TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Wereld

Schuld en onschuld van de wil

Het dier is evenwel naïever dan de mens, als de plant naïever is dan het dier. In het dier zien we de wil tot leven als het ware naakter dan in de mens, waar hij met zoveel kennis bekleed en bovendien door het vermogen om te veinzen is verhuld, dat het ware wezen bijna slechts toevallig en gedeeltelijk te voorschijn komt. Geheel naakt, maar ook veel zwakker, manifesteert hij zich in de plant, als pure blinde drang tot bestaan zonder enig doel. Want de plant openbaart haar gehele wezen aan de eerste de beste toeschouwer en met een volmaakte onschuld, die het niet deert dat zij de genitaliën, die bij alle dieren de meest verborgen plaats hebben gekregen, op haar top tentoonstelt. Deze onschuld van de plant berust op kennisloosheid: niet in het willen, maar in het willen met kennis ligt de schuld. Iedere plant vertelt eerst over haar vaderland, het klimaat aldaar en de gesteldheid van de bodem waaruit zij is ontsproten … Maar bovendien verwoordt elke plant nog de speciale wil van haar soort en zegt iets in wat in geen enkele taal kan worden uitgedrukt.

SCHOPENHAUER, Arthur, De wereld als wil en voorstelling (deel I)

“Wereldgrondslag”

‘Laten we meteen zeggen, dat de religieuze ervaring van de in-homogeniteit van de ruimte een oerervaring weergeeft, die vergelijkbaar is met een ‘wereldgrondslag’. Het gaat niet om een theoretische speculatie, maar om een primaire religieuze ervaring, die aan alle wereldbespiegeling voorafgaat. Het is deze in de ruimte ontstane breuk die de wereldconstitutie mogelijk maakt, want hierdoor werd het ‘vaste punt’ onthuld, de centrale as van alle toekomstige oriëntatie. Wanneer het gewijde zich manifesteert door een willekeurige hiërofanie, is er niet alleen een breuk in de homogeniteit van de ruimte, maar ook een openbaring van een absolute werkelijkheid, die staat tegenover de niet-werkelijkheid van de onmetelijke omringende uitgestrektheid. De openbaring van het heilige ligt ontologisch ten grondslag aan de wereld. In de homogene en oneindige uitgestrektheid, zonder enige aanknopingspunt en bijgevolg zonder enige oriëntatiemogelijkheid, onthult de hiërofanie een absoluut ‘vast punt’, een ‘Centrum’’.

ELIADE, Mircea, Het gewijde en het profane. Een studie over religieuze essentie., Hilversum 1962, Sterrenserie, 9

En zo verbindt het eindige Worden zich aan een eeuwig Zijn.

P.

Water uit een schedel

Juist denken, juist spreken, juist handelen. Dat is de basis van de filosofie die de oude Perzische wijsgeer Zarathustra heeft vooropgesteld. In principe is het heel eenvoudig: je denken, spreken en handelen moet één consistente lijn zijn. Maar de weg dat een ideaal aflegt van het denken naar het handelen is een lange, en deze is bezaaid met talloze belemmeringen. Er wordt altijd een dialoog opgestart tussen het ideaal en de werkelijkheid. Kan ik dit in de praktijk omzetten? Welke bezwaren zijn er te vinden? En hoe kan ik mezelf verzoenen met een verzwakt ideaal? Mag ik toegevingen doen? Of kan ik dit niet? En toch kan heel dit proces op een andere manier verlopen. In het boek Spring Snow van de Japanse schrijver Yukio Mishima ben ik een verhaal tegengekomen uit het Hossoboeddhisme dat een andere kijk werpt op dit probleem.

“Yuan Hsaio was onderweg naar de befaamde berg Kaoyu om de leer van de Boeddha te bestuderen. Wanneer het nacht werd bevond hij zich naast een begraafplaats, dus legde hij zich te slapen tussen de graven. In het midden van de nacht werd hij wakker met een verschrikkelijke dorst. Hij strekte zijn hand uit en schepte wat water op uit een kuil aan zijn zijde. Toen hij terug insliep dacht hij dat water nog nooit zo zuiver, vers en fris heeft gesmaakt. Maar wanneer het ochtend werd zag hij waaruit hij in de duisternis heeft gedronken . Het klinkt ongelofelijk, maar wat zo heerlijk smaakte was water dat hij uit een menselijke schedel haalde. Hij braakte en was ziek. Maar toch was deze ervaring leerrijk voor Yuan Hsaio. Hij realiseerde dat, zolang er een bewust verlangen aan het werk is, er onderscheidingen zullen blijven bestaan. Maar als iemand het kan onderdrukken zullen deze onderscheidingen oplossen en kan men even tevreden zijn met een schedel als met iets anders.”

Zou hij opnieuw van het water kunnen drinken en er tevreden mee zijn? Zou dat geen wonderlijk iets zijn? Het is de wereld op zijn kop. Normaal ondergaat je ideaal aan een hevige reeks van veranderingen door de werkelijkheid onder de noemer van “water bij de wijn doen”. Maar in het verhaal van Yuan Hsaio gebeurt er iets heel unieks: niet het ideaal, maar wel de wereld wordt gebogen omheen het ideaal. De noodzakelijke dialoog tussen ideaal en realiteit krijgt een heel andere afloop.

P.

Slapen in de winter is …

… wakker worden en het gevoel hebben dat je Tír na nÓg noodgedwongen moet verlaten voor het land der stervenden. Zo moet de Keltische held Ossian zich vast gevoeld hebben toen hij zijn geliefde Niamh verliet om terug te keren naar zijn thuisland. Het verlangen bestaat om de droomachtige atmosfeer te verlaten, als een gevoel om avontuur en gevaar; die stoutmoedige trots bezit de winterslaper. Hij is geen nachtdier, maar een dagdier. En toch is dat gelukzalige gevoel van de bedstee een aanlokkelijk iets. Een bekoorlijke, zachte, stille slaap. In een zoetige warmte, waar de droomwereld hem streelt en verleidt tot een hernieuwde duik in een fantasiewereld.

P.

Culinaire contemplatie

Twee tafels rechts van ons zag ik een gezette vijftiger die alleen aan een tafel zat te eten. Hij had zijn servet uitgevouwen en in zijn kraag gestopt en at zijn maal gulzig op. Ribbetjes waren het. Het viel me op dat hij een ritueel ontwikkeld had. Telkens wanneer hij een ribbetje had opgepeuzeld likte hij zijn vingers af en krabde aan zijn neus. Het was een eigenaardige tic. Dan nam hij zijn glas en nam er een grote teug uit, waarna hij terug de ribbetjes begon aan te vallen. Zijn glas was vettig, maar dat leek hem niet te deren. Eigenlijk leek het of er voor hem geen omgeving bestond, alleen maar zijn maaltijd was er en dat was zijn centrum van de wereld. Het was voor hem een heilig moment en niemand leek hem daarin te kunnen storen. Ik vroeg me af hoe hij zou reageren mocht iemand bij hem aan tafel zitten. Zou hij die persoon gewoon negeren en verder eten? Of zou hij verweesd kijken naar de persoon die hem vergezelde en even het noorden kwijt zijn? Hoewel hem bezwaarlijk een contemplatief karakter toegedicht kon worden had hij iets weg van iemand die volledig opging in een ritueel. Wereld af, eetmodus aan. Zijn extatische roes deed me denken aan de blijdronken engeltjes van de statige trap die we daarnet bewonderden, waardoor hij hommage leek te brengen aan de dwaze vrolijkheid waar Café Centraal zo bekend om was.