TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Yukio Mishima

Mishima: “here began his rapture”

Here began his rapture. Suddenly it was like a runaway stallion breaking free of the yoke. A wild strength flowed into his arms as he held the woman. He clasped her tighter, feeling their two bodies shake like the mast of a plunging ship.

The face that had been buried in his chest was lifted. Makiko has lifted her face! Her expression was just what he had dreamed night after night that it would be when he said his last farewell. Tears sparkled on that lovely white face that was without a trace of makeup. Her tight-shut eyes looked at Isao with a force stranger than that of vision. Her face was like a delicate bubble that now floated before his eyes after having risen from some unimaginable depth. In the darkness her lips trembled as she sighed again and again. Isao could not bear having her lips so close to his. To banish them, all he could do was touch his own lips to hers. As naturally as one leaf alls and comes to rest upon another, Isao came upon the first and final kiss of his life. Makiko’s lips reminded him of the red leaves of the cherry trees that he had seen in Yanagawa. He was startled by the sweetness that began to flow gently through him once their mouths were joined. The world trembled at the point of contact between their lips. From this point radiated a transformation that altered his very flesh. The sensation of being steeped in something indescribably warm and smooth reached a climax when he realized that he had drunk in some of Makiko’s saliva.

When they finally drew their lips apart, they clung to each other and wept.

Yukio Mishima, Runaway horses

Mishima: de speling van de wil

When Honda reflected upon his own character, he had no choice but to conclude that he was a man possessed of a will. At the same time, however, he could not avoid misgivings as to the ability of that will to change anything or to accomplish anything even in contemporary society, let alone in the course of future history. Often his courtroom decisions had determined whether a man lived or died. Such a verdict might have seemed of extreme significance at the time, but as the years passed – since all men were fated to die – it turned out that he had merely hasted a man’s fate; and that the deaths had been neatly consigned to one corner of history, where they soon disappeared. And as for the disturbing conditions of the present world, though his will had had nothing to do with bringing these about, he as a judge was ever at their beck and call. How much the choices made by his will proceeded from pure reason and how much, without his realizing it, they were coerced by the prevailing thought of the period was a question he was unable to decide.

Yukio Mishima, Runaway Horses

Een andere versie van het nature vs. nurture-debat. De mens als historisch wezen: een game-changer op basis van zijn wilskracht of een speelbal van historische factoren? We ontsnappen niet aan onze historiciteit en dat botst met onze neiging om dat toch te willen doen, net omdat we geconfronteerd zijn met onze eindigheid.

Geschiedenis is iets vreemds: hoewel zij aan ons verschijnt als een solide blok met afgelijnde periodes, is zij echter een fluïde entiteit die verandert door de manier waarop de mens omgaat met zijn historisch bewustzijn. Dominante tijdsgeesten worden immers gerelativeerd wanneer je ons historisch zelfverstaan in perspectief plaatst. Stroom en tegenstroom, flux en reflux: meer dan een dualiteit is zij, door haar wisselende spel van woord en wederwoord die een complexe reeks aan gebeurtenissen in gang zet, de motor van onze voortgang in de tijd. Dat spelelement vergeten is jezelf verankeren in een Eeuwig Heden: het domein van de beschaafde barbaar.

P.

Mishima: “hoe is het mogelijk dat ik zo verdomd slecht gepraat heb?”

Noot: Opnieuw in Een zeeman door de zee verstoten van Mishima een stuk gevonden dat me herkenbaar overkomt. Er zijn talloze ideeën die je zelf ten volle begrijpt die je nooit aan iemand kan overdragen. Wanneer je probeert om die kristalheldere gedachten te delen, verwateren ze, ze fragmenteren en zijn slechts een schim van hun werkelijke toestand. Net als in Plato’s ideeënleer is er een onrustwekkende discrepantie tussen wat werkelijk is en de schijn. Taal is in dat opzicht een beperking en we kunnen haar niet gebruiken om tot de diepste en meest ware gedachten door te dringen. We hebben enkel een intuïtief besef van hun bestaan; een allersubjectiefst aanvoelen van een universele waarheid. Raken we haar aan met onze ijdele begrippen, verstoren we de harmonie en gaat alles verloren.

P.

