We dachten een raamwerk uitgevonden te hebben waardoor we algemene uitspraken konden doen over alles. We zouden alles kunnen weten. We hebben fundamenten in de grond geslagen die nooit meer ondermijnd konden worden. Met onze redelijkheid wisten we de werkelijkheid te vatten. Dat dachten we. We waren begoocheld zonder het zelf te weten. Onze objectieve benadering was een abstracte constructie: het gevolg van onze dialoog met de Lebenswelt, de enige wereld waarop we betrokken zijn. De waarheid verschuift omdat zij wezenlijk historisch is. De onveranderlijke kern wordt vastgeklonken aan het tijdelijke waardoor de afgrondelijkheid van ons bestaan angstwekkend reëel wordt. Net zoals de rivier is de waarheid op dit moment anders dan gisteren of morgen. De manier waarop zij aan ons verschijnt kunnen wij niet beheersen. We moeten haar dus uit handen durven geven. Het is gegeven, net zoals de levensrivier waar wij ons doorheen moeten waden.

P.

“Een heilig ja zeggen”

“Onschuld is het kind en vergeten, een opnieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging, een heilig ja zeggen”.

Nietzsche, “Van de drie gedaantewisselingen”, Aldus sprak Zarathoestra

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche koesterde een diep wantrouwen in de Westerse rationaliteit en heeft daarmee de fundamenten van de Westerse cultuur genadeloos ontmaskert. De theoretisch-Socratische mens die tot aan Hegel toe het volste vertrouwen legt in de redelijkheid van de samenleving, wordt door Nietzsche ter verantwoording geroepen. Dat God dood is, betekent vooral dat de metafysica en de moraal waarop de gehele Westerse cultuur is gebouwd zonder fundament bestaat. Alle vertrouwen valt weg. De waarheid is dus een ingebeelde constructie, een slavenmoraal die maar greep kan krijgen op de werkelijkheid door deze via de rede te ordenen. Deze geordende werkelijkheid is daarom volgens de filosoof een verarming die het leven ontkende in plaats van het te affirmeren. De werkelijke wereld is eerst en vooral machtswil. Het Kind van Nietzsche accepteert de wereld zoals hij is en is daarom in ieder opzicht de Übermensch:

Onschuld: er is geen goed of kwaad meer, geen gegeven vaste grond, geen uiteindelijk doel. Alle leugen is overwonnen.

Vergeten: de ware en schijnbare wereld is verdwenen. Omdat de wereld als schijn gebleken is, zijn we losgekomen van de wil tot onwaarachtige waarheid. Nu is er perspectivisme, interpretatie in een wereld die ondanks al zijn tegenstellingen wordt aanvaard.

Opnieuw beginnen: het Kind schept bewust waarde en waarheid, hij eigent zich het “recht der heren” toe. Hij wierp de zware mantel van de moraal van zich af om moreel te leven.

Een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging: de lineaire tijdsopvatting wordt opnieuw circulair. Alles keert terug in gewijzigde vorm. De eeuwige wederkeer.

Het heilig ja zeggen: het absurde besef van de zinloosheid van het leven wordt overwonnen, omdat de wereld eindelijk als schijn werd ontmaskerd en zo bevestigd werd. Er is geen reden om hierover defaïtistisch te zijn, hierom moet men lachen.

P.

“Dit is onze werkelijke toestand”

“(…) deze toestand, die het midden houdt tussen twee uitersten, is in al onze vermogens aanwezig. Onze zintuigen nemen geen enkel uiterste waar. Te veel geluid verdooft ons en te veel licht verblindt. Als iets te ver of te dichtbij is kunnen we het niet zien. Als een betoog te uitvoerig of te beknopt is wordt het moeilijk te begrijpen. Te veel waarheid verbijstert ons. Ik ken mensen die niet kunnen begrijpen dat nul min vier nul blijft. De eerste beginselen zijn te vanzelfsprekend voor ons. Te veel genot wordt vervelend. Te veel harmonie in muziek is niet aangenaam. Te veel attenties irriteren; wij willen nog iets meer kunnen doen dan onze schuld inlossen: Beneficia eo usque laeta sunt dum videntur exsolvi posse. Ubi multum antevenere pro gratio odium redditur*. De hoogste graad van warmte en van koude kunnen we geen van beide voelen. Extreme eigenschappen stoten ons af en zijn niet waarneembaar; we voelen ze niet meer, we ondergaan ze. Een te jeugdige of te hoge leeftijd vormt een belemmering om te kunnen denken, en te veel of te weinig onderricht ook”.

Blaise Pascal, Pensées, °199

… en toch hunkeren we naar extremen, alsof een onderliggend metafysisch verlangen ons voortstuwt met dezelfde begeerte die Odysseus deed verzuchten naar de Sirenenzang en Ikaros naar de zon deed stijgen.

P.

* “Weldaden zijn aangenaam zolang we het idee hebben dat we ze kunnen vergelden; gaan ze verder dan dat, dan vergelden we ze met haat in plaats van dankbaarheid” (Tacitus, Annalen, IV, 18)