TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Wereldliteratuur

De metamorfose van werkelijkheid naar droom. Of omgekeerd?

De essentie van kunst

Deze droomwereld begon meer voor zijn leven te betekenen dan de werkelijkheid. De werkelijkheid met zijn klaslokaal, kloosterhof, bibliotheek, slaapzaal en kapel, dat was alleen maar de oppervlakte, niet meer dan een dun, vibrerend vlies op die wereld van beelden, vervuld met dromen en overvol van werkelijkheid. De allergeringste aanraking was voldoende om een opening te maken in dit dunne vlies: een verborgen betekenis in de klank van een Grieks woord, midden onder de les, een geurig vleugje uit de kruidentas van pater Anselm als die was gaan botaniseren, een toevallige blik op de wingerdrank van steen die ontsproot aan de bovenkant van een der vensterzuiltjes – onbeduidende prikkels als deze waren reeds voldoende om dat vlies om de werkelijkheid te doorbreken en om achter de vredige, saaie werkelijkheid de woeste afgronden, stroomversnellingen en melkwegen te ontkluisteren die hun plaats hadden in de beeldenwereld van zijn ziel. Een beginletter van een Latijnse tekst veranderde onverhoeds in het geurige gezicht van zijn moeder, een langgerekte toon van het Ave Maria veranderde in de poort van het paradijs, een Griekse letter in een galopperend paard, een kronkelende slang, die er stilletjes vandoor gleed onder de beschutting van bloemen, en zijn plaats was alweer ingenomen door de oorspronkelijke, stijve bladzijde grammatica.

HESSE, Herman, Narziss en Goldmund, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009, 57.

Advertenties

“2 x 2 = 4 is het begin van de dood”

Dostojevski

Nooit dat gevoel gehad dat als je dat lang verlangde doel bereikt, je met een leeg gevoel in het leven komt te staan? Dat je je afvraagt wat je nu moet doen, en eigenlijk wenst dat je terug in die staat van verlangen bent? Dat het leven op dat moment te perfect is en je liever een gevoel van verbetering ervaart dan een van voldaanheid? Want het voldane lijkt je doods, statisch, afgeborsteld en om eerlijk te zijn overheerst op dat moment een gevoel van inertie en vervreemding. Verlang je dan niet, als ware het vanuit een natuurlijk instinct, terug naar het rusteloze zoeken? Dostojevski heeft bij de aanvang van zijn schrijverschap een opmerkelijk boek geschreven, waar hij qua gewaagdheid niet hoeft onder te doen voor een vurige Nietzsche in het hoogtepunt van zijn filosofische carrière. En hij spreekt in dat vermaarde boek ook van dat bereikte doel, dat “alleraardigst dingetje” dat zoveel angst inboezemt.

“En wie weet (maar en kan er niet voor instaan), misschien bestaat het hele doel, waarnaar het mensdom hier op aarde streeft, in het onafgebroken proces van het streven, anders gezegd – in het leven zelf, maar niet in een bepaald doel, dat natuurlijk niet anders kan zijn dan 2 x 2 = 4; dat is: een formule, maar 2 x 2 = 4 is niet het leven, maar het begin van de dood.

De mens is tenminste altijd bang geweest voor dit 2 x 2 = 4, en ik ben er nu ook bang voor. Laten we aannemen, dat de mens niet anders doet, dan dat 2 x 2 = 4 opzoeken, dat hij oceanen overzwemt, zijn leven opoffert om het te vinden, maar dat hij het werkelijk zal vinden; mijn God, daarvoor is hij bang. Want hij voelt, dat, als hij het gevonden heeft er dan niets meer te zoeken is.

Als arbeiders hun werk geëindigd hebben, krijgen ze tenminste geld, ze gaan naar de kroeg, ze worden opgebracht; nu, daarmee is dan hun week gevoeld. Maar waar moet de mens heengaan? Elke keer, als hij zulk een doel bereikt heeft, kan men opmerken, dat hij zich niet op zijn gemak voelt. Van streven houdt hij, maar van het bereiken in ’t geheel niet, en dat is ten slotte hoogst belachelijk.

In één woord, de mens is komisch geschapen; in dat alles schuilt blijkbaar een grap. 2 x 2 = 4, dat is het allerondraaglijkste, 2 x 2 = 4 is, naar mijn mening, alleen maar een onbeschaamdheid; 2 x 2 = 4 kijkt als een fat, staat dwars op uw weg met de handen in de zij en spuwt. Ik ben er het mee eens, dat 2 x 2 = 4 een voortreffelijk ding is, maar als men toch eenmaal aan het prijzen is, dan vind ik  2 x 2 = 5 soms ook een alleraardigst dingetje.”