Hij herleefde de avond, af en toe stilhoudend bij een bepaald moment, maar steeds weer opnieuw het spoor van de nacht volgend. Hij nam de moeite niet zich het zweet van het gezicht te vegen en plukte afwezig aan een stukje sigarettenpapier dat aan zijn lip was blijven kleven, terwijl hij in gedachte steeds weer herhaalde: hoe is het mogelijk dat ik zo verdomd slecht gepraat heb.

Hij was er niet in geslaagd zijn ideeën over roem en dood uit te leggen, of het verlangen en de melancholie die zich in zijn borst hadden genesteld, of de andere donkere hartstochten, verstikt in de deining van de oceaan. Telkens als hij over die dingen probeerde te spreken faalde hij. Al had hij zo nu en dan het gevoel niets waard te zijn, soms was het ook alsof iets van de pracht van een zonsondergang boven de baai van Manilla een stralend vuur door hem heen joeg en dan wist hij dat hij uitverkoren was om boven andere uit te steken. Maar hij was er niet in geslaagd zijn geloof over te brengen op de vrouw. Hij herinnerde zich dat ze gevraagd had: ‘Waarom ben je nooit getrouwd?’ En hij herinnerde zich zijn onnozel antwoord: ‘Het is niet zo makkelijk een vrouw te vinden die met een zeeman wil trouwen.’

Wat hij had willen zeggen was: ‘Alle andere officieren hebben nu al twee of drie kinderen en ze blijven de brieven van thuis maar herlezen en bekijken de tekeningen die hun kinderen gemaakt hebben van huisjes met de zon en met bloemen. Die mannen hebben hun kans voorbij laten gaan – voor hen is er geen hoop meer. ik heb nooit veel bijzonders gedaan, maar ik heb mezelf mijn leven lang gezien als de enige ware man. En als ik gelijk heb dan zal eens een heldere eenzame hoorn door de dageraad klinken, en een donkere wolk met licht doorstraald zal omlaag strijken, en de dringende stem van de room zal uit de verte om mij roepen – en ik zal uit mijn bed moeten springen en alleen verder gaan. Daarom ben ik nooit getrouwd. Ik heb gewacht en gewacht, en nu ben ik al over de dertig.’

Uit: Mishima, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Amsterdam: Meulenhoff, 2007, 34-35.

Mishima: de scheepshoorn brult; alles valt samen

Noot: de reden waarom ik boeken lees is dat je gedachten tegenkomt waarvan ik het bestaan van tevoren maar vaag kon raden; in een onvolmaakte vorm heb je het fundament van je werkelijkheid opgebouwd, maar het kan nog niet tot wasdom komen omdat de cement van ondermaatse kwaliteit is. Noem het maar een je ne sais quoi; dat onbestemde ontbreekt.

En dan lees je een passage waarin alles samenvalt. In onderstaande scène uit het begin van het boek Een zeeman door de zee verstoten van Yukio Mishima lees je een soortgelijke ervaring. Het personage Noboru ervaart plots een samenvallen van alle bouwstenen die hij tot dan toe had vergaard. Stukjes werkelijkheid die slechts met een bovennatuurlijke kracht aan elkaar gesmeed kunnen worden.

P.

Plotseling welde door het open raam het langgerekt geloei van een scheepshoorn. Het vulde de halfduistere kamer – een kreet van grenzeloze, sombere, verlangende smart; pikzwart en glibberig als de rug van een walvis en geladen met alle hartstochten van het getij, de herinnering aan ontelbare reizen, aan vreugden en vernederingen: de zee schreeuwde haar ziel uit. Vervuld van de glans en de razernij van de nacht brulde de scheepshoorn, vanuit het diepst van de volle zee, zijn dorstig verlangen uit naar de donkere nectar in het kleine vertrek.

Tsukazaki draaide zich met een ruk om en keek uit over het water.

Het was alsof Noboru deel uitmaakte van een wonder: op dat ogenblik werd alles wat hij vanaf de eerste dag van zijn leven in zijn binnenste had vergaard, verlost en vervuld. Totdat de hoorn weerklonk was het nog maar een voorlopige, ruwe schets. De beste bouwstoffen lagen klaar, alles was voorbereid, tot aan het ogenblik van het bovennatuurlijke. Maar één element ontbrak: de kracht die nodig was om die bonte mengeling van stukjes werkelijkheid tot een prachtig paleis te herscheppen. En toen, op het sein van de scheepshoorn, vielen alle delen op hun plaats en vormden een volmaakt geheel.

