TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Zwerver

“Hoezo? Niet vrij?”

“Vertel natuurlijk niemand dat ze niet vrij zijn, want dan gaan ze heel druk bezig zijn met moorden en verminken om te bewijzen dat ze het wel zijn. O ja, ze gaan tegen je praten en praten en praten over individuele vrijheid. Maar wanneer ze een vrij individu zien, krijgen ze de schrik te pakken”.

Jack Nicholson in Easy Rider (1969)

Niets doet mensen meer op hun stokpaard krijgen dan zeggen dat ze niet vrij zijn. Natuurlijk, in eerste opzicht klinkt het waanzinnig om dat te zeggen. Enkel een dwaas doet dat, niet? Waarom dan die kanttekening? Dankzij zelfkritiek (i.e. het in vraag stellen van alles wat gangbaar is) worden vanzelfsprekendheden gedwongen zichzelf te openbaren. Zo worden mechanismen ontmaskerd die anders achter een sluier verborgen zijn. Sommige beschavingsdenkers hebben geopperd dat de moderne mens in zijn vooruitgangsdenken zichzelf meer en meer onmachtig heeft gemaakt. Vrijheid kent twee gezichten. Je hebt de systeemvrijheid die voor iedere mens wordt gewaarborgd, doch altijd onderhevig aan de grillen van de Tijd. Daarnaast heb je de existentiële vrijheid dat zich op een heel ander niveau bevindt, maar stilaan uitdooft.

Dit vraagt om verduidelijking. Wat de systeemvrijheid kenmerkt is de afhankelijkheid van het maatschappijsysteem waarin een persoon geworpen (i.e. Martin Heideggers’ Geworfenheit) wordt. Zo heb je op deze wereld staatloze maatschappijen waarin extremistische stammen hun willekeurig geweld laten botvieren, maar ook gebetonneerde democratieën waar je pas politicus lijkt te worden na een verregaande lobotomie. Het spreekt voor zich dat een individu meer “mag” in de ene situatie dan in de andere. Dit wordt bepaald in de grondwet.

Dit is echter een erg arbitraire vorm van vrijheid, want onderhevig aan de maalstroom van de Tijd. Tenzij je migreert, heb je een gegeven set aan mogelijkheden, die in je levensloop kunnen veranderen. Vooral dat gegevene is belangrijk, want dit is het meest essentiële verschil met de existentiële vrijheid. Vrijheid moet verworven worden: om vrij te worden, moet je het in eerste plaats zijn (!). Dat is dus een opdracht, voor wie het niet verstaan heeft. De cultivatie van de ziel is de hoofdplicht van iedereen, stelde Plato. Je mag hem saai vinden, maar hij heeft wel een punt. En punten, beste lezer, zijn nooit saai.

Omdat de systeemvrijheid zo afhankelijk is van een maatschappijsysteem, is het van groot belang je eigen positie te handhaven in de maatschappij. Ons vreedzaam bestaan is illusoir omdat de werkelijkheid wordt gebannen uit ons dagelijkse leven. De TV en de computer vormen samen met de media het enge raampje op de wereld, waardoor we de werkelijkheid vanuit een sfeer ervaren (cf. Peter Sloterdijk). Hoewel de realiteit soms onze sfeer binnendringt, zoals op 9/11, sluit deze zich vrij snel opnieuw. Daarom heeft ons bestaan veel weg van de film The Truman Show: we proberen allemaal de idylle na te streven en omdat we onze sociale status verhogen door luxeartikelen voelen we ons vrij. Laat mij het nog eens herhalen op een andere manier: door onze consumptiedrang verhogen we de illusie dat we vrij zijn. Daarom stel ik dat de vrijheid in onze huidige maatschappij peanuts is. Een passieve vrijheid op een bedje van apathie, myopie en inertie.

Existentiële vrijheid gaat om levensbeheersing. Het is een concept dat moeilijk uit te leggen valt, maar wellicht illustreert de confrontatie van Odysseus en de Sirenen dit het beste. Toen Odysseus en zijn bemanning huiswaarts voerden kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in hun oren te doen, waardoor ze de aanlokkelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen konden weerstaan. Menig schipper liep op de vervaarlijke klippen zijn ondergang tegemoet omdat hij niet kon weerstaan aan de Sirenen. Odysseus doet geen bijenwas in de oren maar draagt aan zijn mannen op hem vast te binden, zodat hij de dramatische Sirenenzang kon aanhoren. Daar toont hij een knap staaltje van levensbeheersing: het Immense aanhoren zonder zichzelf erdoor te laten meesleuren. Grenservaringen zijn misschien de meest existentieel vrije momenten die je als mens kan meemaken: op dat sublieme moment wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren.

