TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Wijsbegeerte

De schalkse landweg van Heidegger

“Het toespreken van de landweg wekt een gezindheid op, die het vrije liefheeft en die tevens op een gunstig punt over de tegenspoed weet te springen naar een laatste schalksheid. Deze weert het onbetamelijke van de loze arbeid, die op zichzelf bedreven louter het nietige bewerkt.

In de met de jaargetijden wisselende adem van de landweg gedijt de wetende schalksheid, waarvan het voorkomen vaak zwaarmoedig lijkt. Dit schalkse weten is het “Kuinzige”.

Niemand verwerft het die het niet heeft. Die het hebben, hebben het van de landweg. Op zijn pad ontmoeten de winterstorm en de oogstdag elkaar, treffen de opwekkende prikkeling van het voorjaar en het gelaten sterven van de herfst elkaar, en merken het spel van de jeugd en de wijsheid van de ouderdom elkaar op. Maar in een unieke harmonie, waarvan de landweg zwijgzaam een echo met zich heen en weer voert, is alles verschalkt.

De wetende schalksheid is een poort tot het eeuwige. Zijn deur draait in de scharnieren, die ooit bij een vaardig smid uit de raadsels van het erzijn (Da-sein) werden gesmeed.”

HEIDEGGER, Martin, De Landweg, Uitgeverij Damon, s.l., 2001, 20-21.

Met het korte werk “De Landweg” heb je de filosofie van Martin Heidegger in een notendop. Vanaf Plato hebben we geprobeerd de werkelijkheid te beheersen met behulp van de rede, maar sinds Nietzsche bleek dit één grote zinsbegoocheling te zijn. Hij heeft de werkelijkheid herijkt van het domein van de kenleer naar pure machtswil. En daar hebben we met onze rede niet veel te zoeken, wist Schopenhauer ons al te zeggen. Het waarheidsgebeuren (aletheia) is daarom iets waar je geen vat op hebt.  Het wordt aan ons gegeven. Wanneer we dus denken en spreken over het Zijn, liggen we zelf niet aan de oorsprong hiervan. Het is immers het Zijn zelf dat ons te denken geeft, zij komt naar ons toe (das Seinsgeschick). Zij is in essentie ongrijpbaar; onbevattelijk.

Wanneer het Zijn gebeurt kunnen we er enkel denkend bij verwijlen, net zoals Heidegger die zich vaak liet verleiden tot een mijmerende wandeling op een landweg in zijn geboortedorp Meßkirch. Een tragedie? We zijn niet meer het autonome wezen dat aan de oorsprong ligt van zijn denken en doen, omdat we ons bevinden binnen een gebeuren dat groter is dan onszelf, aldus Heidegger. Maar zijn we werkelijk ooit dat autonome wezen geweest? Haar abstracte karakter is een verlammende factor gebleken, die afbreuk deed aan de authenciteit van de mens. Het is ironisch dat we, ondanks de post-moderne gevolgtrekkingen van dit besef (radicale historiciteit en contingentie), hierdoor opnieuw een glimp opvatten van het schalkse weten van de traditionele, premoderne mens.

P.

Advertenties

Gelatenheid

Beeld je in dat je heel je leven lang in een boot doorbrengt op een lange rivier. Wanneer is deze rivier echt een rivier? Daar waar zij aan de bron hoog in de bergen ontspringt of ginds aan de verre einders van de horizon waar zij breed uitwaaiert in een broeierig labyrint van woeste mangrovewouden? Of nog verder, zoals de machtige Kongorivier een laatste zwanenzang inzet met een okergele troebelheid die Atlantische Oceaan kleurt zover een mens kan zien? Misschien kies je voor minder drama en beslis je dat de rivier die brede, rustige stroom is waarrond steden ontstaan en een rijke landbouwgrond geniet van haar genereuze slibafzet. Nee. Ook dan niet. Want zij laat zich niet bepalen door ons weten; hoog en laag is ze beslist evenveel rivier dan op die gouden middenweg. Toch heb je het idee dat je wel degelijk over de rivier kan spreken. Het moet, het kan niet anders. Dat is een waarheid die we wel moeten accepteren wanneer we haar van begin tot einde afvaren.