Daar waren de maan en een koortsige wind, de extatische naaktheid van een man en een vrouw, zweet, parfum, de littekens van een leven op zee, de vage herinnering aan havens, over de gehele wereld verspreid, een bedompte, benauwde spiedplaats, een stalen jongenshart – àl deze waarzegsterskaarten lagen nog door elkaar en er viel niets uit te voorspellen. Maar uit de alzijdige orde, door de plotselinge kreet van de scheepshoorn ten slotte geschapen, kwam het beeld van een onontkoombare levensketen naar voren – de kaarten hadden zich tot paren gevoegd: Noboru en zijn moeder – zijn moeder en een man – een man en de zee – de zee en Noboru …

Hij snakte naar adem, bezweet en in vervoering. Overtuigd dat hij een verward kluwen draad zich had zien ontwikkelen tot een heilig patroon, dat tot iedere prijs behouden moest worden: waarschijnlijk was hij er de dertienjarige schepper van.

Als het ooit verstoord zou worden, zal dat het eind van de wereld betekenen, mompelde Noboru, zich nauwelijks bewust van zijn woorden. Ik denk dat ik alles zou doen om dat te voorkomen, al was het nog zo verschrikkelijk!

Uit: Mishima, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Amsterdam: Meulenhoff, 2007, 14-15.

Kioyaki’s castle

Those who lack imagination have no choice but to base their conclusions on the reality they see around them. But on the other hand, those who are imaginative have a tendency to build fortified fortresses they have designed themselves, and to seal off every window in them. And so it was with Kioyaki.

Yukio Mishima, Spring Snow

“Take a mouse that thinks it’s a cat”

“Don’t look at me like that. I haven’t thought of it all that seriously myself. I don’t like the weak and the sick sort of people that commit suicide. But there is one variety I accept. People who commit suicide to establish themselves”.

“What sort of suicide is that?”

“Are you interested?”

“A little, maybe”.

“Then I’ll tell you.

Take a mouse that thinks it’s a cat. I don’t know how, but it does. It’s gone through all the tests and concluded that it’s a cat. Its view of other mice changes. They are its meat, that’s all, but it tells itself it refrains from eating them just to hid the fact that it’s a cat”.

“A rather large mouse, I suppose”.

“It doesn’t matter. It’s not a question of size but of confidence. It’s sure that the concept ‘cat’ has taken on the guise ‘mouse’, nothing more. It believes in the concept and not the flesh.The idea is enough, the body doesn’t matter. The happiness from the contempt is all the greater.

“But then one day” – Furusawa shoved this glases up and drew a persuasive line beside his hose – “but then one day the mouse meets a real cat.

“‘I’m going to eat you’, says the cat.

“‘You can’t’, replies the mouse.

“‘And why not?’

“‘Cats don’t eat cats. It’s impossible as a matter of instinct and as a matter of principle. I’m a cat myself, whatever else I may look like’.

“The cat rolls over laughing. It laughs so hard it’s clawing the air and its white furry belly is heaving. Then it gets up and starts to eat the mouse. The mouse protests.

“‘What are you eating me for?’

“‘Because you’re a mouse’.

“‘I’m a cat. Cats don’t eat cats’.

“‘You’re a mouse’.

“‘I’m a cat’.

“‘Prove it’.

“So the mouse jumps into the laundry tub, all with suds, and drowns itself. The cat wets a forepaw and has a lick. The suds taste horrible. So it leaves the body floating there. We all know why the cat goes off without eating the mouse. Because it’s not something for a cat to eat.

“That’s what I’m talking about. The mouse commits suicide to establish itself. It doesn’t of course make the cat recognize it as a cat, and it didn’t think when it killed itself that it would. But it was brave and perceptive and filled with self-respect. I saw that there are two parts to mouseness. First is that it is a mouse in every physical detail. Second is that it is, for a cat, worth eating. Those two. It has long ago given up in the first matter, but in the second there is still hope. It dies in front of the cat without being eaten, and it establishes itself as something that cats don’t eat. In those two respects it has proved it wasn’t a mouse. That much. To prove besides that it was a cat is simple. If something that had the form of a mouse wasn’t a mouse, then it can be anything else. And so the suicide is a success. The mouse had established itself. What do you think?”.