DOSTOJEVSKI, Fjodor, Memoires uit het souterrain, J. Meulenhoff, Amsterdam, 1961, 44-45.

“Er valt hier iets te verrichten!”

Hieronder een fraai staaltje van negentiende-eeuwse Slavofilie, de grote tegenhanger van de liberaal-progressieve stroming die in de negentiende eeuw in Rusland bestond. Terwijl de ene stroming in Rusland het derde Jeruzalem zag, keken anderen naar het Westen, en dan vooral naar Frankrijk, om Rusland te bevrijden van haar reactionaire neigingen. Dostojevski ervoer in zijn jonge jaren een Aha-erlebnis in een gevangenis in Siberië, toen hij opgepakt was omdat hij behoorde tot de radicale kring van Petrasjevski, die socialistische en idealistische ideeën had. In een eerder artikel op deze blog heb ik Dostojevski en de Slavofielen in dit ruimer kader geplaatst: “Wellust werd de worm gegeven!”. Het onderstaande stukje is een citaat van Prins Mysjkin, oftewel de idioot in de gelijknamige roman.

Luister eens, Parfjon, je hebt mij zoëven een vraag gesteld: hier is mijn antwoord: de kern van het religieuze gevoel kun je bij geen redenaties, geen vergrijpen of misdaden, bij geen enkele atheïstische theorie onderbrengen; het gaat hier om iets totaal anders, altijd over iets anders; wij hebben hier te maken met iets, waar het atheïsme altijd en eeuwig op zal uitglijden en alle atheïsten zullen het eeuwig over iets anders blijven hebben. Maar de hoofdzaak is dat je deze waarheid het duidelijkst en snelst opvalt in een Russisch hart en dat is dan mijn konklusie! Dit is een van mijn voornaamste overtuigingen die ik uit ons Rusland meeneem. Er ligt hier een arbeidsveld braak, Parfjon! Er valt hier iets te verrichten in onze Russische wereld, geloof mij!

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 274.

“Een heel gekke geschiedenis”

Een heel gekke geschiedenis, het is in twee woorden verteld, begon de generaal zelfvoldaan. Twee jaar geleden, ja, dat klopt wel ongeveer, het was kort na de opening van de nieuwe spoorweg, had ik, (en ik was toen al civiel) mijn handen vol met allerlei beslommeringen in verband met mijn dienstoverdracht en zo nam ik op een keer een kaartje eerste klas: ik stapte in de trein, ging zitten en begon te roken. Of liever gezegd: ik ging door met roken, want ik had mijn sigaar al eerder opgestoken. Ik zat moederziel alleen in mijn coupé. Roken is daar niet verboden, maar ook niet direct toegestaan; ze laten het oogluikend toe, zoals dat vaak gaat en het hangt er ook van af, wie er rookt.

Het coupéraampje stond open. En opeens, net voor het vertreksein, stappen er twee dames in met een schoothondje en gaan recht tegenover mij zitten; ze waren net op het nippertje. Een van die twee was chique gekleed, in het lichtblauw, de andere dame bescheidener in een zwartzijden japon met een pelerine. Ze waren niet onknap, van die gezichten wie-doet-me-wat? en ze spraken Engels. Ik nam natuurlijk geen notie van ze en rookte lekker door. Dat wil zeggen, ik aarzelde wel even, naar ging er toch maar mee verder, het raampje stond immers open en ik blies de rook naar buiten. Het hondje maakte zich gemakkelijk op de schoot van de lichtblauwe dame, het was zo’n klein, zwart mormel, niet groter dan mijn vuist, met van die witte pootjes, een zeldzaam exemplaar zelfs. Een zilveren halsband met de een of andere inskriptie.

Ik bemoei me nergens mee. Ik merk alleen dat de dames zich ergens over schenen op de winden, over die sigaar van mij natuurlijk. Een van de twee fixeerde mij door een lorgnet met een handvat van schildpad. Ik doe nog aldoor of mijn neus bloedt, zij van hun kant geven immers ook geen kik! Hadden ze er ook maar iets van gezegd, gewaarschuwd, gevraagd, ze hebben toch een tong in hun mond! Maar niks daarvan, geen boe of ba … tot me daar die lichtblauwe opeens, – en zonder de geringste waarschuwing, zeg ik u, zonder iets erop wees, zo maar pardoes, alsof het haar plotseling in haar bol was geslagen, – mijn sigaar afpakte en die hup het raam uitsmeet!