We hebben lang geloofd dat waarheid, net als de rivier, een onveranderlijk iets was. We dachten een raamwerk uitgevonden te hebben waardoor we algemene uitspraken konden doen over alles. We zouden alles kunnen weten. We hebben fundamenten in de grond geslagen die nooit meer ondermijnd konden worden. Met onze redelijkheid wisten we de werkelijkheid te vatten. Dat dachten we. We waren begoocheld zonder het zelf te weten. Onze objectieve benadering was een abstracte constructie: het gevolg van onze dialoog met de Lebenswelt, de enige wereld waarop we betrokken zijn. De waarheid verschuift omdat zij wezenlijk historisch is. De onveranderlijke kern wordt vastgeklonken aan het tijdelijke waardoor de afgrondelijkheid van ons bestaan angstwekkend reëel wordt. Net zoals de rivier is de waarheid op dit moment anders dan gisteren of morgen. De manier waarop zij aan ons verschijnt kunnen wij niet beheersen. We moeten haar dus uit handen durven geven. Het is gegeven, net zoals de levensrivier waar wij ons doorheen moeten waden.

P.

Verwondering en onbehagen

“Dat was adembenemend. Nooit tevoren had ik vermoed wat het betekent, te existeren”. (Sartre, La nausée (1938))

Ik studeer filosofie uit een verlangen om alles in en rond mij te begrijpen. Waar, dat is een pretentieus uitgangspunt: men gelooft al lang niet meer dat de mens alles te weten kan komen. Niet alleen is ons kenvermogen begrensd, maar er bestaat ook een onzekerheidsfactor die veeleer in de natuurlijke processen zelf ligt opgesloten (cf. Mandelbrot, Heisenberg, Gödel e.a.). Hoe dan ook worden we geconfronteerd met de verwondering die ons als metafysisch wezen in al onze nieuwsgierigheid bepaalt. Ik kan dan niet alles weten, maar het vermogen tot mateloze verwondering biedt vertroosting.

Maar hoe kunnen we ook anders zo nieuwsgierig zijn? We worden zonder enige inspraak in de wereld geworpen en worden door onze omgeving verwacht dit vanzelfsprekend te vinden. Is het dan opmerkelijk dat we ons vragen stellen naar de gronden van ons bestaan? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Dat is volkomen normaal, dat ligt in onze aard. Een mens die naar de sterrenhemel staart en zich geen existentiële vragen stelt is geen mens, lijkt me. Toch bekruipt mij een onbehagen wanneer ik mij iedere dag in het maatschappelijke begeef. Zij lijkt zelfgenoegzaam in haar vanzelfsprekendheid verzonken te zijn. Op die manier wordt het moeilijker om tot zichzelf te komen in een maatschappij waar vooruitgang het parool is en stilstand taboe.

Dat onbehagen heb ik al uitgebreid aan bod laten komen in mijn manifest. Ik zou me onbeschaamd als een cultuurpessimist durven omschrijven. Toen de Lierse “pelgrim” Ernest Van der Hallen in de jaren ’30 afscheid nam van zijn omgeving en de wijde wereld introk, beschreef hij Europa zeer treffend als

“het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies.”

Toch zie ik iets constructiefs ontstaan uit dat cultuurpessimisme. Het verval prediken zonder hoop in het vooruitzicht te stellen is een houding die me niet goed past, hoezeer ik ook neig naar de avondlandcultuur van het interbellum. Geef mij maar dan het morgenrood van Nietzsche, die net als Kierkegaard een sprong durfde te wagen boven de inerte redelijkheid die zo verweven is met de moderne maatschappij.

De existentiefilosoof Karl Jaspers duidde met het begrip grenssituatie momenten aan waarin de existentie zich onmiddellijk verwerkelijkt. Op deze momenten, die je niet kan ontlopen, zal het geheel van de existentie zich verwerkelijken en worden wij geheel onszelf. Het project van het existentialisme,  de zoektocht naar authenciteit en het zelf-zijn, vindt hier zijn praktische uitlaatklep. Op deze manier wordt de kosmos gedwongen zich te openbaren en weet het avondland zich te herenigen met het morgenrood.