MISHIMA, Yukio, The decay of the angel, Vintage Classics, London, 2001, 118-119.

Tijddronken

As he grew older, awareness of the self became awareness of time. He gradually came to make out the sound of the white ants. Moment by moment, second by second, with what a shallow awareness men slipped through time that would not return! Only with age did one know that there was a richness, an intoxication even, in each drop. The drops of beautiful time, like the drops of a rich, rare wine. And time dripped away like blood. Old men dried up and died. In payment for having neglected to stop time at the glorious moment when the rich blood, unbeknownst to the owner himself, was bringing rich drunkenness.

MISHIMA, Yukio, The decay of the angel, Vintage Books, London, 2001, 105.

Water uit een schedel

Juist denken, juist spreken, juist handelen. Dat is de basis van de filosofie die de oude Perzische wijsgeer Zarathustra heeft vooropgesteld. In principe is het heel eenvoudig: je denken, spreken en handelen moet één consistente lijn zijn. Maar de weg dat een ideaal aflegt van het denken naar het handelen is een lange, en deze is bezaaid met talloze belemmeringen. Er wordt altijd een dialoog opgestart tussen het ideaal en de werkelijkheid. Kan ik dit in de praktijk omzetten? Welke bezwaren zijn er te vinden? En hoe kan ik mezelf verzoenen met een verzwakt ideaal? Mag ik toegevingen doen? Of kan ik dit niet? En toch kan heel dit proces op een andere manier verlopen. In het boek Spring Snow van de Japanse schrijver Yukio Mishima ben ik een verhaal tegengekomen uit het Hossoboeddhisme dat een andere kijk werpt op dit probleem.

“Yuan Hsaio was onderweg naar de befaamde berg Kaoyu om de leer van de Boeddha te bestuderen. Wanneer het nacht werd bevond hij zich naast een begraafplaats, dus legde hij zich te slapen tussen de graven. In het midden van de nacht werd hij wakker met een verschrikkelijke dorst. Hij strekte zijn hand uit en schepte wat water op uit een kuil aan zijn zijde. Toen hij terug insliep dacht hij dat water nog nooit zo zuiver, vers en fris heeft gesmaakt. Maar wanneer het ochtend werd zag hij waaruit hij in de duisternis heeft gedronken . Het klinkt ongelofelijk, maar wat zo heerlijk smaakte was water dat hij uit een menselijke schedel haalde. Hij braakte en was ziek. Maar toch was deze ervaring leerrijk voor Yuan Hsaio. Hij realiseerde dat, zolang er een bewust verlangen aan het werk is, er onderscheidingen zullen blijven bestaan. Maar als iemand het kan onderdrukken zullen deze onderscheidingen oplossen en kan men even tevreden zijn met een schedel als met iets anders.”

Zou hij opnieuw van het water kunnen drinken en er tevreden mee zijn? Zou dat geen wonderlijk iets zijn? Het is de wereld op zijn kop. Normaal ondergaat je ideaal aan een hevige reeks van veranderingen door de werkelijkheid onder de noemer van “water bij de wijn doen”. Maar in het verhaal van Yuan Hsaio gebeurt er iets heel unieks: niet het ideaal, maar wel de wereld wordt gebogen omheen het ideaal. De noodzakelijke dialoog tussen ideaal en realiteit krijgt een heel andere afloop.

P.

Save Our Souls! Wat vergane scheepjes ons kunnen leren.