De trein vliegt over de rails, ik zit te kijken of ik een klap van de molen beet heb. Een wilde vrouw; een volkomen wild wijf, zo een uit het oerwoud overgeplant, een dikkerd anders, zo’n grote blondine met van die weelderige vormen en een rood gezicht (te rood zelfs) en een paar vuurschietende ogen, waarmee ze mij probeert te verzengen.

Zonder een woord te zeggen, maar buitengewoon beleefd, met een volmaakte beleefdheid, met een verfijnde beleefdheid om het zo uit te drukken, steek ik mijn duin en wijsvinger naar het schoothondje uit, pak het dier behoedzaam in zijn nekvel en slinger het door het coupéraampje naar buiten, mijn sigaar achterna! Het jankt even … De trein snelt verder …

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 138-139.

“Zomerzonnewendefeest!”

‘Zomerzonnewendefeest!’ zei Hans Castorp. ‘Zomerzonnewende! Vuur in de bergen, en hand in hand dansen om de laaiende vlammen heen! Niet dat ik het ooit gezien heb, maar ik heb gehoord dat het gedaan wordt door oermensen, zo vieren zij hun eerste zomernacht waarmee de herfst begint, middaguur en hoogtepunt van het jaar, vanwaar het weer bergaf gaat – ze dansen juichend in de rondte. Waarom juichen ze in hun oertoestand? Kun jij daar hoogte van krijgen? Waarom zijn ze zo door het dolle heen? Omdat het van nu af aan naar beneden gaat, naar het donker toe, of misschien omdat het tot nu toe omhoog gegaan is en het keerpunt gekomen is, het onvermijdelijke keerpunt, midzomernacht, het absolute hoogtepunt, met een brooddronkenheid vermengd met weemoed? Ik zeg het maar, zoals het is, met de woorden die me toevallig te binnen schieten. Het is melancholieke brooddronkenheid en brooddronken melancholie, die de oermensen doet juichen en rondom de vlammen dansen; ze doen het uit positieve wanhoop, als je wilt, ter ere van de clowneske grap van de kringloop en de eeuwigheid zonder richtingsduur, waarin alles terugkeert’.

MANN, Thomas, De Toverberg, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2010, 478.

De Jonge Werther

De flits van het kruit baarde met een unheimlich schot de Wertherfieber,

het jonge lichaam in reddeloze staat, bracht menig man in levensspagaat

“Lotte! Lotte, vaarwel, vaarwel!” klonk het in zijn laatste dralende schrijven,

Zijn ziel, zwevend boven ’t grauwe graf, verdoemd tot eeuwig dwalen

P. 

Aldus sprak Narziss …

‘Kijk’, zei hij, ‘er is maar één punt, niet meer, waarin ik jou de baas ben: ik ben wakker, en jij bent niet meer dan half wakker, soms zelfs slaap je helemaal. Ik noem iemand wakker als hij met zijn verstand, zijn bewustzijn weet wie hij is, weet welke zijn meest fundamentele, irrationele vermogens, drijfveren en zwakke punten zijn, en er rekening mee weet te houden. Het feit dat je mij hebt leren kennen kan voor jou juist betekenen dat je die dingen leert. Bij jou, Goldmund, staan de geest en de natuur, het bewustzijn en de wereld van je dromen, erg ver van elkaar af. Je hebt je kinderjaren uit je geheugen gewist, vanuit de diepten van je ziel doen ze moeite om je weer voor zich te winnen. Ze zullen je laten lijden, net zolang tot je hen verhoort. – Genoeg hierover! Zoals ik zei: wakker zijn, daarin ben ik beter dan jij, in dat opzicht ben ik je meerdere en daarom kan ik je van nut zijn. maar in alle andere opzichten, mijn beste, ben jij mij de baas, en niet andersom – of liever: dat zul je zijn zodra je jezelf gevonden hebt’.

Narziss in: HESSE, Hermann, Narziss & Goldmund, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009, 42.

“Wakker zijn”. Het wroet in je, het broeit vanuit de diepste krochten van je ziel. Het is weten wie je bent, wat je doet en met welk doel je op deze planeet “geworpen” bent. Het volle bewustzijn borrelt in je op en wie kan er zich op beroepen dat hij zich bij zijn volle bewustzijn is? Wie kan zeggen, waarlijk zeggen voor het aanschijn van het Al, dat hij weet wat hij van plan is? En is dat plan, indien hij het weet, voldoende? Is het bereikbaar? Of dient het niet bereikbaar te zijn? Is het “plannen” slechts een afleiding van wat waarlijk telt? Is het leven niets anders dan een eindeloze pelgrimage naar een onbereikbaar geluk? Wekt dat doel je in slaap? Of is net de reis naar het doel datgene wat je wakker dient te maken? En hoe weet je dat dan?