Toch gaat existentiële vrijheid om veel meer dan het opzoeken van grenservaringen. Volgens mij is het zelfs perfect mogelijk om vanuit een degelijke (!) inbedding existentieel vrij te zijn. Daardoor hoef je niet noodzakelijk een volgzaam schaap te zijn. Bekijk nu bijvoorbeeld eens Ernest Van der Hallen, een Lierse letterkundige die vanuit zijn katholieke inbedding een heel eigenzinnige aard had en zich niet wilde conformeren aan de krachten van zijn tijd. Wat de ‘Nest’ kenmerkte is iets wat vele andere pelgrimgestalten – voor, tijdens en na zijn tijd – met hem deelden: een tegenstroom in een uit haar lood geslagen Tijd. Je zou iemand als hem een “chronokraat” kunnen noemen: iemand die de maalstroom van de Tijd wist te beheersen; iemand die de Tijger kan bereiden. Net als de mens is Tijd iets wat overkomen kan worden.

Toch vraag ik het me af: zou er een voorwaarde zijn om te bestaan? Maar dan werkelijk bestaan, waarvoor een tweede geboorte moet plaatsvinden? Zelf voel ik me het meeste leven bij grenservaringen, waarbij het “gewone” burgerlijke leven eerder lijkt op een niet-leven. Het zijn die ervaringen die me doen twijfelen over de menselijke vrijheid, waaruit dan bovenstaande hersenriedels ontstaan die een poging zijn om mijn positie te markeren in het wereldveld. En jij? Beheers jij de Tijd? Beheers jij jezelf? Ben jij jezelf?

P. 

Ernest Van der Hallen, Dostojevski en Wanderlust

‘Dit zal mij bijblijven, nu de roep naar Vlaanderen in mij zo luid is, dat ik besloten ben niet meer terug te keren naar deze landen. Maar heimelijk weet ik dat, wanneer de vlakten mij weer sterk en dringend zullen wenken, ik opstaan zal, en gaan naar waar het zand gespreid ligt over de eindeloze vlakte en de kamelen schommelen langs de rand der lage heuvels; waar de luchtspiegelingen bedrieglijk wenken en de donkere nomaad zijn tenten spant onder een verschrompelde dadelpalm; waar de schamele Fellah de negen-en-negentig deugden van Allah aftelt aan de kralen van zijn bidsnoer of, evenals zijn voorouders zesduizend jaar terug, het rad trapt dat het water met kleine gulpen beurt uit de zandige put, want de Fellah denkt minstens zevenmaal zeven eeuwen na, eer hij iets verandert aan zijn gewoonten’.

VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije, Davidsfonds, Leuven, 1941, 168.

 

Het citaat doet me heel sterk denken aan de contemplatieve boer die Dostojevski bij monde van Smerdjakov, de bastaardzoon van Fjodor Karamazov, beschreef in De Broers Karamazov. Zomaar op een lukrake dag getroffen worden door een ongelofelijke drang om te reizen. Of te zwerven. Niet noodzakelijk met een doel, soms gewoon om onderweg te zijn, zoals Jack Kerouac, indrukken vergarend. Of net wel met een Groot Doel, een existentiële reis die het ganse leven bepaalt. Als pelgrim geef je je identiteit op bij de aanvang, je verliest jezelf in het geheel. En vanuit die rotsige bodem waar geen Ik bestaat, zoek je onderweg een nieuw pad naar boven toe. Naar je nieuwe Ik. Om jezelf te vinden, moet je jezelf soms verliezen.

‘Van de schilder Kramskoj bestaat een opmerkelijk schilderij met de naam Contemplatie: daarop is een winters bos afgebeeld en in dat bos, op een weg, staat moederziel alleen, in diepe eenzaamheid een boertje met een gescheurde kaftan en met bastschoenen aan, hij staat daar diep in gedachten verzonken, maar hij denkt niet, hij ‘contempleert’. Als je hem een duw zou geven, zou er een rilling door hem heen gaan en hij zou je aankijken alsof hij net wakker was geworden, maar er niets van begrijpen. Wel zou hij meteen bij zijn positieven zijn, en op de vraag waarom hij daar stond te denken, zou hij zich niets meer herinneren, maar toch zou hij de indrukken opgedaan tijdens zijn contemplatie nooit meer kwijtraken. Die indrukken zijn hem dierbaar, ongemerkt en zelfs onbewust zal hij ze opzamelen, waarvoor en waarom, dat weet hij natuurlijk zelf niet: misschien zal hij na jarenlang indrukken te hebben verzameld opeens alles in de steek laten en naar Jeruzalem gaan, op een pelgrimage ter redding van zijn ziel, of misschien zal hij opeens zijn geboortedorp in de hens steken, of misschien doet hij het zowel het een als het ander. Er zijn in het volk tamelijk veel van zulke contemplatieve figuren’.