The Fighting Temeraire tugged to her last Berth to be broken up, 1838 (William Turner)

Ik had ze graag willen zien binnenvaren in de haven van Londen, het zeilschip Temeraire. In 1838 werd het “second rate ship-of-the-line”, dat een verdienstelijke rol heeft gespeeld tijdens de Slag bij Trafalgar, binnengeloodst door een nieuwerwets stoomschip om opgebroken te worden. In haar glorietijd had ze een belangrijk aandeel in de uiteindelijke overwinning op de gevreesde vloot van Napoleon. Zo heeft zij samen met het Engelse vlaggenschip Victory het Franse vlaggenschip Redoutable op haar knieën gedwongen. Daar liep admiraal Nelson zijn fatale verwonding op. Sindsdien zou het schip bekend staan als de Fighting Temeraire, hoewel historische bronnen eerder spreken van de Saucy Temeraire. De Engelse romantische schilder William Turner was getuige van het tafereel en vervaardigde het schilderij The Fighting Temeraire tugged to her last Berth to be broken up, 1838. Een jaar later stelde hij het voor, vergezeld van het aangepaste gedicht Ye Mariners of England van de Schotse dichter Thomas Campbell:

“The flag which braved the battle and the breeze/no longer owns her”

Het schilderij, dat in de National Gallery van Londen hangt, werd in 2005 gekozen tot de favoriet van de luisteraars van BBC Today. Het schip had al veel langer een haast mythische status gekregen en vormt een hevig gedebatteerd onderwerp wegens de symbolische betekenis van het schilderij.

Hoewel het einde van het schip destijds op zich geen wereldschokkende gebeurtenis was, werd het tafereel beschouwd als een ‘indrukwekkend en aangrijpend afscheid van een grote cultuurperiode’. Het einde van de Temeraire, dat in al haar koninklijke statigheid de haven binnenvoer, alsof het ging om een staatsbegrafenis, luidde de komst aan van de moderne tijd. Op het schilderij stelt het oude Europa zich op in al haar glorie: ‘voornaam en waardig, met aristocratische trots en lotsverachting, gedragen door traditie en tijdloosheid’. Het drama dat zich afspeelt wordt verhevigd door de volle rode avondkleuren aan de rechterzijde van het schilderij.

Een nieuw tijdperk brak aan. De moderniteit versnelde de tijdservaring. Alles volgde sneller op elkaar op. Een schip zoals de Temeraire wordt niet afgedankt omdat ze versleten was, maar omdat ze niet meer meekon met de nieuwste technologische ontwikkelingen. Het schip wordt in het schilderij gesleept door een vertegenwoordiger van de nieuwe tijd: een stalen stoomschip dat in alle opzichten verschilt van de Temeraire. De Britse marine van die periode was helemaal anders dan die van het begin van de negentiende eeuw. De ontwikkelingen gaan verder dan enkel het concrete en het technische: ook de traditionele referentie- en interpretatiekaders veranderen sterk en nemen een forse liberale koers.

Nog geen honderd jaar later gaat een ander schip ten onder. Het betreft een schip dat in alle opzichten een trotse vertegenwoordiger was van haar tijd: snel, luxueus en van titanische proporties. De Titanic werd door de rederij White Star Line ontworpen om onzinkbaar te zijn en zou de Atlantische Oceaan in een recordtijd oversteken, waarmee zij de concurrent Mauretania naar de kroon zou steken.  Het schip maakte in april 1912 haar maiden voyage over de Atlantische Oceaan naar New York. Het zou vandaag wereldwijd bekeken worden door miljoenen kijkers. En juist dan zinkt het schip.

De ondergang van de Titanic maakte niet alleen een einde aan de zekerheden over de veiligheid van oceaanstomers, maar kondigde ook het einde van een tijdperk aan. Wat was er juist misgelopen? De hoopvolle verwachtingen die ontstonden toen de Temeraire haar ondergang tegemoet ging, liepen aan het einde van de negentiende eeuw faliekant aan hun einde. Dat was bijvoorbeeld de tijd dat Gustav Klimt en de Sezessionbeweging het parlementaire liberalisme van Wenen failliet verklaarde, omdat het de moderne tijd niet begreep. Het Fin-de-siècle heeft haar karakter te danken aan een cultuurcrisis die oude zekerheden vernietigde, maar ook hoopvolle nieuwe verwachtingen schiep.

Zoals Stephen Kern beschrijft in zijn boek The culture of time and space, 1880-1918 haastte de wereld zich naar de toekomst toe zoals de Titanic over de Atlantische Oceaan. Zij die een blik wierpen op het uiteindelijke doel zagen zowel het wrak van het schip als de beloofde wonderen van de toekomst. Het zinken van de Titanic moet de optimisten ongetwijfeld doorheen hebben geschud. En toch was er veel euforie bij de aanvang van het kanonnengedreun van augustus 1914. Lang zou dit echter niet duren en het verscheurde Westen zou snel in een diepe existentiële crisis belanden.