Odysseus blijft hier een geniale illustratie van:

Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing. (uit Manifest)

P.

De onzinnige zinnigheid

Alles wat we zien is vanzelfsprekend. We ordenen iedere gewaarwording in ruimte en tijd dankzij onze zintuiglijkheid en verstrikken deze in een netwerk van gronden dankzij de structuur van ons kenvermogen. Waarvoor dank, Immanuel Kant. Het is dus niet verwonderlijk dat vele filosofen onze werkelijkheid redelijk hebben genoemd en vice versa (cf. Hegel). Alles wat daarbuiten valt bestaat niet. Natuurlijk is dat wel, maar we kunnen daar geen zinnige uitspraak over doen. Als we het denken van de analytische taalfilosofie van Wittgenstein volgen valt deze buiten de wereld. In dat opzicht bestaan er twee werelden: de ordelijke wereld die wij als dusdanig ervaren en de “werkelijke” wereld die zich daarbuiten schuilhoudt.

Nuja, schuilhouden …

Immanuel Kant stelde ons denken ooit voor als een eiland temidden van een gigantische oceaan. Wat we werkelijk kunnen kennen is slechts beperkt. Alles wat buiten het eiland bestaat is het Ding an sich, das Unbekannte. We kunnen daarover redeneren, maar we hebben daar geen kennis over. Die is immers beperkt door onze zintuigelijkheid en ons kenvermogen. Maar dat Ding an sich was veel te eigenaardig om met rust gelaten te worden. Als we het denken van Arthur Schopenhauer volgen is het Ding an sich een onbewuste bron van kennis, die zich door het lichaam laat vertalen als de wil. Ons empirische denken wordt daardoor on- en voorbewust beïnvloed door de wil. Sigmund Freud zou daar later nog heel wat mee aanvangen. Ergo: wat we weten, redeneren en kennen van de wereld heeft niet alleen ons bewuste denken als bron, maar ook het onbewuste.

Daarom stel ik mij de vraag waarom alles wel zo vanzelfsprekend moet zijn, want die ordelijkheid klinkt te ongelofelijk voor woorden. Moeten we dat juist niet eigenaardig vinden? Waarom is alles logisch en ordelijk, eerder dan absurd en chaotisch? De empiristen stelden dat we geen aangeboren ideeën hebben, wat aannemelijk is. Maar hoe zit het dan met de structuur van ons denken? Het is een veel te immense taak voor onze ouders om ons een denkstructuur mee te geven met een zo doorregen rigiditeit, dat de werkelijkheid noodzakelijk als logisch beschouwd moet worden. Ons verstand moet dus in die mate geschapen zijn dat we al een noodzakelijke basis hebben vanaf onze geboorte om van daaruit een redelijke wereld te bouwen. Maar hoe zit dat dan juist in elkaar? Hoe verschalken wij onszelf in deze speurtocht naar de werkelijkheid? En hoe doorgronden we dit zonder onszelf ten gronde te richten?

P.

Schuld en onschuld van de wil

Het dier is evenwel naïever dan de mens, als de plant naïever is dan het dier. In het dier zien we de wil tot leven als het ware naakter dan in de mens, waar hij met zoveel kennis bekleed en bovendien door het vermogen om te veinzen is verhuld, dat het ware wezen bijna slechts toevallig en gedeeltelijk te voorschijn komt. Geheel naakt, maar ook veel zwakker, manifesteert hij zich in de plant, als pure blinde drang tot bestaan zonder enig doel. Want de plant openbaart haar gehele wezen aan de eerste de beste toeschouwer en met een volmaakte onschuld, die het niet deert dat zij de genitaliën, die bij alle dieren de meest verborgen plaats hebben gekregen, op haar top tentoonstelt. Deze onschuld van de plant berust op kennisloosheid: niet in het willen, maar in het willen met kennis ligt de schuld. Iedere plant vertelt eerst over haar vaderland, het klimaat aldaar en de gesteldheid van de bodem waaruit zij is ontsproten … Maar bovendien verwoordt elke plant nog de speciale wil van haar soort en zegt iets in wat in geen enkele taal kan worden uitgedrukt.