Ben jij wakker?

P.

“Ik ben het, Faust, ben jouw gelijke!”

Toen in 1887 het nalatenschap Luise von Göchhausen, een voormalige hofdame in Weimar, werd doorgenomen, deed men een bijzondere vondst: een vroege versie van Goethes Faust. Het ging om een afschrift, gebaseerd op een voordracht die Goethe in kleine literaire kring gaf. Dat was de typische ‘saloncultuur’ van de 18de eeuw, waar allerlei literaire activiteiten werden gehouden en plannen werden gesmeed om de wereld te verbroederen (of net andersom). Het document dateert wellicht omstreeks 1775-6, ruim dertig jaar voor Goethe Faust I uitgaf en een halve eeuw voor hij het tweede deel postuum publiceerde. De euforie was aanvankelijk groot, want Faust was inmiddels wereldliteratuur. Erich Schmidt, die de vroege Faustversie vond, publiceerde het afschrift met de overmoedige naam Goethes Faust in ursprünglicher Gestalt. Niet iedereen was daarmee gediend.

Het ging immers slechts om een afschrift, waarvan het nog maar de vraag was in hoeverre mate het een betrouwbare tekst is. Welke slordigheden zijn er immers ingekropen bij het kopiëren of, inderdaad, bij het dicteren ervan? Binnen de gespecialiseerde wereld is het ingeburgerde begrip Oerfaust filologisch aanvechtbaar. Daarnaast was de Oerfaust, zoals het gepubliceerde wonder werd genoemd, niet de allervroegste versie. Die heeft Goethe samen met het ‘konfuse Manuskript’, waarin de eerste verhaallijnen werden getekend, vernietigd. Maar de bijzondere vondst bevat wel de essentie van de latere Faust-tragedie.

Gretchen im Kerker (Faust I), Margret Hofheinz-Döring

Gretchen im Kerker (Faust I), Margret Hofheinz-Döring

In de Oerfaust komt de tragische liefdesaffaire van Faust en Margarete (“Gretchen”) veel sterker op de voorgrond. Zo blijven een aantal scènes uit de latere versie weg in het vroegere verhaal, zoals ‘Fausts en Mefisto’s tussentijdse klim naar de wellustige excessen van de Walpurgisnacht [en] de eenzame onderzoekersdrift waarmee Faust zich in grotten en holen aan de gevolgen van zijn liefdesavontuur onttrekt’, aldus Nederlandse Faustvertaler Ard Posthuma. De tragische liefde tussen deze twee protagonisten werd later door Goethe te sterk geacht in verhouding met de rest van het werk.

Johann Wolfgang von Goethe im 70. Lebensjahr, Joseph Karl Stieler (1828 ).

Het tweede deel van Faust, dat in 1832 postuum werd uitgegeven wordt als een bijzonder complex werk beschouwd. Vele commentatoren hebben boeken volgepend met kritische aantekeningen, maar de complexiteit werd er niet minder op. De Urfaust kan soelaas brengen, meent vertaler Ard Posthuma: ‘Wie dit alles nog een brug te ver is, doet er verstandig aan om voorlopig in het voetspoor van de ‘Oerfaust’ te blijven. Er is geen betere introductie in Goethes magnum opus dan via deze tekst, die zich beperkt tot de ‘kleine wereld’ van Gretchens kamertje, geschilderd op een tijdstip dat het einde van Fausts reis nog ruim een halve eeuw op zich zou laten wachten’.

 

En dat is wat mij te wachten staat, want ik heb deze parel uit de wereldliteratuur voor mij liggen. Mijn boekenkast zal het vreugdevol in de armen sluiten. Toch geeft Wagner, de assisent van Faust, me nog een laatste waarschuwing mee wanneer ik even schalks door het boek blader:

 

Ach! wie slaaf van zijn boekenwand is,

de wereld hooguit op een zondag ziet,

is vaak onzeker als hij wil proberen

de mensheid overtuigend te beleren.

 

P.

 

Gebaseerd op het nawoord van Ard Posthuma in Faust (oerversie), Athaneum, Amsterdam, 2009.