En in 2012 zonk de Costa Concordia. “Vada a borda, cazzo!” luidde het. Zal haar ondergang dezelfde mythevorming ondergaan als de Temeraire of de Titanic? Zal zij het symbool zijn van een omvattende mijlpaal in de geschiedenis of een culturele crisis? Of zal zij eerder verzinken in de geschiedenis als een fait divers? Niet ieder zinkend schip kondigt een historisch keerpunt aan. En er zijn rampen gebeurd tussen 1912 en 2012 die veel meer levens kostten dan op de Costa Concordia. Met tienduizend slachtoffers zelfs.

In het boek Lentesneeuw beschrijft de Japanse schrijver-samoerai Yukio Mishima beschrijft de schrijver de onwetendheid van een iemand over zijn eigen tijd. Met andere woorden: wie vandaag leeft, kan niet specifiek zeggen dat zijn tijdperk een bepaalde stijl heeft. Daarvoor is niet genoeg afstand gecreëerd. Een criticus kan zichzelf totaal distantiëren van zijn tijdsgenoten en het gevoel hebben tot een andere generatie te behoren dan de zijnen. Maar zal hij voor een historicus tweehonderd jaar na zijn gebenedijde lamentatie net geen product zijn van zijn eigen tijd? Misschien vertegenwoordigt deze afstandeling net de stijl van zijn eigen tijd. Immers, stroom en tegenstroom zijn met elkaar verbonden. Is mijn suggestie dat het zinken van de Costa Concordia als symbolisch keerpunt mag gelden dus overdreven? Maar maak ik die suggestie wel? Of lijkt het alleen maar zo? Ach, gij vorser in de toekomstige tijd, ik laat u maar in het ongewisse!

P.

Meer literatuur:

DE VRIESE, Herbert, ‘Het jonge Europa en de aftakeling van de metafysica’ in De Koningin onttroond. De opkomst van de moderne cultuur en het einde van de metafysica, Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 2005, 179-266.

KERN, Stephen, The culture of time and space, 1880-1918, Harvard University Press, Cambridge, 1983.

De laatste momenten van een verstoten zeeman

Schilderij van Hayato Jome (Japan)

Schilderij van Hayato Jome (Noboru and the Chief) (Japan)

“De roep van het Grote Doel, een andere naam voor de tropische zon; en de dappere tranen van de vrouwen, en het donkere verlangen, en de zoete macht die hem naar het toppunt van mannelijkheid dreef – dit alles was nu voorbij, afgedaan.

‘Wilt u thee?’ klonk de hoge, donkere stem van de leider achter hem.

‘Graag …’. Ryuji peinsde door, zonder zelfs zijn hoofd om te draaien. Hij herinnerde zich de eilanden waar hij geweest was. Makatea in de Stille Zuidzee en Nieuw-Caledonië. De Antillen: een poel van loomheid en droefgeestigheid, wemelend van roofvogels en papegaaien en, overal waar je maar keek, palmen. Keizerpalmen. Wijnpalmen. Oprijzend uit de pracht van de zee was de dood op hem neergestreken als een donkere donderwolk. Een visioen van de dood, nu voor eeuwig buiten zijn bereik, een majesteitelijke, roemrijke, heroïsche dood, vervulde zijn brein met vervoering. En als de wereld juist gemaakt zou zijn voor deze stralende dood, waarom zou de wereld er dan ook niet aan ten onder gaan?

Golven, zo lauw als bloed, binnen een atol. De tropische zon die door de lucht schalde als de roep van een koperen bazuin. De veelkleurige zee. Haaien …

Nog iets verder, en Ryuji zou er spijt van hebben gehad.

‘Hier is uw thee.’ Noboru bood hem van achteren een donkerbruin plastic bekertje aan, ter hoogte van zijn wang. Afwezig nam Ryuji het aan. Hij zag dat Noboru’s hand licht beefde, zeker van de kou.

Nog steeds verzonken in zijn droom dronk hij de lauwe thee op. Die had een bittere smaak. Roem, zoals iedereen weet, heeft een bittere smaak.”

MISHIMA, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Meulenhoff, Amsterdam, 2007, 152.