TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Zon

“Zomerzonnewendefeest!”

‘Zomerzonnewendefeest!’ zei Hans Castorp. ‘Zomerzonnewende! Vuur in de bergen, en hand in hand dansen om de laaiende vlammen heen! Niet dat ik het ooit gezien heb, maar ik heb gehoord dat het gedaan wordt door oermensen, zo vieren zij hun eerste zomernacht waarmee de herfst begint, middaguur en hoogtepunt van het jaar, vanwaar het weer bergaf gaat – ze dansen juichend in de rondte. Waarom juichen ze in hun oertoestand? Kun jij daar hoogte van krijgen? Waarom zijn ze zo door het dolle heen? Omdat het van nu af aan naar beneden gaat, naar het donker toe, of misschien omdat het tot nu toe omhoog gegaan is en het keerpunt gekomen is, het onvermijdelijke keerpunt, midzomernacht, het absolute hoogtepunt, met een brooddronkenheid vermengd met weemoed? Ik zeg het maar, zoals het is, met de woorden die me toevallig te binnen schieten. Het is melancholieke brooddronkenheid en brooddronken melancholie, die de oermensen doet juichen en rondom de vlammen dansen; ze doen het uit positieve wanhoop, als je wilt, ter ere van de clowneske grap van de kringloop en de eeuwigheid zonder richtingsduur, waarin alles terugkeert’.

MANN, Thomas, De Toverberg, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2010, 478.

Het grijze wonder

Aan de horizon doemt een dreigende muur van grijsheid op, die langzamerhand het Zonneland dreigt te overschaduwen. Verandering is op til. Het lijkt op een onheilspellend schemering bij klaarlichte dag; de oprukkende duisternis vindt in het overheersende licht van de Middagzon geen hindernis meer. Een huwelijk van twee extremen; welk vreemd gebroed zou dit voortbrengen? De zoet-brandende Zonnezweem op onze huid geeft een eigenaardige geur af, als een zwangere zomerlucht die de regenbui aankondigt die de langverwachte verfrissing brengt. Een laatste gouden schittering voor het grijze wolkendek ons zou overspoelen; alsof de Zon voor een laatste keer op de Bühne wil schitteren, voor het doek onherroepelijk valt. Een aanstormende mars van grijze eentonigheid treedt aan; geen detail of bekroning, de matige patronendrang wordt verbroken.

In patronen zag ik altijd een onnoemelijk groot gevaar. De vertrouwde consistentie ervan herinnerde me aan een minutieus geregeld leven. En dat werd altijd opgelegd. In essentie kan je twee kanten op: allereerst is er de willoze gewoontevorming. Dit is haast geen keuze, want die wordt door je omgeving voor jou gemaakt. Iedere handeling die je stelt valt binnen de burgerlijke verwachtingspatronen. Een andere mogelijkheid bestaat echter. En dat is de bewustwording dat je wordt geconditioneerd volgens een bepaald patroon. De keuzevrijheid is hier veel duidelijker. Je kan kiezen om met overtuiging voor die inbedding te kiezen, want zij biedt veiligheid en zekerheid. Maar je kan er ook uit losbreken. Rebellie, de zin voor avontuur en vrijheid. Een aristocratische keuze, want deze is niet voor iedereen weggelegd. Had ik niet voor dat laatste gekozen, stond ik nu niet verwonderd te kijken naar deze bevreemdende, maar toch hoogst alledaagse kleurschakering.

De grijze overrompeling dempt de levenskracht en wiegt een heel landschap in een diepe slaap. Daarmee vergeleken lijkt de gouden Zon een opdringerige verschijning, die zich overal opdringt en alles van betekenis wegcijfert om zichzelf ervoor in de plaats te zetten. Ben ik een kind van de nacht, dat hunkert naar duisternis en de aanwezigheid van Morpheus? Dat niet. Net zoals een sociale mens af en toe hunkert naar eenzaamheid, ben ik een aanbidder van de Zon die af en toe de schittering van de gouden gloed wil inruilen voor een slaperige grijsheid. Wisselvalligheid is een ontsnapping aan de gewoontevorming, aan de geroutineerde dwangmatigheid. Een manier om telkens aan nieuwe inbeddingen te ontsnappen waar zij ook opduiken, steeds het rauwe onbekende op te zoeken, ofschoon deze soms onaangenaam is, en de verwondering te vinden in iets waar niemand bij stilstaat.

P.