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 156.

P.

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’, zegt de verweerde Zwerver plots, terwijl hij het vuur aanport en zijn tijdelijke metgezel, een jonge vagebond uit een nabijgelegen dorp, aankijkt. Hij lijkt niet te luid te willen spreken, dat lag overigens niet in zijn aard. Het zou zonde zijn, dacht de Zwerver, de wonderlijke stilte die nu over het bos is gevallen plots te verbreken. Hij beschouwt tijd en ruimte als heilig. Elk tijdstip, elk ruimtedeel is geladen met een symbolische betekenis. Niet dat dit zijn leven onnodig bezwaart, het zorgt eerder voor een uiterst diep respect voor de omgeving waarin hij vertoeft en de manier waarop hij zijn tijd wenst in te vullen. Dit respect vormt de totale tegenpool van het leven dat hij eens gekend had: jachtig en betekenisloos. Rond hen treedt de nacht in alle stilte aan en doorruist een koele maar zachte wind de bomen, die stilaan hun stralende kruin verloren. Het bruisende zomerleven maakt plaats voor de verstilling.

‘Waarom een heerlijkheid?’, vraagt de metgezel met een nieuwsgierige blik, die duidelijk gebrand was op een discussie, ‘is het niet heerlijk, te vertoeven onder je geliefden? Is het niet heerlijk je geluk te delen met anderen en je leed te verzachten in het nabij zijn van anderen?’. De Zwerver kijkt op en glimlacht zonder een schim van minzaamheid en arrogantie te laten zien. Hij spreekt zijn woorden haast uit alsof hij een gedicht citeert, in een bijzondere kadans die zijn toehoorder lijkt te hypnotiseren.

‘Zeker. Ik heb dat geluk gekend, onder vele geliefden te verblijven. En ik heb ook mijn leed verzacht in hun nabij zijn. Het is iets waar ik met een groot genoegen naar terug kijk. Maar toch is de mens een fundamenteel eenzaam wezen, daar ben ik van overtuigd. Menselijke ervaringen zijn de bron van wijsheid, en door hun uniekheid zijn zij uiterst persoonlijk. Esse est percipi. Het bestaan dat het meest logische, concrete en redelijke is, kan enkel het bestaan zijn dat tegemoet komt aan je eigen verbeelding, idee en fantasie van de werkelijkheid. De wereld, en daarmee bedoel ik het zinvolle weefsel van ruimte en tijd, is de creatie van de unieke menselijke geest. Slechts weinigen beseffen dit en schrijven dit toe aan anderen.’

Niet veel verder, op een kaal, braakliggend weiland stuiven honderden zwarte vogels weg, opgeschrikt door iets. Een aanzwellende golf, net iets donkerder dan de donkerblauwe nachthemel, vliegt haast geruisloos over de hoofden van de twee vagebonden. De Zwerver kijkt nog eens naar zijn jonge metgezel, die op zijn wederwoord leek te broeden. Hij had een eigenaardige tic: iedere keer wanneer hij het woord nam, leek hij zijn baard aan te raken en te strelen. De metgezel is een stevige kerel van gemiddeld postuur met een knokig, rechthoekig gezicht, en er opmerkelijk jong uitziet. Dat heeft hij vooral te danken aan de vurige kracht die uit zijn ogen lijkt te stralen.

‘Maar deel je die ervaringen dan niet met allen die bij je zijn? Dit moment van stilte, dit magische moment in deze wonderlijke natuur, delen wij dit niet met elkaar?’

De Zwerver moest lachen. ‘Neen, mijn beste vriend. Wat ik ervaar en wat jij ervaart kunnen evengoed mijlenver uit elkaar liggen. Wat wij delen is slechts de illusie dat wij hetzelfde ervaren’.

‘Is iedere vorm van samen iets delen of samen iets ervaren, dan een illusie? Is het nutteloos?’