SCHOPENHAUER, Arthur, De wereld als wil en voorstelling (deel I)

“Een heilig ja zeggen”

“Onschuld is het kind en vergeten, een opnieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging, een heilig ja zeggen”.

Nietzsche, “Van de drie gedaantewisselingen”, Aldus sprak Zarathoestra

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche koesterde een diep wantrouwen in de Westerse rationaliteit en heeft daarmee de fundamenten van de Westerse cultuur genadeloos ontmaskert. De theoretisch-Socratische mens die tot aan Hegel toe het volste vertrouwen legt in de redelijkheid van de samenleving, wordt door Nietzsche ter verantwoording geroepen. Dat God dood is, betekent vooral dat de metafysica en de moraal waarop de gehele Westerse cultuur is gebouwd zonder fundament bestaat. Alle vertrouwen valt weg. De waarheid is dus een ingebeelde constructie, een slavenmoraal die maar greep kan krijgen op de werkelijkheid door deze via de rede te ordenen. Deze geordende werkelijkheid is daarom volgens de filosoof een verarming die het leven ontkende in plaats van het te affirmeren. De werkelijke wereld is eerst en vooral machtswil. Het Kind van Nietzsche accepteert de wereld zoals hij is en is daarom in ieder opzicht de Übermensch:

Onschuld: er is geen goed of kwaad meer, geen gegeven vaste grond, geen uiteindelijk doel. Alle leugen is overwonnen.

Vergeten: de ware en schijnbare wereld is verdwenen. Omdat de wereld als schijn gebleken is, zijn we losgekomen van de wil tot onwaarachtige waarheid. Nu is er perspectivisme, interpretatie in een wereld die ondanks al zijn tegenstellingen wordt aanvaard.

Opnieuw beginnen: het Kind schept bewust waarde en waarheid, hij eigent zich het “recht der heren” toe. Hij wierp de zware mantel van de moraal van zich af om moreel te leven.

Een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging: de lineaire tijdsopvatting wordt opnieuw circulair. Alles keert terug in gewijzigde vorm. De eeuwige wederkeer.

Het heilig ja zeggen: het absurde besef van de zinloosheid van het leven wordt overwonnen, omdat de wereld eindelijk als schijn werd ontmaskerd en zo bevestigd werd. Er is geen reden om hierover defaïtistisch te zijn, hierom moet men lachen.

P.

Gemiste rijkdom

Toen ik daarstraks weer een eindeloze reeks spontane gedachten aan het spinnen was in mijn hoofd bedacht ik dat ik nooit dezelfde genialiteit aan de dag kon brengen op papier. Er zijn immers zoveel onbewuste barrières die het onmogelijk maken om een rijkdom te etaleren die nog maar te vergelijken valt met de weelde aan gedachten in mijn hoofd. Zo nu en dan slaag ik er wel in om een punt te maken, maar als ik erin slaag een doorgedreven gedachte te maken in mijn hoofd met her en der geniale hak-op-de-taksprongen moet dat toch ook lukken op papier? Als ik er op een of andere manier in slaag een personage in mijn dromen een boeiende toespraak te laten houden over eender welk thema, dan moet ik er zelf toch in slagen dat te reproduceren?

Deze tragedie is hier een oud zeer: het is slechts een van de vele opzichten waar we maar een fractie kunnen ervaren van het “kosmische sieraad”. Het is waar: de Neoplatoonse filosofie heeft dat sieraad op een uiterst verleidelijke manier beschreven, maar Nietzsche heeft deze prachtige gestalte terecht de grond ingeboord. Als er een kosmisch sieraad bestaat, is deze onbevattelijk en ook onredelijk. Want alles wat redelijk is, heeft de Duitse filosoof met de hamer geschreven, is slechts een constructie van ons eigen denken. Een fantasie, ook al is de mens haast van nature uit een wezen dat alles wil categoriseren en ordenen. Wat zegt dat dan over het werkelijke? Het werkelijke is chaotisch, maar de hele filosofie voor Nietzsche heeft dit ontkent.