De laatste momenten van een verstoten zeeman

Schilderij van Hayato Jome (Japan)

Schilderij van Hayato Jome (Noboru and the Chief) (Japan)

“De roep van het Grote Doel, een andere naam voor de tropische zon; en de dappere tranen van de vrouwen, en het donkere verlangen, en de zoete macht die hem naar het toppunt van mannelijkheid dreef – dit alles was nu voorbij, afgedaan.

‘Wilt u thee?’ klonk de hoge, donkere stem van de leider achter hem.

‘Graag …’. Ryuji peinsde door, zonder zelfs zijn hoofd om te draaien. Hij herinnerde zich de eilanden waar hij geweest was. Makatea in de Stille Zuidzee en Nieuw-Caledonië. De Antillen: een poel van loomheid en droefgeestigheid, wemelend van roofvogels en papegaaien en, overal waar je maar keek, palmen. Keizerpalmen. Wijnpalmen. Oprijzend uit de pracht van de zee was de dood op hem neergestreken als een donkere donderwolk. Een visioen van de dood, nu voor eeuwig buiten zijn bereik, een majesteitelijke, roemrijke, heroïsche dood, vervulde zijn brein met vervoering. En als de wereld juist gemaakt zou zijn voor deze stralende dood, waarom zou de wereld er dan ook niet aan ten onder gaan?

Golven, zo lauw als bloed, binnen een atol. De tropische zon die door de lucht schalde als de roep van een koperen bazuin. De veelkleurige zee. Haaien …

Nog iets verder, en Ryuji zou er spijt van hebben gehad.

‘Hier is uw thee.’ Noboru bood hem van achteren een donkerbruin plastic bekertje aan, ter hoogte van zijn wang. Afwezig nam Ryuji het aan. Hij zag dat Noboru’s hand licht beefde, zeker van de kou.

Nog steeds verzonken in zijn droom dronk hij de lauwe thee op. Die had een bittere smaak. Roem, zoals iedereen weet, heeft een bittere smaak.”

MISHIMA, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Meulenhoff, Amsterdam, 2007, 152.

De weg naar Machu Picchu

De ongeplaveide weg naar het heiligdom ging stijl-kronkelend naar omhoog, als een slang die zich moeiteloos voortbewoog naar zijn schuilplaats. Het was ochtend, de vroege ochtend waar het licht schaars was maar waar de dieren voluit hun levenslied zongen. Instinctief wist je dat de dageraad niet lang op zich zou laten wachten. De zonnegeur hing als een belofte in de lucht. Nog een uur, hoogstens anderhalf uur en dan zou de gloed van de eerste zonnestralen het landschap overrompelen. Rondom mij bevindt zich een processie van honderden mensen van verschillend allooi. Ik hoor verscheidene wereldtalen, een Babylon in het klein, maar dan zonder een spraakverwarring omdat iedereen gericht was op hetzelfde doel. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar.

Nog een kwartier wachten en dan begint de trek naar boven. De heilige trek, waar iedereen op te wachten staat. Heilig, want de stad die we bezoeken was het spirituele centrum van een teloorgegaan wereldrijk. Ver voor en achter mij staan geheimzinnige gestalten; het profiel van een jong koppel dat elkaar innig omhelst; een groepje bebaarde mannen dat aanstalten maakt om de groep vrouwen voor hen te benaderen; een avontuurlijk kind loopt ons voorbij in de armen van zijn zorgzame moeder. Het geroezemoes dat hier ontstaat is zacht en onverstaanbaar. In stille eerbied voor de pelgrimsplaats spreekt men met fluisterende stemmen. De razernij en waanzin van het alledaagse ruimt plaats voor een subtiele hint van iets onveranderlijks en eeuwigs.

De glanzende poort opent zich, met daarachter de onbekende en toch vertrouwde kronkeling naar boven. Het machtige hemelgesternte begint stilaan plaats te ruimen voor een vreemde schijn achter de heuvels. Week wordt de maan en haar witte licht taant. Mild ruist een vochtige bergwind over onze hoofden naar de richting van de poorten, terwijl de aarde lichter wordt en zich scherper aftekent tegen de hemel. Het is helder, de karakteristieke mist die ons dagenlang heeft achtervolgd heeft de wilde jacht opgegeven. Plots ontstaat er beweging in de processie. De aarde beeft en terwijl wij naar boven gaan, stijgen wij gezamenlijk met de zon. En weet gij, beste lezer, hoe verrukkelijk het kan zijn om het aanstormende licht tegemoet te treden op de top van een berg?

P.