‘Zeer zeker niet! Ik schat je hoog in, beste, en op dit eigenste moment doen wij beiden indrukken op die als bouwstenen dienen voor het begrip van onszelf, de wereld en nog veel meer. Het zou trouwens waarlijk gek zijn te denken dat je niemand nodig hebt. De mens is immers een sociaal wezen, dat slechts ten volle kan groeien tot een volwaardig lid van een gemeenschap door de steun van anderen. In dit opzicht is de mens niet eenzaam, daarover spreek ik overigens niet. Ik doel op het domein van de gedachte, vooral daarin is de mens eenzaam. Die bepaalde eenzaamheid moet hij koesteren, want daarin kan hij iets heel bijzonders vinden. Namelijk wijsheid in iets dat boven hem uitstijgt; een “meer-dan-leven” als het ware. Hij begint in zichzelf, verliest zichzelf gaandeweg in zijn innerlijke zoektocht en keert terug naar zichzelf in een nieuwe gedaante’.

‘Wat bedoel je? Wat voel jij dan, als jij alleen bent? Ik zou toch liever bij de mensen verblijven, zeker op koude en donkere winternachten. Want dan voel ik me ver van alles en iedereen. Die afstand is ondraaglijk’.

‘Toen ik nog in de stad woonde wandelde ik eens op een donkere winteravond door de straten naar huis toe. Ik moest door het park wandelen en toen ik me daarginds bewust werd dat ik me helemaal alleen bevond, zonder iemand rond mij, voelde ik iets heel bijzonders. De opkomende mist en de kale bomen, die me op andere momenten heel bevreemdend en zelfs beangstigend overkwamen, en waar ik anders snel voorbij wandelde, voelden heel vriendelijk aan; zorgzaam en beschermend. Toen ik omhoog keek zag ik de sterren helder fonkelen en zich organiseren in sterrenbeelden, zomaar, uit zichzelf en zonder mijn toedoen. Ik werd plots overmand door het abrupte idee dat ik me middenin de kosmos bevond; die machtige architectuur van het Leven. Op dat moment dacht ik dat geen enkele plek me nog bevreemdend en beangstigend zou overkomen en kwam ik te beseffen dat we als mens wel eenzaam kunnen zijn in onze gedachte, maar nooit hopeloos alleen. Want wat is dat, ondraaglijke afstand en ver zijn van alles en iedereen? Kan je meten wanneer een bepaalde ruimtelijke afstand je alleen en verloren maakt? Deze hele aarde is slechts een miniem punt in het hele heelal, zijn we daarom als mens hopeloos alleen? In stad waar ik woonde voelde ik me eenzaam tussen de krioelende massa, maar daar, in het nachtelijke park, waar niemand was en niemand naar me omkeek of nog maar zelfs aan me dacht, daar werd ik me van een nabijheid gewaar van iets dat veel groter was dan het leven zelf. Dát, mijn beste, is de heerlijkheid van de eenzaamheid’.

P.

Herfstzinnen

Ach, mens, hoe heerlijk is het de machtige gloed van een gouden oktoberzon over het Brabantse land te zien rollen en te beseffen dat je niet de halve wereldbol moet afreizen om iets magisch te beschouwen! De bomen tooien zich in hun gouden gewaad, een triomfale aanblik voor ze van de bühne verdwijnen en een winterse slaap ondergaan en wachten op hun hergeboorte. De zuigende olielamp wordt aangestoken, die knappert en de verlichte kamer vult met de aardse geur van petroleum. De wind speelt langzaam met de satijnen ochtendnevel, die als een transparant gewaad sensueel danst over bedauwde velden. Zwijgende avonden treden aan, terwijl de zon beduidend lager hangt en door haar kortstondige omwentelingen steeds minder warmte uitboezemt. De wind ruist steeds koeler door de sparrebossen en de afgeworpen bladeren van de bomen vormen een natuurlijk tapijt met een zoete geur.

“Het is mooi zo”, denkt de zwerver. “De aarde verstilt. De mens verstilt. Het rusteloze gesuis van insecten neemt af, de tijd verlangzaamt en het land zinkt in een diepe, lange slaap”. De zwerver trekt niet langer verder. Hij zoekt zijn toevlucht in de buurt. Daar waar de dieren bijeengedreven worden, daar waar de warmte opstapelt binnen houten schuren. Waar de mensen stil zijn en fluisteren bij het haardvuur en de vreemdeling een stuk brood en wat wijn aanbieden. “Nu mogen de winterse dagen komen”, denkt hij, terwijl hij het vuur wild ziet dansen. “Ik wil roerloos wezen in de diepe, stille nacht”.

P.