Ik neig het leven voor te stellen als een pelgrimstocht, cirkelend rond een heilig centrum dat fungeert als de hoogste hemelsfeer die Dante wist te bereiken. Een Worden dat zich koppelt aan een Zijn, zodat het zich meer ontwikkelt en de mogelijkheid schept om niet alleen te bestaan, maar ook te existeren. En ja, ook al is dit een constructie van mezelf om het leven wat meer zinvol te maken, wat dan nog? De ontmaskering van het leven kan volgens mij leiden tot een rijkere levenservaring. We worden allemaal geworpen in een eigen microkosmos maar het is daarom aan ons als architect om daar iets van te maken. Waarom dan vasthouden aan conventionele bouwstijlen?

P.

Hegel, Ik en een ander

“Het zelfbewustzijn bereikt slechts zijn bevrediging in een ander bewustzijn (…). Het is op en voor zichzelf, wanneer en doordat het voor een ander op en voor zichzelf is, d.w.z. het bestaat slechts als iets, dat erkend wordt” (G.W.F. Hegel, Phänomenologie des Geistes, 1807)

Hegel bouwt bij dit citaat een noodzakelijke brug tussen onszelf en de wereld daarbuiten. Een mens “stelt” zichzelf immers niet op eigen houtje vast, daarvoor is een dialectisch proces nodig dat hem naar een groeiende zelfontvouwing brengt. Wanneer alleen ikzelf mijn eigen Ik erken, treedt naderhand vervreemding op. Het moet immers ongelofelijk frustrerend zijn dat je in geen enkel opzicht erkend wordt. Deze vervreemding doet afbreuk aan je zelfbewustzijn. Het is pas door onszelf af te toetsen aan de buitenwereld en aan de “andere” dat ik tot een concreet zelfbewustzijn kom. De strijd voor erkenning, stelt de Franse filosoof Paul Ricoeur vast, gaat er immers om dat ik van de ander het bewijs krijg dat ik een zelfstandig bewustzijn ben. “Welbedankt, meneer en mevrouw, dankzij onze onderlinge dialectische conflictsituatie ben ik wie ik ben. En bemoeit u zich daar verder liever niet meer mee, ik kijk reeds uit naar een andere confrontatie”. Op deze manier leiden deze continue confrontaties met anderen tot een sterker zelfbewustzijn waarmee ik mezelf kan positioneren in de wereld. Wat dat betreft hebben we dus elkaars subjectiviteit in handen. Stel je dat eens voor! Misschien kan ik daaruit afleiden dat wij de maskers opzetten die de Andere voor ons houdt?

P.

Bestaan

Is het leven niet het meest angstaanjagende wat er bestaat? We worden zomaar gegooid in een bestaan zonder erom te vragen, krijgen vanaf de eerste levenskreet noodgewongen een moreel keurslijf aangemeten en als je er even stil bij wil blijven staan krijg je op een afkeurende toon te horen dat je geen aandacht schenkt aan de dingen “die belangrijk zijn in het leven”. Het leven is een groot theater en als we even achter de coulissen durven duiken staan we er verwilderd bij en vragen we af waar al dit drama vandaan komt. Doe het maar eens, bevraag de dingen die je iedere dag doet. Is dat allemaal wel normaal? Waarom moeten we alles vanzelfsprekend beschouwen? Als je er de kans toe krijgt, tenminste. We worden zo doorheen het leven opgejaagd dat reflectie erover een luxe dreigt te worden. Komaan! Naar de volgende horde! De afgrond in!

P.

Kant & Het Kennen

We hebben de neiging alles snel vanzelfsprekend te vinden. Alles is begrijpelijk in een omgeving waar we zijn opgegroeid. Het lijkt nooit anders geweest te zijn. Toch is die neiging helemaal niet zo voor de hand liggend als zij lijkt. Ons denken ondergaat een bepaald proces vooraleer we komen tot datgene wat we als “denken” of “redeneren” kunnen beschouwen. Je lees het goed, “denken over het denken”. De menselijke redelijkheid is een speerpunt voor de triomftocht van de moderne Westerse filosofie, maar vormt eveneens een kritische voedingsbodem. Zijn we bijvoorbeeld wel zo redelijk als we denken?

Iets verschijnt aan ons. We nemen het waar. Ogenblikkelijk vormen we een geordend geheel van beelden, waaraan we een aantal begrippen koppelen. Daarvoor is apriorische kennis nodig, begrippen die we al voor deze ervaring hebben geleerd. Een GSM is voor ons een herkenbaar voorwerp omdat we op voorhand de kenmerken ervan weten, maar toon het aan een geïsoleerde stam in het Amazonegebied en deze “fenomenale” ervaring valt voor hen niet te begrijpen. Omdat ze het object niet in een kader kunnen plaatsen is deze ervaring niet redelijk. In dat opzicht heeft Wittgenstein gelijk: onze taal begrenst onze wereld. De grens van ons begrip is de grens van onze waarneming.

Immanuel Kant heeft in dit opzicht het empirisme van de Angelsaksische filosofie en het Continentaalse rationalisme weten te verzoenen. Wie alleen stoelt op ervaring of begrippen is blind. We moeten onze ervaringen immers kunnen “vatten” dankzij een voorafgaande denkstructuur. Aan de andere kant moeten begrippen gekoppeld worden aan “fenomenen” waardoor ik een oordeel kan vormen (“dit is een boom”). Kant combineert beiden: je doet kennis op via fenomenen, die je dan weer begrijpelijk kan maken door deze te verbinden met begrippen. Onze eigenlijke kennis beperkt zich tot deze subjectieve ervaringen. Voorbij het fenomenale domein van de ervaring komt men tot wat Kant het noumenale domein noemt. Dat is redeneren voorbij de ervaring, voorbij de waargenomen dingen.

De empirist John Locke benadrukte de zintuigelijke ervaring als basis van ons kennen, maar onderkende wel het belang van een dragende substantie achter deze waargenomen fenomenen. Hij veronderstelde dit. Hume stelde vast dat men voorbij de sensations een geloof moest hebben in een substantie. Kant, daarentegen, zorgde met de nadruk op redeneren voor een veel sterkere fundering die hem tot sleutelfiguur maakte van de Westerse filosofie. Het noumenale domein van het redeneren vormde immers de metafysische ondergrond en de onvoorwaardelijke mogelijkheidsvoorwaarde voor de menselijke moraal. Daarop baseert Kant de universaliteit, die wordt gegarandeerd door de redelijkheid. We gebruiken immers gezamenlijk dezelfde begrippen voor tafels, stoelen, wetboeken, en andere “fenomenen”. Door deze conventies aan te nemen kunnen we in het dagelijkse leven normaal functioneren.

En toch was dit “orgelpunt van de Verlichting” meteen ook een onvermijdelijk keerpunt. De Kantiaanse filosofie impliceert immers dat iedereen de werkelijkheid bekijkt met een “subjectieve bril”, want onze kennis wordt immers gebaseerd op wat wij zien. Niet de werkelijkheid schenkt ons kennis, maar wél de denkstructuur van ons verstand die ons de mogelijkheid geeft de werkelijkheid te interpreteren. Alle denken is dus een menselijke constructie. Maar die universaliteit werd al snel een probleem, want zijn alle begrippenkaders wel op dezelfde leest geschoeid? Denkt een Fransman wel met dezelfde begrippen als een Amerikaan of een Japanner?  Net doordat Kant het “denken over het denken” zo hard heeft doorgetrokken ontstond er al snel een reactie op de Verlichting. Dat van de Romantiek. Dan volgde Hegel. En later in de eeuw begon het grote optimisme van de Verlichting scheuren te vertonen die tot op de dag van vandaag nog altijd tot grote vraagtekens leidt.

P.